Home | Fonds | Woordenboek | Historisch overzicht | Contact Winkelwagentje: leeg
Latijns idioom

LATIJNSCHE PHRASEOLOGIE DOOR DR. K. MEISSNER

NAAR DE ZESDE DUITSCHE UITGAVE

OMGEWERKT VOOR GYMNASIËN

TWEEDE VERBETERDE DRUK

UTRECHT, WED. J.R. VAN ROSSUM, 1893

Het hoofddoel dezer Phraseologie is den leerling de meest gewone, eenvoudige Latijnsche zegswijzen, bij de classieke schrijvers in gebruik, in handen te geven.

Tevens zal als terloops menig moeilijk woord nader toegelicht, het onderscheid van sommige synoniemen bepaald, tegen vele fouten, die zich een zeker burgerrecht aangematigd hebben, gewaarschuwd worden, enz.

De orde door Dr. MEISSNER gevolgd is meer eene practische dan streng logische. Wij hebben beproefd door eene nieuwe indeeling van het geheel het boekje ook voor onze gymnasiën practisch te maken, zonder het logische te veel geweld aan te doen. Het werk is in drie afdeelingen gesplitst, waarvan de eerste nagenoeg het dubbel aantal bladzijden bevat van elk der volgende. In deze eerste groep zijn de hoofdstukken opgenomen, wier stof en vorm voor de lagere klassen de geringste bezwaren opleverden. Toch is elk nummer verdeeld in A en B, zoodat onder A niets gebracht is, dan hetgeen eene geringe mate van ontwikkeling vordert en slechts de kennis onderstelt der laagste klasse en van eenige hoofdregels der volgende. Het eenvoudigste is hieruit wederom gekozen en als Voorbereiding vooropgesteld. Zoo zou het, dunkt ons, mogelijk zijn reeds op de tweede de A en op de derde de B te laten leeren. Wil men liever op de derde beginnen, dan is de Voorbereiding natuurlijk niet meer noodzakelijk.

De Phraseologie is reeds in 1885 in het Fransch en in 1887 in het Italiaansch verschenen.

Mogen de verbeteringen van den tweeden druk de bruikbaarheid van het werkje verhoogen.

CULEMBORG, Augustus 1893.

I N H O U D.

Bladz.

VOORBEREIDING 1

EERSTE AFDEELING.

I. WERELD EN NATUUR 13

1. Wereld 13

2. De aarde en hare oppervlakte 13

3. Water. Rivier. Zee 15

4. Vuur 16

5. Lucht. Hemel. Klimaat. Hemellichamen 16

6. Lucht- en Natuurverschijnselen 17

II. RUIMTE EN TIJD 18

1. Windstreken. Ligging 18

2. Grens. Gebied. Verwijdering 19

3. Weg. Reis 20

4. Gaan. Komen 22

5. Rijden 22

6. Trede. Voetstap. Richting 23

7. Beweging in het algemeen 24

8. Tijd in het algemeen 25

9. Jaar. Jaargetijden 27

10. Dag 28

III. HET MENSCHELIJK LICHAAM EN ZIJNE DEELEN 30

IV. HET MENSCHELIJK LEVEN 34

1. Zinnen. Zinnelijke waarnemingen. Krachten 34

2. Geboorte. Leven 35

3. Ouderdom 36

4. Honger. Dorst 38

5. Lachen. Weenen 39

6. Gezondheid. Ziekte 40

7. Slaap. Droom 41

8. Dood 42

9. Begrafenis 43

V. OMSTANDIGHEDEN VAN HET LEVEN 44

1. Toestand. Omstandigheid 44

2. Begin. Einde. Afloop. Uitslag 45

3. Reden. Oorzaak. Bron 46

4. Opzicht. Belang. Invloed. Macht. Believen 47

5. Gelegenheid. Mogelijkheid. Aanleiding. Toeval 49

6. Geluk 50

7. Ongeluk. Lot. Verderf 51

8. Gevaar. Proef (Periculum). Veiligheid 53

9. Hulp. Redding. Troost 54

10. Rijkdom. Gebrek. Armoede 55

11. Nut. Belang. Voordeel. Schade 55

12. Welwillendheid. Gunst. Genegenheid. Welgevallen 56

13. Weldaad. Dank. Vergelding 58

14. Verdienste. Waarde. Belooning. Prijs 58

15. Verzoek. Wensch. Last. Bevel 59

16. Vriendschap. Vijandschap. Verzoening 60

17. Aanzien. Gezag. Waardigheid 61

18. Lof. Goedkeuring. Berisping. Verwijt 62

19. Gerucht. Gepraat. Tijding. Vermelding 63

20. Roem. Roep 64

21. Eer. Hoon. Schande. Schandvlek 65

22. Moeite. Vlijt. Arbeid. Inspanning 66

23. Bezigheid. Vrije tijd. Ledigheid. Traagheid 68

VI. HET HUISELIJK LEVEN 69

1. Het huis. Zijne deelen 69

2. Huishouden. Vermogen. Bezit. Eigendom 70

3. Woning. Meeding 71

4. Spijs. Drank 72

5. Levensonderhoud in het algemeen 73

6. Kosten. Verkwisting 73

7. Gastmaal. Gastvrijheid 74

8. Gezelschap. Omgang. Verkeer. Eenzaamheid 75

9. Gesprek. Audiëntie. Onderhoud 76

10. Groet. Vaarwel. Gelukwensch 77

11. Verloving. Huwelijk. Echtscheiding 78

12. Testament. Erfenis 79

13. Gewoonte. Gebruik 79

VII.. HANDEL. BOUW 80

1. Handel in het algemeen. Knopen. Kosten 80

2. Geld. Rente. Leening 81

3. Geldzaken, Rekening. Rekenschap 82

4. Winst. Krediet. Schuld 83

5. Gebouwen 84

6. Landbouw. Veeteelt 84

VIII. HET KRIJGSWEZEN 86

i. Werving. Krijgseed. Leger in het algemeen 86

2. Soldij. Krijgsdienst. Proviand 88

3. Opperbevel. Commando. Tucht 88

4. Wapenen 89

5. De oorlog 90

6. Het leger op marsch 92

7. De legerplaats 94

8. De belegering 95

9. Vóór den slag 97

10. De slag 98

a) De strijd in het algemeen 98

b) De aanval 99

c) Het gevecht 100

d) De omsingeling. Stellingen. Hulptroepen 101

e) Het gelukken van den aanval 102

f) Aftocht. Vlucht. Vervolging 102

g) Nederlaag. Bloedbad. Wonden. Verlies 103

11. Overwinning. Zegetocht 104

12. Wapenstilstand. Vrede. Verdrag. Verbond 105

13. Onderwerping 106

IX. HET ZEEWEZEN 107

1. Eenige benamingen 107

2. Scheepvaart. Schipbreuk. Landing 108

3. Zeeslag. 109

TWEEDE AFDEELING.

I. DE GEEST EN ZIJNE VERMOGENS 110

1. Geest. Talent. Verstand 110

2. Voorstelling. Verbeelding. Gedachte. Begrip 111

3. Gevoelen. Vooroordeel. Vermoeden 112

4. Waarheid. Dwaling 114

5. Keus. Twijfel. Bezwaar 115

6. Weten. Zekerheid. Overtuiging 116

7. Plan. Raad. Overleg 117

8. Besluit. Voornemen 119

9. Inzicht. Doel. Vertraging. Uitstel 120

10. Geheugen. Aandenken. Herinnering. Vergetelheid 120

11. Theorie. Practijk. Ervaring 123

II. TAAL EN SCHRIFT 123

1. Taal. Spraakgebruik. Vertaling. Spraakkunst 123

2. Volzin. Periode. Woord. Spreekwoord, Lettergreep. Letter 125

3. Schrift. Schrijver. Boek 129

4. De brief 131

III. GEMOED EN HART 132

1. Gemoedsstemming, gemoedsaandoening in het algemeen 132

2. Vreugde. Smart 133

3. Kommer. Zorg. Onbezorgdheid. Tevredenheid. Rouw 135

4. Vrees. Schrik. Angst 136

5. Moed. Moedeloosheid. Kleinmoedigheid. Opgeblazenheid. Hoogmoed. Overmoedigheid. Aanmatiging. Trotschheid 136

6. Tegenwoordigheid van geest. Gelijkmoedigheid. Beradenheid. Vertwijfeling 137

7. Hoop. Verwachting 138

8. Medelijden. Toegeeflijkheid. Vergiffenis. Gevoelloosheid. 'Wreedheid 140

9. Liefde. Verlangen. Bewondering. Geestdrift 141

10. Geloof. Geloofwaardigheid. Vertrouwen. Trouw. Belofte. Borgstelling. Bescherming 142

11. Achterdocht. Verdenking. Vermoeden. Voorgevoel 144

12. Haat. Nijd. Afgunst 145

13. Misnoegdheid. Toom. Wraak. Woede 146

IV. DEUGDEN EN GEBREKEN 147

1. Deugd. Zedelijkheid 147

2. Gebrek. Ondeugd. Misdaad 148

3. Begeerte. Hartstocht. Zelfbeheersching 149

4. Onrecht. Beleediging. Beschimping. Smaad. Aanstoot 150

5. Geweld. Hinderlaag. Bedreiging 151

6. Schijn. Veinzerij. Huichelarij. List. Leugen. Spot 151

7. Plicht. Neiging 153

8. Rede. Geweten 154

9. Maat. Maatstaf. Grens. Gematigdheid. Middelweg 155

10. Zeden. Zedeloosheid. Zedenbederf. Beginselen. Karakter 155

V. GODSDIENST EN EEREDIENST 157

1. God. Godsvereering 157

2. Godsdienst. Godsdienstige bezwaren. Eed 158

3. Geloof. Ongeloof. Bijgeloof 159

4. Gebed. Heilbede. Gelofte 159

5. Offers. Feesten 161

6. Orakel. Wonderteekens. Wichelarij. Voorteeken 162

DERDE AFDEELING.

I. WETENSCHAP. KUNST 163

1. Wetenschap in het algemeen. Letterkunde 163

2. Geleerdheid. Kennis 165

3. Vorming. Ontwikkeling. Beschaving 166

4. Opvoeding. Onderricht. School. Aanleg. Beroep 167

5. Voorbeeld. Voorschrift 169

6. De wijsbegeerte 170

7. De deelen der wijsbegeerte 172

8. Stelsel. Methode. Beginsel 173

9. Geslacht. Soort. Bepaling. Orde. Verband 173

• 10. Bewijs. Wederlegging 174

11. Besluit. Aanneming. Gevolgtrekking 175

12. Redetwist. Strijd. Strijdvraag 175

13. Overeenstemming. Overeenkomst. Consequentie. Tegenspraak 177

14. Afzonderlijke wetenschappen. (Geschiedenis. Fabelleer. Tijdrekenkunde. Aardrijkskunde. Wiskunde. Natuurkunde. Sterrenkunde) 178

15. Volmaaktheid. Ideaal. Kunst in het algemeen 180

16. Dichtkunst. Muziek. Schilderkunst. Beeldhouwkunst 182

17. Tooneel. Spelen 183

II. REDEKUNST EN STIJLLEER 185

1. De rede in het algemeen 185

2. Stijl. Behandeling. Uitdrukking 188

3. Voordracht. Stem 192

4. Stof. Onderwerp 193

5. Vraag. Antwoord 194

6. Scherts. Geestigheid. Vroolijkheid. Ernst 195

III. DE STAAT 196

. Staatsregeling.. Bestuur. Staatsleven 196

2. Burgerrecht. Stand 198

3. Waardigheid. Eerambten. Voorrang 199

4. Vergaderingen. Stemming 201

5. Wet. Wetsvoorstel 201

6. Volksgunst. Invloed. Impopulariteit 203

7. Partij. Onzijdigheid. Politiek. Aristocratie. Democratie 204

8. Demagogie. Omwenteling. Opstand. Regeeringloosheid 206

9. Vogelvrijverklaring. Verbeurdverklaring. Verbanning Amnestie 207

Io. Heerschappij. Alleenheerschappij. Koningschap 208

L1. Slavernij. Vrijheid 210

12. Belastingen. Koloniën. Werkkring. Provinciën 211

13. De Magistraten 212

a) Dinging. Verkiezing 212

b) Eenige magistraatspersonen 214

14. De Senaat 215

IV. RECHT EN GERECHT 217

1. Recht en gerecht in het algemeen 217

2. Gerechtelijk onderzoek. Getuigenis. Foltering 219

3. Rechtsgeding. Verdediging 220

4. Beschuldiging. Vonnis 221

5. Schuld 222

6. Straf. Straffeloosheid 223

AANHANGSEL 225

REGISTER I 230

REGISTER II 238

VOORBEREIDING

1. Natuur

De boomen worden groen Arbores frondescunt

Onbebouwde streken Loca inculta

De akkers besproeien Agros irrigare

Door de golven geslingerd worden Fluctibus iactari

Een stroom door stortregens gezwollen Flumen imbribus auctum

Vuur aanmaken, ontsteken Ignem facere, accendere

Het vuur onderhouden Ignem alere

Gebouwen in brand steken Accendere, incendere aedificia

Eene stad in brand steken Inflammare urbem

In de asch gelegd worden Incendio deleri, absūmi

De zon gaat op, gaat onder Sol oritur, occidit

Zonsopgang, zonsondergang Ortus, occasus solis

De maan wast, neemt af Luna crescit, decrescit

De wind gaat liggen Ventus cadit, cessat

Er verheft zich een storm Tempestas cooritur

De zon steekt Sol ardet, urit

Door den bliksem getroffen worden Fulmine ici

II. Ruimte en tijd

Het landgoed, het buiten ligt aan den weg Villa tangit viam

Ver verwijderde plaatsen Loca longinqua

Een weg bestraten, plaveien Viam sternere (silice, saxo)

Een bestrate weg Via strata

Een weg inslaan Viam ingredi, inire (ook overdr.)

Aan een dwalende den weg wijzen Erranti viam monstrare

Een langen weg afleggen Longam viam conficere

Een reis doen Iter facere

Een reis te land, te voet Iter terrestre, pedestre

Reizen dag en nacht voortgezet Itinera diurna nocturnaque

Te Rome aankomen Romam venire, pervenire

Het paard de sporen geven Calcaribus equum concitare

Een stap doen Gradum facere

Hierheen en daarheen Huc (et) illuc

Heen en weer, over en weer Ultro citroque

Wijd en zijd, naar alle kanten (zich uitbreiden) Longe lateque, passim (b.v. fluere)

Verder voortgaan, voortrukken Longius progredi, procedere

Iemand inhalen Consequi, assequi aliquem

Iemand voorbijloopen, voorbijijlen Post se relinquere aliquem

De tijd gaat voorbij, verstrijkt Tempus praeterit, transit

Tijd aan iets wijden Tempus tribuere alicui rei

Geen tijd verliezen, verzuimen Tempus non amittere, perdere

Verleden jaar Praeterito anno

Toekomend jaar Insequenti(e) anno

In 't begin van het jaar Initio anni

Bestand zijn tegen den winter Hiemem tolerare

De indeeling, verdeeling van het jaar Anni descriptio

III. Het menschelijk lichaam

De ooren sluiten, openen Aures claudere, patefacere (b.v. veritati, assentatoribus)

Iemand gehoor schenken, geven, verleenen Aures praebere alicui

Het hoofd ontblooten, den hoed afnemen Caput aperire (tgst. operire)

Het voorhoofd fronsen, ontfronsen Frontem contrahere, explicare

Iemand de hand geven, reiken Manum alicui porrigere

Iets in de hand nemen In manus (manum) sumere aliquid

Het gezicht verliezen, blind worden Oculos, lumina amittere

Iemands blik vermijden, iemands oogen ontwijken Fugere alicuius conspectum, aspectum

Met voeten treden Pedibus obterere, conculcare

Niet zien wat voor de voeten of voor de oogen ligt. Quod ante pedes est of positum est, non videre

Het gelaat niet vertrekken Vultum non mutare

IV. Het menschelijk leven

Gezonde, gave zinnen Sensus sani, integri, incorrupti

Hetgeen door de zinnen kan waargenomen worden Res, quae sensibus percipiuntur

Al het zichtbare, alles wat wij kunnen zien of waarnemen Res, quas oculis cernimus

Lichaamskrachten Vires corporis of vires

Krachten winnen, in krachten toenemen Vires colligere

Het mannelijke, vrouwelijke geslacht Sexus virilis, muliebris

Wat zijt gij voor landsman? Cuias es?

Een (gelukkig, ongelukkig) leven leiden Vitam (beatam, miseram) degere

Een zeer hoogen ouderdom bereiken Ad summam senectutem pervenire

Hoe oud zijt gij? Quot annos natus es?

Ik ben 13 jaren oud Tredecim annos natus sum

10 jaren oud geworden zijn Decem annos vixisse

De nakomelingen Posteri.

Honger hebben Esurire

Den honger stillen, den dorst lesschen Famem, sitim explere

Honger en dorst verdrijven Famem sitimque depellere cibo et potione.

Hevigen, brandenden dorst hebben Siti cruciari, premi

Aan het lachen brengen Risum movere, concitare

Het lachen bijna niet kunnen inhouden, bedwingen Risum tenere vix posse / Risum aegre continere posse

De tranen niet kunnen bedwingen Lacrimas tenere non posse / Fletum cohibere non posse

Zorg dragen voor zijne gezondheid Valetudini consulere, operam dare

Ziek worden In morbum incidere / Aegrotare coepisse

De ziekte verergert, wordt slimmer Morbus ingravescit

Door eene ziekte weggerukt worden Morbo absūmi

Een zieke verzorgen; over een zieke gaan, hem behandelen (als geneesheer) Aegrotum curare

De verschillende wijzen van behandeling, kuren Curationes

Een zieke genezen Aegrotum sanare

Zich aan den slaap overgeven Somno of quieti se tradere

De droom komt uit Somnium verum evadit

Een droom uitleggen, verklaren Somnium interpretari

Een droomverklaarder, droomuitlegger Somniorum interpres, coniector

Een vroege dood Mors immatura

Reeds vroeg sterven Mature decedere

Een einde aan het leven maken Vitae finem facere

Vergift innemen Venenum sumere, bibere

Zich vergeven, zich door vergift het leven benemen Veneno sibi mortem consciscere

Den giftbeker drinken, ledigen Poculum mortis (mortiferum) exhaurire

Iemands lijk verbranden Aliquem mortuum cremare

De lijkrede Oratio funebris

Iemand begraven, ter aarde bestellen Sepultura aliquem afficere

V. Het huiselijk leven

Een huis afbreken, sloopen Domum demoliri

Een huis dikwijls bezoeken, in- en uitgaan Domum frequentare

Naar buiten (= buiten de deur) gaan Foras exire

Iemand naar buiten (= buiten de deur) zenden Foras mittere aliquem

De deur openen, sluiten Ostium, fores aperire, claudere

De deur toegrendelen Fores obserare

De huishouding verwaarloozen, slecht huishouden Rem familiarem neglegere

Een oppassend, degelijk huisvader Diligens paterfamilias

Grondeigendom Fundi

Van kleederen (en schoenen) verwisselen Vestimenta (et calceos) mutare

Versleten, afgedragen kleeren Vestitus obsoletus, tritus

De mannelijke toga aandoen Togam virilem (puram) sumere

Voedsel gebruiken Cibum sumere, capere

Een lekker beetje Cibus delicatus

Zwart, grof brood, gerstebrood Panis cibarius

Bovenmatig drinken, lustig bekeren Potare

Een beker ledigen Exhaurire poculum

Het dagelijksch brood Victus cotidianus

Karig, bekrompen leven Parce vivere

Goed, heerlijk leven Laute vivere

Zijne uitgaven beperken Sumptibus modum statuere

De tafels met keur van spijzen bezetten Mensas exquisitissimis epulis instruere

Gastmalen, die reeds vroeg beginnen Convivia tempestiva

Iemands gastvrijheid genieten Hospitio alicuius uti

Den omgang met de menschen vermijden Hominum coetus,congressus fugere

In de eenzaamheid leven In solitudine vivere

Een eenzaam leven leiden Vitam solitariam agere

Een gesprek met iemand aanknoopen Sermonem conferre, instituere, ordiri cum aliquo

Een onderhoud hebben, een gesprek met iemand over iets voeren Sermonem habere cum aliquo de aliqua re

Verhaal of vertelling, vertelsel Narratio, fabula

De anekdote, het sprookje Narratiuncula, fabella

Deze fabel leert ons Haec fabula docet (niet nos)

De taal van het dagelijksch leven Sermo cotidianus of enkel sermo

Huwen (van den man) Ducere uxorem

Gehuwd zijn Uxorem habere

Aan een dochter een bruidschat, een uitzet geven Dotem filiae dare

Een testament maken Testamentum facere, conscribere

Een testament verzegelen Testamentum obsignare

Een testament openen, ontzegelen Testamentum resignare

Een testament ongeldig verklaren Testamentum rescindere

Iets erven Hereditate aliquid accipere

Iets is door iemand nagelaten Hereditate aliquid relictum est ab aliquo

Bij zijne gewoonte blijven, zich aan zijne gewoonte houden Consuetudinem suam tenere, retinere, servare

Een gewoonte schiet wortel Consuetudo inveterascit

Iets raakt in onbruik, komt uit de mode Res obsolescit

VI. Handel en landbouw

Groothandel drijven Mercaturam facere

Waren (te koop) uitstallen Exponere, proponere merces (venales)

Veel geld Pecunia magna, grandis

Weinig geld Pecunia exigua, tenuis

Een geldstuk Nummus (niet pecunia)

Geld uitgeven (voor de vloot) Pecuniam erogare (in classem)

Geld betalen Pecuniam solvere

Iemand geld schuldig zijn Pecuniam alicui debere

Geld invorderen (met hardvochtigheid) Pecuniam exigere

De schuldenaar Debitor of is, qui debet

De schuldeischer Creditor of is, cui debeo

Schulden hebben Aes alienum habere

Drukkende schulden hebben, on der schulden gebukt gaan Aere alieno oppressum esse

Zijne schulden betalen, afdoen Aes alienum dissolvere, exsolvere

Een gebouw optrekken, een ge denkteeken oprichten Exstruere aedificium, monumentum

Den grondslag leggen Fundamenta iacěre, agere

Een toren bouwen Turrim excitare, erigere, facere

Eene stad bouwen, stichten Oppidum constituere, condere

Eene brug afbreken Pontem dissolvere, rescindere, interscindere

Den akker bebouwen Agrum colere

Vruchtbare akkers, landerijen onbebouwd, braak laten liggen Agros fertiles deserere

Zaaien Serere, semen spargere

Oogsten Messem facere / Fructus demetere of percipere

De vruchten inzamelen, bergen Fructus condere

Een goede, rijke oogst Messis opima (tgst. ingrata)

Boomen planten Arbores serere

Boomen vellen, omhakken Arbores caedere

De kudde weiden (= laten grazen) (van den herder) Pascere gregem

De kudden weiden (= grazen) Greges pascuntur

Paarden, honden houden Alere equos, canes

VII. Het krijgswezen.

I. LEGER. WAPENEN. OORLOG.

Een leger op de been brengen Exercitum conficere

Van alle kanten troepen oproepen Evocare undique copias

De vrijwilligers Evocati, voluntarii

Allen te wapen roepen Omnes ad arma convocare

Twee legioenen vormen Efficere duas legiones

De legioenen voltallig maken Complere legiones

Een leger, troepen uitrusten Parare exercitum, copias

Een leger onderhouden Alere exercitum

Het leger afdanken Dimittere exercitum

Verlof geven aan de soldaten Commeatum militibus dare

Groote troepenmacht, veel troepen Magnae copiae (niet multae)

Weinig troepen Exiguae copiae

Een talrijk leger Ingens, maximus exercitus (niet numerosus)

Een oud (in dienst vergrijsd) soldaat Vetus miles, veteranus miles

Soldij aan de troepen uitbetalen Stipendium dare, numerare, persolvere militibus

Aan de spits van het leger staan Praeesse exercitui

De held Vir fortissimus

Heldendaden verrichten Magnas res gerere

Krijgsdaden Res gestae

Het commando gaat op iemand over Imperium transfertur ad aliquem

Naar de wapenen grijpen, de wapenen opnemen Arma capere, sumere

Den helm opzetten Galeam induere

De wapenen afleggen, nederleggen Arma ponere, deponere

Onder de wapenen staan In armis esse

Pijlen, speren, steenen (alles waar waarmede men aanvalt werpen, slingeren Tela, iacěre, conicere, mittere

Uit de verte van lansen, dichtbij van zwaarden gebruik maken Eminus hastis, comminus gladiis uti

Het zwaard uit de scheede trekken Gladium educere (e vagīna)

Het zwaard trekken Gladium stringere, destringere

Door kracht van wapenen Vi et armis

Een geregelde, wettige oorlog Bellum iustum (pium)

Een binnenlandsche, inlandsche oorlog Bellum intestinum, domesticum (tgst. belum externum)

Een oorlog verwekken Bellum facere, movere, excitare

Den veldtocht openen, de vijandelijkheden beginnen Bellum incipere, belli initium facere

De oorlog dreigt, is ophanden Bellum impendet, imminet

De oorlog breekt uit, barst uit Bellum oritur, exardescit

Met iemand oorlog voeren Bellum gerere cum aliquo

Iemand den oorlog aandoen Bellum inferre alicui

Tegen iemand oorlog voeren, iemand beoorlogen Bello persequi aliquem

Een einde aan den oorlog maken Belli finem facere

Den oorlog ten einde brengen (door de kracht der wapenen en de nederlaag der vijanden) Bellum conficere

Het oorlogstooneel Belli sedes

2. MARSCH. LEGERPLAATS. BELEGERING.

De voorhoede Agmen primum

De achterhoede Agmen novissimum (extremum)

De achterhoede uitmaken, den trein sluiten Agmen claudere

Met het leger voortrukken Procedere cum exercitu

Marcheeren Iter facere

Een weg afleggen Iter conficere

Den marsch verhaasten Iter maturare, accelerare

Den marsch onafgebroken voortzetten Iter continuare

Zonder ophouden voortmarcheeren Iter non intermittere

Van den weg afslaan, een anderen weg inslaan Iter flectere, convertere, avertere

In het gelid en in de rangen blijven Ordines servare

De gelederen in verwarring brengen, er door breken Ordines turbare, perrumpere

De achterhoede in verwarring brengen Novissimos turbare

De achterhoede verontrusten, afbreuk doen Novissimos carpere

Halt maken Subsistere, consistere / Gradum sistere

Eene plaats bezetten Capere, occupare locum

Op een berg post vatten Consistere in monte

Eene bezetting in eene stad leggen Praesidium collocare in urbe

Een kamp opslaan Castra ponere, locare

Een legerplaats afsteken, uitbakenen Castra metari

Paarden buit maken Capere equos

Een stad belegeren Oppidum obsidere

Een stad bestormen Oppidum oppugnare

Belegeringswerken maken Opera facere

Schutdaken aanstuwen, aanvoeren Vineas agere

Torens bouwen Turres instituere

Stormladders plaatsen Scalas admovere

Mijnen aanleggen Cuniculos agere

Een uitval uit de stad doen Eruptionem facere ex oppido

De poorten versperren, barricadeeren Portas obstruere

Een stad veroveren Oppidum capere, expugnare

Een stad hernemen, heroveren Oppidum recipere

Een stad in brand steken Oppidum incendere

Een stad plunderen Oppidum diripere

Een stad geheel verwoesten Oppidum evertere, excīdere

De wapenen uitleveren, overgeven Arma tradere

3. VÓÓR DEN VELDSLAG. DE VELDSLAG.

Het teeken tot den strijd geven Signum proelii dare

Te wapen loopen Ad arma concurrere

Het leger in slagorde scharen Aciem (copias, exercitum) instruere

Het leger op drie gelederen scharen Aciem triplicem instruere

Reservetroepen opstellen Subsidia collocare

Den moed der soldaten aanvuren Animos militum confirmare

1. Slag leveren. 2. Een slag beginnen Proelium committere

Slag leveren. Proelium facere.

Aan de ruiterij slag leveren (met de ruiterij) Proelium equestre facere

Gelukkig strijden Proelium facere secundum / Proeliis secundis uti

Den strijd voor een tijd staken Proelium intermittere

Het gevecht afbreken of doen ophouden Proelium dirimere

Den strijd hernieuwen Proelium renovare, redintegrare

Aan het gevecht deelnemen Proelio interesse

Een bloedige strijd Proelium cruentum, atrox

Den vijand aanvallen Aggredi hostem

Een aanval doorstaan, uithouden Impetum sustinere

Een carré vormen Orbem facere

Een wigvormige slagorde vormen Cuneum facere

Eene phalanx vormen Phalangem facere

Den vijand terugwerpen, aan het wijken brengen Pellere hostem

Den aanvallenden vijand terugslaan Repellere, propulsare hostem

Van alle kanten in het nauw gebracht worden Undique premi, urgeri

Den vijand verpletteren Prosternere, profligare hostem

Den vijand op de vlucht slaan Fugare hostem

Het vijandelijke leger verslaan Fundere hostium copias

De vlucht nemen Fugam capessere, capere

De wapenen wegwerpen Arma abicere

Den vijand nazetten Hostes insequi

Den vijand vervolgen Hostes (fusos) persequi

Den vijand achterhalen Hostes assequi, consequi

Iemand bij levenden lijve gevangen nemen Capere aliquem vivum

Den vijand de nederlaag toebrengen Cladem hostibus afferre, inferre

De nederlaag krijgen Cladem accipere

Den vijand, een leger verdelgen, vernietigen Hostes, exercitum delere, concidere

(Zwaar, doodelijk) gewond worden Vulnus (grave, mortiferum) accipere, excipere

De overwinning, de zege behalen, bevechten Victoriam adipisci, parěre

4. VERDRAG.

Wapenstilstand sluiten, aangaan Indutias facere

Den wapenstilstand breken Indutias violare

Het volkenrecht schenden Ius gentium violare

Met iemand over den vrede onderhandelen Agere cum aliquo de pace

Met iemand vrede sluiten Pacem facere cum aliquo

Gevangenen uitwisselen Captivos permutare, commutare

Gevangenen loskoopen Captivos redimere

Gevangenen zonder losgeld teruggeven Captivos sine pretio reddere

Gijzelaars geven Obsides dare

Een verbond met iemand sluiten, treffen Foedus facere (cum aliquo), icere, ferire.

Het verbond breken, schenden Foedus frangere, rumpere, violare

VIII. Het Zeewezen.

Een oorlogschip Navis longa

Een vrachtschip Navis oneraria

Een koopvaardijschip Navis mercatoria

Eene zeestad Oppidum maritimum

Een schip, eene vloot bouwen Navem, classem aedificare, facere, efficere

Een schip uitrusten Navem armare, ornare, instruere

Eene vloot uitrusten Classem instruere

Een schip herstellen, kalefaten Navem reficere

Zeesoldaten, mariniers Classiarii

Matrozen Nautae, remiges

Passagiers Vectores

Het anker lichten Solvere / Navem (naves) solvere / Ancoram (ancoras) tollere

De zeilen ophalen, onder zeil gaan Vela facere, pandere

De zeilen inbinden, innemen, reven Vela contrahere

Aan het roer staan, sturen Gubernaculum tractare / Clavum tenere

Schipbreuk lijden Naufragium facere

Het anker werpen Ancoras iacere

Een zeeslag leveren Pugnam navalem facere

Een schip kapen Navem capere, intercipere

EERSTE AFDELING

I. Wereld en natuur

1. WERELD

A

het heelal Rerum of mundi universitas

het geschapene, de natuur Rerum natura of alleen natura

B

De gehele zichtbare wereld Haec omnia, quae videmus

De volmaakte harmonic der schepping Totius mundi convenientia et consensus

De hoofdstoffen Elementa; initia of principia rerum

De hoofd- en grondstoffen Elementa et tamquam semina rerum

De zwaartekracht Nutus et pondus of alleen nutus (ῥοπή)

2. DE AARDE EN HAAR OPPERVLAKTE

A

De aardbol of de geheele aarde Orbis terrae (terrarum) Opm: Orbis terrarum (zelden orbis terrae) betekent gewoonlijk het gehele grondgebied van de Romeinse staat

Het vasteland (Terra) continens

Het binnenland Terra (regio) mediterranea

De binnenlanden van Azië Interior Asia

Het midden der stad. Sinus urbis

Tot het hart of tot het binnenste van Griekenland doordringen In ipsam of intimam Graeciam penetrare

Bezielde en onbezielde natuur Animata (animalia) inanimaque (niet inanimata!)

Wortel schieten of vatten Radices agere

Knoppen krijgen, uitbotten Gemmas agere

De bomen lopen uit Gemmae proveniunt

De bomen worden groen Arbores frondescunt

De takken breiden zich ver uit Rami late diffunduntur

Bergen met bossen begroeid Montes vestiti silvis

De top of de kruin van een berg Summus mons, vertex montis (later cacumen montis)

De toppen van de Alpen Culmina Alpium

Hoogten Loca edita, superiora

Ruwe en bergachtige streken Loca aspera et montuosa

Vlakke, effen streken Loca plana of alleen plana

Steile rotsen Saxa praerupta

Onbebouwde streken Loca inculta

Woestenijen Loca deserta (tgst. frequentia)

Bevallige of liefelijke oorden Loca amoena, amoenitas locorum

B

De aarde brengt vruchten voort Terra effert fruges (zelden fert, nooit profert). Opm: Figuurlijk betekent ferre voortbrengen, b.v. urbs praeclaros viros tulit.

De aarde brengt vruchten in overvloed voort Terra fundit fruges

De voortbrengselen van den grond Ea, quae terra gignit / Ea, quae e terra gignuntur

Het plantenrijk Opm. Voor ons "plant" heeft de Latijnse taal geen woord, want herba kan men van bomen niet zeggen, en planta betekent een stek, uitspruitsel. Stirps is het onderste gedeelte van de stain met de wortels Ea, quae a terra stirpibus continentur / Ea, quorum stirpes terra continentur / Arbores stirpesque, hcrbae stirpesque

Aan de voet van de berg Sub radicibus montis, in infimo monte, sub monte

Over de Alpen, de Pyreneeen, de Apennijnen trekken Superare Alpes, Pyrenaeum, Apenninum (beide altijd in sing.)

Door zeer hooge bergen van alle kanten ingesloten zijn Altissimis montibus undique contineri

Men heeft een uitzicht op iets (b.v. op de zee) Prospectus est ad aliquid

Een zacht oplopende heuvel Collis leniter ab infimo acclivis (tgst. leniter a summo declivis)

3. WATER. RIVIER. ZEE

A

De oppervlakte van het water Summa aqua

Water uit de rivier afleiden Aquam ex flumine derivare

Water door de tuin leiden Aquam ducere per hortum

De akkers besproeien Agros irrigare

Stromend water Aqua viva, profluens (tgst. stagnum)

Altijd stromend water Aqua jugis, perennis

Een koud, een warm bad nemen Frigidā, calidā lavari

Arm aan water Aquae, aquarum inops

Op de golven drijven Fluctuare of fluctuari

Door de golven geslingerd worden Fluctibus iactari

Een stroom door stortregens gezwollen Flumen imbribus auctum

De rivier treedt buiten de oevers Flumen extra ripas diffluit / Flumen super ripas effunditur

De rivier overstroomt de velden Flumen agros inundat

Overstroming Eluvio

Stroomafwaarts Flumine secundo

Stroomopwaarts Flumine adverso

De Rijn ontspringt in de Alpen Rhenus oritur of profluit ex Alpibus

B

Boven het water uitsteken Ex aqua exstare

Het water komt tot aan de hals Aqua est collo tenus

Het water reikt tot aan de borst, tot boven de borst Aqua pectus aequat, superat

Uit het water opduiken (Se) ex aqua emergere. Opm. Ook figuurlijk, b.v. (se) emersere e malis zich ontworstelen aan het ongeluk, het te boven komen

Een waterleiding (als werk) Aquae ductus

De leiding van het water (als handeling) Aquae ductio

Waterbuis, goot Canalis

Door de golven verslonden worden Fluctibus (undis) obrui, submergi. Opm. Ook figuurlijk, b.v. aere alieno obrǔtum esse, diep in schulden steken, nomen alicuius obruere (perpetua oblivione) iemands naam in vergetelheid brengen.

Door de kolken verzwolgen worden Gurgitibus hauriri

De rivier stroomt snel Flumen citatum fertur

Een rivier doorwaden Flumen vado transire

Eb en vloed Accessus et recessus aestuum

De eb Decessus aestus

De afwisseling van eb en vloed Aestus maritimi mutuo accedentes et recedentes

De vloed begint Aestus ex alto se incitat

Bij het begin der eb, bij afgaand tij Aestu minuente

Het stormt op zee Mare ventorum vi agitatur et turbatur

De Middellandsche zee Mare medium of internum. Opm. De Romeinen zelf noemen haar mare nostrum. Mare Oceanus is de Atlantische Oceaan, mare Superum de Adriatische zee, mare Inferum de Toscaanse zee

4. VUUR

A

Vuur aanmaken, ontsteken Ignem facere, accendere

Het vuur aan de huizen leggen Ignem tectis inferre, subicere

Vuur vatten Ignem concipere, comprehendere

Het vuur aanblazen Ignem excitare

Het vuur onderhouden Ignem alere

Gebouwen in brand steken Accenclere, incendere aedificia

Een stad in brand steken Inflammare urbem

In brand geraken Flammis corripi

In brand staan Incendio flagrare, of alleen conflagrare, ardere

In de as gelegd worden Incendio deleri, absūmi

De vuurdood ondergaan Igni cremari, necari

Brand roepen Ignem conclamare.

5. LUCHT. HEMEL. KLIMAAT. HEMELLICHAMEN

B

De dampkring Aër terrae circumiectus of circumfusus / Aër qui est terrae proximus

Naar de hemel opzien, de ogen ten hemel verheffen Suspicere (in) caelum / Oculos tollere, attollere ad caelum. Opm: Suspicere ook figuurlijk (gelijk het tegenovergestelde despicere) hoogachten, b.v. viros, honores

Onder de blote hemel Sub divo

Hemel en aarde bewegen Omnes terras, omnia maria movere

De horizon Orbis finiens

Klimaat Caelum of natura caeli

Gezond klimaat Caelum salūbre, salūbritas caeli (tgst. grave, gravitas)

Gematigd klimaat Caeli temperatio / Aër calore et frigore temperatus

Een ruw klimaat Caeli asperitas

Afwisselend klimaat Caeli varietas

1. Hemellichamen. 2. Hemelverschijnselen Caelestia

De zon gaat op, gaat onder Sol oritur, occidit

Zonsopgang, zonsondergang Ortus, occasus solis

De zon (de maan) verduistert Sol (luna) deficit, obscuratur

De zonsverduistering Solis defectio

De maan wast, neemt af Luna crescit, decrescit

De regelmatige bewegingen der sterren Motus stellarum constantes et rǎti.

De baan aan den hemel afleggen Cursum conficere in caelo

De sterrenhemel Caelum astris distinctum et ornatum

Een nacht door sterren verlicht Nox sideribus illustris

De planeten Stellac errantes, vagae

De vaste sterren. Stellae inerrantes / Sidera certis locis infixa

De melkweg Orbis lacteus

De dierenriem Orbis signifer

De pool Vertex caeli, axis caeli

De aardgordel Orbis, pars (terrae)

De gematigde luchtstreek Orbis medius

6. LUCHT- EN NATUURVERSCHIJNSELEN

A

De wind gaat liggen Ventus cadit, cessat

Gunstige wind, tegenwind hebben Ventis secundis, adversis uti

Er verheft zich een storm Tempestas cooritur

De regen houdt aan Imber tenet

De zon steekt Sol ardet, urit (niet pungit!)

Door de hitte der zon verschroeid, geblakerd worden Ardore solis torreri

Zulk ecn strenge koude viel in, dat... Tanta vis frigoris insecuta est, ut...

Van koude verstijven Frigore (gelu) rigere, torpere

Van koude vergaan, bevriezen Frigore confici

Hitte en koude kunnen verdragen Aestus et frigoris patientem esse

De hemel dreunt van de donderslagen Caelum tonitru contremit

De bliksem is ingeslagen Fulmen locum tetigit

Door de bliksem getroffen De (e) caelo tactus / E caelo of fulmine ictus

De uitbarsting van de Etna Eruptiones ignium Aetnaeorum

De Vesuvius spuwt vuur Vesuvius evǒmit (sterker eructat) ignes

B

De echo Vocis imago, ook alleen imago. (imago ook figuurlijk, b.v. gloria virtuti resonat tamquam imago de roem is als de echo der deugd)

De rotsen weerkaatsen de stem, geven een echo Sava voci respondent of resǒnant

De wind neemt af Ventus remittit (tgst. increbrescit)

De wind draait naar het zuidwesten Ventus se vertit in Africum

Een plotselinge stortregen Imbres repente effusi

Goed weer krijgen, treffen Tempestatem idoneam, bonam nancisci

De hitte neemt af Calor se frangit (tgst. increscit)

Een onweder met hevig gekraak van den donder Tempestas cum magno fragore (caeli) tonitribusque

De bliksems flikkeren Fulmina micant (Fulmen ook overdrachtelijk, b.v. fulmen (onweerstaanbare kracht) verborum, fulmina eloquentiae, fulmina fortunae (de slagen van den tegenspoed))

II. Ruimte en tijd

I. WINDSTREKEN. LIGGING.

A

De stad ligt aan zee Oppidum mari adiǎcet

Het landgoed, het buiten ligt aan den weg Villa tangit viam

De stad ligt op een heuvel Oppidum colli impositum est

De stad ligt aan den voet van den berg Oppidum monti subiectum est

Het voorgebergte steekt in zee vooruit Promunturium in mare procurrit

Het schiereiland springt vooruit in zee Paeninsula in mare excurrit, procurrit

B

De ligging eener plaats Situs loci

De natuurlijke ligging eener plaats Natura loci

De gunstige ligging eener plaats Opportunitas loci

Een gunstige ligging hebben, gunstig gelegen zijn Opportuno loco situm of positum esse

De ligging der stad is zeer fraai Urbs situ ad aspectum praeclara est

Ten oosten (of naar het oosten), ten westen, ten zuiden, ten noorden liggen Spectare in (vergere ad) orientem (solem), occidentem (solem), ad meridiem, in septentriones (Daarentegen het oosten en het westen als land orientis, occidentis (solis) terrae, partes, regiones, gentes. De bijvoeg. naamw. orientalis en occidentalis behooren tot het latere Latijn en moeten derhalve vermeden worden. Het Noorden als land is terrae septentrionibus subiectae, het Zuiden, terra australis)

Noordwestelijk liggen. Spectare inter occasum solis et septentriones

Oostelijk, westelijk Duitschland Germania qua of Germaniae ea pars quae ad orientem, occidentem vergit of in (ad) – spectat

In het noorden ligt een heuvel Est a septentrionibus collis

2. GRENS. GEBIED. VERWIJDERING.

A

De grenzen (van het rijk) uitbreiden, het rijk vergrooten Fines (imperii) propagare, extendere, (longius) proferre

Het gebied ruimen (Ex) finibus excedere

In het land of in het gebied der Sequaners In Sequanis

Naar het land der Sequaners optrekken In Sequanos proficisci

Ver van de stad verwijderd zijn Longe, procul abesse ab urbe

Niet ver verwijderd zijn Prope (propius, proxime) abesse

Even ver, op gelijken afstand verwijderd zijn Paribus intervallis distare

De weg is even lang Tantundem viae est

Uit de verte E longinquo

Ver verwijderde plaatsen Loca longinqua

De verst afgelegene landen, het einde der wereld Ultimae terrae / Extremae terrae partes

B

Aan een land grenzen Tangere, attingere terram / Finitimum esse terrae (Daarentegen vicinum belendend, aangrenzend (van huis en erf))

Aan een land palen Continentem esse terrae of cum terra

Gallië heeft de Rhône tot grens Gallia Rhodano continetur (zie noot V 4)

De Rhône is de grensscheiding tusschen het land der Sequaners en dat der Helvetiërs Rhodanus Sequanos ab Helvetiis dividit

Zich noordwaarts uitstrekken Porrigi ad septentriones

Het gebied van dit volk strekt zich uit tot aan den Rijn Haec gens pertinet usque ad Rhenum

Zich in de breedte, in de lengte uitstrekken In latitudinem, in longitudinem patere

Zich ver uitstrekken Late patere (ook overdr.)

Het rijk strekt zich uit tot aan het einde der wereld Imperium orbis terrarum terminis definitur

Op een afstand van duizend passen A mille passibus

Op grooten afstand Longo spatio, intervallo interiecto

3. WEG. REIS.

A

Een weg bestraten, plaveien Viam sternere (silice, saxo)

Een bestrate weg Via strata (niet strata alleen!)

Zich met het zwaard een weg banen Ferro viam facere (per confertos hostes)

Den weg versperren Viam intercludere / Iter obstruere

De weg leidt of loopt ergens heen Via fert, ducit aliquo

Zich op weg begeven In viam se dare / Viae se committere

Een weg inslaan Viam ingredi, inire (ook overdr.)

Recht naar iemand toe komen Rectā (viā) ad aliquem venire

Van den rechten weg afwijken De via declinare, deflectere (ook overdr.)

Voor iemand uit den weg gaan (De via) decedere alicui

Langs den Appischen weg vertrekken Appia via proficisci

Aan een dwalende den weg wijzen Erranti viam monstrare

Den weg voortzetten, vervolgen Viam persequi (ook overdr.)

Een langen weg afleggen Longam viam conficere

1. Een reis doen. 2. een weg banen Iter facere

Te zamen een reis doen, reizen Una iter facere

Een reis beginnen, aanvaarden Iter ingredi (pedibus, equo, terra)

Den tocht ergens heen richten, den weg ergens heen nemen Iter aliquo dirigere / Tendere aliquo

Een zeer langen weg afleggen Longum itineris spatium emetiri

Op reis, onderweg In itinere (Maar ex itinere = de reis tot iets afbrekend of ook onmiddellijk na de reis. Dus in itinere cum aliquo conftigere = al voortreizende strijden, ex itinere = de reis staken om te strijden, van de reis komend strijden)

Een reis te land, te voet Iter terrestre, pedestre

Reizen dag en nacht voortgezet Itinera diuma nocturnaque

Een dagreis Iter unius diei of alleen diei

Een lastige, belemmerde weg Iter impeditum

De afgelegenste en verst verwij derde landen doorkruisen Disiunctissimas, ultimas terras peragrare (niet permigrare!)

De reis of het verblijf in het buitenland, in den vreemde Peregrinatio

Op reis in het buitenland zijn, in den vreemde vertoeven Peregrinari, peregre esse

Een reis naar het buitenland doen Peregre proficisci

Op het land leven Ruri vivere, rusticari

Het landleven (van den landbouwer) Vita rustica

Het leven op het land (als een kortstondig verblijf of uitstap) Rusticatio, vita rusticana

B

Een begane weg Via trita (Tritus wordt ook figuurlijk gebruikt, b.v. proverbium (sermone) tritum, een spreekwoord, dat dikwijls gebruikt wordt, vocabulum Latino sermone non tritum, een in het Latijn ongebruikelijk woord)

Een weg maken, aanleggen Viam munire (Ook figuurlijk, b.v. viam ad honores alicui munire, iemand een weg tot eerambten banen)

Een weg banen Viam patefacere, aperire

De zwerftochten van Ulysses Errores Ulixis

Van de reis terugkeeren Ex itinere redire (Niet reverti, dat omkeeren beteekent, wanneer men zijn plan, om langer op eene plaats te blijven of de reis voort te zetten, heeft laten varen. Revenire wordt door Cicero enkel met domum verbonden)

Vermoeid van den tocht, de reis Fessus de via

Hercules op den driesprong, op den tweesprong, op den kruisweg Hercules in trivio, in bivio, in compitis

Iemand bij zijn vertrek uitgeleide doen Aliquem proficiscentem prosequi

Iemand eene gelukkige reis toewenschen, goede reis wenschen Aliquem proficiscentem votis ominibusque prosequi

Een uitstapje doen naar het land, naar buiten Rus excurrere

4. GAAN. KOMEN.

A

Te voet gaan Pedibus ire

Eene stad binnentreden, binnengaan Ingredi, intrare urbem, introire in urbem

Te Rome aankomen Romam venire, pervenire

De aankomst te Rome, in de stad Adventus Romam, in urbem

Op ééne plaats samenkomen, samenstroomen In unum locum convenire, confluere

Te Rome samenstroomen Romam concurrere

Iemand te gemoet gaan Obviam ire alicui

Iemand te gemoet komen (opzettelijk) Obviam venire alicui

Iemand tegenkomen (toevallig) Obvium of obviam esse, obviam fieri

B

Zich van eene plaats verwijderen, eene plaats verlaten Discedere a, de, ex loco aliquo / Egredi loco; excedere ex loco (Relinquere (b.v. domum) beteekent: van het bezit of genot eener plaats voor goed afzien)

Voor altijd eene plaats verlaten Decedere loco, de, ex loco (Vandaar is decedere (ex en de) provincia de gewone uitdrukking, wanneer een stadhouder na volbrachten diensttijd zijne waardigheid neerlegt en de provincie verlaat; en figuurlijk decedere (de) vita of enkel decedere, uit het leven scheiden)

(Door) de poort in-, uitgaan Portā ingredi, exire

Buiten de poort gaan Extra portam egredi

Bij iemand in- en uitgaan Commeare ad aliquem

Iemand aantreffen, bij toeval ontmoeten Incidere in aliquem

Iemand geheel toevallig, onverwachts aantreffen Offendere, nancisci aliquem

5. RIJDEN.

A

In een wagen rijden Curru vehi

Te paard rijden Equo vehi

Te paard zitten In equo sedere; equo insidēre

Het paard de sporen geven Calcaria subdere equo / Calcaribus equum concitare

Het paard aanzetten, om op den vijand los te gaan, op hem aanrennen Equum in aliquem concitare

Den teugel aanhalen Habenas adducere

Den teugel vieren Habenas permittere

Het paard mennen Moderari equum

B

Een paard zadelen Sternere equum

Te paard stijgen Conscendere equum / Ascendere in equum

Van het paard afstijgen Descendere ex equo

Vast in den zadel zitten (In) equo haerere

Spoorslags Equo citato of admisso

Met gevierden teugel Freno remisso; effusis habenis

Het paard den teugel vieren, loslaten Admittere, permittere equum / Frenos dare equo (1) Figuurlijk zegt men calcaria, frenos alicui adhibere)

Het paard krachtig aanzetten Agitare equum

De paarden worden schichtig,schuw Equi consternantur

6. SCHREDE. VOETSTAP. RICHTING.

A

Een stap, eene schrede doen Gradum facere

Zich niet van zijne plaats bewegen Loco of vestigio se non movere

Rechtuit Recta (regione, via); in directum

Schuins of in schuinsche richting In obliquum

In tegenovergestelde richting In contrarium; in contrarias partes

Dwars In transversum, e transverso

Naar alle kanten heen Quoquo versus; in omnes partes

Zij gaan in verschillende richtingen heen, uit elkander In diversas partes of alleen diversi abeunt, discedunt

Hierheen en daarheen Huc (et) illuc

Heen en weer, over en weer Ultro citroque

Wijd en zijd, naar alle kanten (zich verbreiden) Longe lateque, passim (b.v. fluere)

B

Den pas verdubbelen, zijne schreden verhaasten Gradum addere (sc, gradui)

Met vasten tred voortschrijden Certo gradu incedere

Op de teenen Suspenso gradu

Stap voor stap terugwijken Gradum sensim referre

Iemands schreden volgen, in iemands voetstappen treden Vestigia alicuius sequi, persequi / Vestigiis aliquem sequi, persequi / Vestigiis alicuius insistere, ingredi (ook overdr.) (Vestigiis alicuius insistere beteekent ook, iemand op den voet volgen = subsequi)

Dwars van een berg afloopen Obliquo monte decurrere

7. BEWEGING IN HET ALGEMEEN.

A

Zich naar eene plaats begeven Se conferre in aliquem locum / Petere locum

Waar gaat gij heen? Quo tendis?

Op den grond nedervallen Humi procumbere

Iemand ter aarde werpen Humi prosternere aliquem

Op den grond vallen In terram cadere, decidere

De stad naderen Appropinquare urbi, zelden ad urbem

Dichter bij de stad komen Propius accedere ad urbem of urbem

Verder voortgaan, voortrukken Longius progredi, procedere

In de richting van Rome optrekken Romam versus proficisci

Iemand inhalen Consequi, assequi aliquem

Iemand voorbijloopen, voorbijijlen Praecurrere aliquem (celeritate) / Post se relinquere aliquem

B

Hoog, in de hoogte, in de lucht vliegen Sublime (niet in sublime of sublimiter!) ferri

Voorover in de diepte storten Praecipitem ire; in praeceps deferri

In de diepte vallen In profundum deici

Zich van den muur afwerpen, neerstorten Se deicere de muro

Iemand van de Tarpejische rots afwerpen Deicere aliquem de saxo Tarpeio

De Nijl stort zich van zeer hooge bergen af Nilus praecipitat ex altissimis montibus

(Praecipitare is zoowel transitivum: aliquen praecipitare, iemand naar beneden werpen, als intransitivum; ruere (behalve bij dichters) altijd intransitivum.)

IJlings uit het huis loopen Se proripere ex domo

In den grond zinken, verzinken In terram demergi.

Tot vóór Rome rukken, tegen Rome optrekken Ad Romam proficisci.

Hij breekt in aller ijl, ten spoedigste op Properat, maturat proficisci.

De menigte dringt zich om iemand heen Multitudo circumfunditur alicui

Het verspreidt zich over het geheele lichaam Per totum corpus diffunditur

8. TIJD IN HET ALGEMEEN

A. De tijd gaat voorbij, verstrijkt Tempus praeterit, transit.

Tijd tot iets hebben Tempus habere alicui rei

Mij ontbreekt de tijd om iets te doen Tempus mihi deest ad aliquid faciendum

Den tijd MET iets doorbrengen. Tempus consumere IN aliqua re

Den tijd met iets verslijten, verkwisten, verspillen Tempus terere, conterere (in) aliqua re

Tijd aan iets besteden Tempus conferre ad aliquid

'Tijd aan iets wijden Tempus tribuere alicui rei

Geen tijd verzuimen, verliezen Tempus non amittere, perdere

Den tijd rekken Tempus ducere

Iets tot een anderen tijd, tot later verschuiven Aliquid in aliud tempus, in posterum differre

Tijd vragen, geven, nemen, om zich te bedenken Tempus (spatium) deliberaudi of ad deliberandum postulare, dare, sibi sumere.

Iemand een paar dagen geven, om zich te bedenken Paucorum dierum spatium ad deliberandum dare

De tijd brengt het zoo mede Tempus (ita) fert

De tegenwoordige, onze tijd Haec tempora, nostra haec aetas, nostra memoria

In den tegenwoordigen tijd, in onzen tijd, in onze dagen His temporibus, nostra (hac) aetate, nostra memoria, his (niet nostris!) diebus

Onze tijd heeft veel overwinningen beleefd Nostra aetas multas victorias vidit

Ten tijde onzer vaderen Memoriā patrum nostrorum

Ten tijde van Pericles Temporibus (aetate) Periclis

In den ouden tijd Antiquis temporibus

Tijdens de republiek Libera re publica

De tijd der keizers Tempora Caesariana

De middeleeuwen Media, quae vocatur, aetas

Pericles, de beroemdste man vanzijn tijd Pericles summus vir illius aetatis / Pericles, quo nemo tum fuit clarior / Pericles, vir omnium, qui tum fuerunt, clarissimus

In den loop des tijds, mettertijd Tempore progrediente

Na een tamelijk lange tusschenruimte Satis longo intervallo

Na eenigen tijd Spatio temporis intermisso

Voor het oogenblik In praesentia, in praesens (tempus)

Voor het vervolg, voor de toekomst In posterum, in futurum

Voor altijd, voor eeuwig In perpetuum

Meer dan eens, herhaalde malen, herhaaldelijk Semel atque iterum; iterum ac saepius; identidem; (niet iterum atque iterum!)

De toekomst voorzien, vooruitzien Futura PROvidere (niet praevidere!)

De toekomst (ver) vooruitzien Futura of casus futuros (multo ante) prospicere

Niet aan de toekomst denken, zich niet over de toekomst bekreunen Futura non cogitare, curare

B. Geen tijd nutteloos voorbij laten gaan, zondei uitstel. Nullum tempus intermittere, quin (ook ab opere of ad opus)

Niets duurt mij zoo lang, als de tijd, die er verstrijkt voordat... Nihil mihi longius est of videtur

quam dum of quam ut...

Niets valt mij zoo lang, is zoo vervelend, als te... Nihil mihi longius est quam (c. infin.)

Zich naar de omstandigheden of den tijd schikken Tempori servire, cedere

(Zoo wordt servire nog bij veel andere woorden gevoegd: b.v. valetudini, pecuniae, rei publicae, gloriae, utilitati servire)

Sedert den tijd dat..., sedert... Ex quo tempore of ex eo, cum

Op hetzelfde oogenblik, dat; juist, toen Eo ipso tempore, cum; tum ipsum, cum

Daar komen soms tijden voor; daar hebben soms omstandigheden plaats, waarin... Incidunt tempora, cum...

't Is hoog tijd, dat... Tempus maximum est, ut...

Een voor zijn tijd geleerd man Vir ut temporibus illis doctus

Bij de eerste gelegenheid de beste Primo quoque tempore

Op dit oogenblik Hoc tempore

In een oogenblik (in den kortsten tijd), in een ommezien Puncto temporis

Op het gewichtig oogenblik Momento temporis

Juist op het beslissend, hachelijk oogenblik. In ipso discrimine (articulo) temporis.

In den drang van het oogenblik Temporis causa

Op den bepaalden tijd aanwezig zijn Ad tempus adesse

(Ad tempus beteekent ook naar de omstandigheden b.v. ad tempus consilium capere, verder voor korten tijd, tijdelijk. Temporarius komt eerst bij latere schrijvers voor)

Voor korten tijd Ad exiguum tempus

De geest des tijds Saeculi consuetudo of ratio atque inclinatio temporis (temporum)

In den tegenwoordigen (bedorven) tijd His moribus

9. JAAR. JAARGETIJDEN

A. Verleden jaar Praeterito anno (niet praeterlapso!)

In het vorige, het afgeloopen jaar Superiore, priore anno

1) In het afgeloopen jaar 2) in het naaste of eerstvolgende jaar Proximo anno

Toekomend jaar Insequenti (e) anno (niet sequente!)

Na verloop van een jaar Anno peracto, circumacto, interiecto, intermisso

(Unus wordt bij annus, mensis, dies, hora, en bij verbum niet uitgedrukt wanneer het den klemtoon mist, of niet als tegenstelling dient)

In den loop van het jaar Anno vertente

In het begin van het jaar Initio anni, ineunte anno

Op het einde van het jaar. Exeunte, extremo anno

Alle jaren, jaar in jaar uit; alle dagen, dag in dag uit Singulis annis, diebus

Alle 4 jaren, om de 4 jaren Quinto quoque anno

Over een jaar, toekomend jaar Ad annum

't Is langer dan 20 jaren geleden Amplius sunt (quam) viginti anni of viginti annis

Ruim 20 jaren Viginti anni et amplius, aut plus

Heden vóór 20 jaren Abhinc (ante) viginti annos of viginti his annis

't Is 5 jaren geleden, dat ik u niet meer gezien heb Quinque anni gunt of sextus annus est, cum te non vidi

Hij is (reeds). vijf jaren afwezend Quinque annos of sextum (iam) annum abest

De viervoudige afwisseling der jaargetijden Commutationes temporum quadripartitae

In den lente-, zomer-, herfst-, wintertijd Verno, aestivo, autumnali, hiberno tempore

In het begin der lente Ineunte, primo vere

De lente nadert Ver appetit

De aangename lente Suavitas verni temporis

In het hartje van den zomer, in den koudsten tijd van den winter Summa aestate, hieme

De winter staat voor de deur, is nabij Hiems subest

Bestand zijn tegen den winter, het in den winter uithouden Hiemem tolerare

De indeeling, de verdeeling van het jaar Anni descriptio

Het schrikkeljaar Annus (mensis, dies) intercalaris

De kalender (tijdwijzer) Fasti

10. DAG.

B. Voor het aanbreken van den dag Ante lucem

Met het aanbreken van den dag Prima luce

Bij klaarlichten dag Luce (luci)

Toen het dag was geworden, toen de dag was aangebroken Ubi illuxit, luxit, diluxit

't Is dag Lucet

In de morgenschemering Diluculo

't Wordt avond Advesperascit

Bij het vallen van den avond Die, caelo vesperascente

't Is reeds klaarlichte dag Multus dies of multa lux est

Tot diep in den nacht Ad multam noctem

Nog in den nacht, bij dag De nocte, de die

Nog diep in den nacht Multa de nocte

Diep in den nacht, in het holle van den nacht Intempesta, concubia nocte

In de stilte van den nacht, des nachts in alle stilte Silentio noctis

De afwisseling van dag en nacht Vicissitudines dierum noctiumque

Dag en nacht Noctes diesque, noctes et dies, et dies et noctes, dies noctesque, diem noctemque

De morgen, de middag, de avond, de nacht Tempus matutinum, meridianum, vespertinum, nocturnum

De morgenUREN Tempora matutina

Van dag tot dag In dies (singulos)

Bij den dag leven, van de hand in den tand leven In diem vivere

Om den anderen dag Alternis diebus

Vier dagen achterelkander, vier achtereenvolgende dagen Quattuor dies continui

Eén of twee dagen Unus et alter dies

Eén, twee en nog meer dagen waren voorbijgegaan Dies unus, alter, plures intercesserant

Den dag uitstellen, verschuiven Diem proferre

Twee dagen te laat Biduo serius

(Wanneer er geen tijdsbepaling bijgevoegd is, beteekent sera te laat, en wordt serius slechts gebruikt, als er quam op volgt)

Een uur te vroeg Horā citius

Daags daarna, den vijfden September Postridie qui fuit dies Non. Sept. (Nonarum Septembrium)

Heden, den vijfden September Hodie qui est dies Non. Sept.

Morgen, den vijfden September Cras qui dies futurus est Non. Sept.

De dag van gisteren, van heden, van morgen Dies hesternus, hodiernus, crastinus

Een dag voor het onderhoud bepalen, vaststellen Diem dicere colloquio

Op den vastgestelden, bepaalden dag Ad diem constitutam

Den dag beleven Diem videre

De TIJD zal de droefheid lenigen Dies dolorem mitigabit

Hoe laat is het? Quota hora est?

't Is drie uren Tertia hora est (volgens onzen tijd 8-9 uur in den morgen)

Op het afgesproken uur Ad horam compositam

III. Het menschelijk lichaam en zijne deelen

A. De ooren sluiten, openen AURES claudere, patefacere (b.v. veritati, assentatoribus)

Iemand gehoor schenken, geven, verleenen (= zijne aandacht schenken) Aures praebere alicui

Iemand ter oore komen. Ad aures alicuius (niet alicui!) pervenire, accidere

De ooren spitsen Aures erigere

Het hoofd ontblooten, den hoed afnemen CAPUT aperire (tgst. operire)

Blootshoofds Capite aperto (tgst. operto)

Met omhuld, gesluierd hoofd Capite obvoluto

Het hoofd laten zinken Caput demittere

Iemand onthoofden Caput praecidere

Iemand den nek breken CERVĪCES (bij Cic. slechts in plur.), frangere alicui

De vijand zit iemand op de hielen Hostis in cervicibus alicuius est

Het haar, den baard laten groeien Promittere CRINEM, barbam

Met vliegende, loshangende haren Passis crinibus

De haren staan omhoog Capilli horrent

Ordelijk, gekamd haar Capilli compti, compositi (tgst. horridi)

Het voorhoofd fronsen, ontfronsen FRONTEM contrahere, explicare

Zich voor het hoofd slaan Frontem ferire, percutere

Het staat op het voorhoofd te lezen In fronte alicuius inscriptum est

Van iemands zijde niet wijken Ab alicuius LATERE non discedere

Tot de naaste omgeving des konings behooren A latere regis esse

Iemand de hand geven of reiken MANUM (dextram) alicui porrigere

De hand om iets niet willen verroeren Manum non vertere alicuius rei causa

(Zoo zegt men ook ne digitum quidem porrigere alicuius rei causa, geen vinger om iets verroeren)

De handen aan iemand slaan (om hem geweld aan te doen) Manus inicere, inferre, afferre alicui

De handen ineenslaan (van verbazing) Manus tollere

Zich overwonnen verklaren, zich overgeven Manus dare

Iemand bij de hand leiden Manu ducere aliquem

Iets in de hand houden Manu of in manu tenere aliquid

Iets in de handen hebben / Iets in handen hebben (b.v. de overwinning) / Iets onder handen hebben (een werk) In manibus habere aliquid

Iemand op de handen dragen (= beminnen) In manibus habere aliquem

Iemand iets uit de handen wringen Ex of de manibus alicui of alicuius extorquere aliquid

In iemands handen (macht) geraken In alicuius manus venire, pervenire

Onverwachts in iemands handen vallen In alicuius manus incidere

Iets in de hand nemen In manus(m) sumere aliquid

Uit de handen glijden, aan iemands handen ontkomen E (de) manbus elābi, effugere

Zijne handen in den schoot leggen Compressis manibus sedere (spreekw)

Iets met hand en tand vasthouden MORDICUS tenere aliquid

Zijne blikken op iemand werpen OCULOS conicere in aliquem

Zijne oogen naar alle kanten wenden of laten rondgaan Oculos circumferre

Zijne blikken op den grond vestigen Oculos figere in terram en in terra

De blikken van iets afwenden Oculos deicere, removere ab aliqua re

Iemand de oogen toedrukken Oculos operire (morienti)

(Daarentegen figuurlijk: een oog toedoen, door de vingers zien, conivere in aliqua re)

Het gezicht verliezen, blind worden Oculos, lumina amittere

Iemand van het gezicht berooven Oculis privare aliquem / Luminibus orbare aliquem

Blind, zijn Oculis captum esse

(Daarentegen figuurlijk: verblind zijn door hartstocht, dwaasheid, caecatus, occaecatus cupiditate, stultitia)

Er zweeft mij iets voor oogen Ante oculos aliquid versatur

Iets met de oogen van den geest zien Oculis mentis videre aliquid

Iemand als zijn oogappel beminnen In oculis aliquem ferre / Aliquis est mihi in oculis

Uit de oogen gaan van iemand Abire ex oculis, e conspectu alicuius

Voor iemand verschijnen, onder de oogen komen Venire in conspectum alicuius

Zich laten zien, zich vertoonen Se in conspectum dare alicui

Iemands blik vermijden, iemands oogen ontwijken of vluchten Fngere alicuius conspectum, aspectum

Voor aller oogen In conspectu omnium of omnibus inspectantibus

Alles met één oogopslag zien, met één blik overzien. Omnia uno aspectu, conspectu intueri

Verdwenen zijn Non apparere

Met voeten treden PEDIBUS obterere, conculcare

Voor iemand te voet vallen Ad pedes alicuius accidere

Zich voor iemands voeten nederwerpen Ad pedes alicuius se proicere, se abicere, procumbere, se prosternere

Voor iemands voeten liggen, voor hem op de knieën liggen Ad pedes alicuius iacēre, stratum esse (stratum iacēre)

Niet zien wat voor de voeten of voor de oogen ligt Quod ante pedes est / positum est, non videre

Druipen van bloed, van bloed stroomen SANGUINE manare, redundare

Het gelaat niet vertrekken VULTUM non mutare

B. Over geheel het lichaam beven Omnibus ARTUBUS contremiscere

Iemand aan de ooren malen, baloorig maken, lastig vallen AURES alicuius obtundere / obtundere (aliquem)

Iemand iets in het oor fluisteren In aurem alicui dicere (insusurrare) aliquid

Die taal vindt gemakkelijk ingang Oratio in aures influit

Een fijn, geoefend oor Aures elegantes, terĕtes, tritae

Hooren en zien vergaat mij Neque auribus neque oculis satis consto

Zijn hoofd tegen den muur stooten CAPUT parieti impingere (Caput wordt bovendien nog figuurlijk in verschillende beteekenissen gebruikt: capita coniurationis, de hoofden der samenzwering; caput Graeciae, de hoofdstad van Griekenland; caput fluminis, de uitmonding; caput cenae, het hoofdgerecht; capita legis, de hoofdafdeelingen (kapittels) der wet; id quod caput est, wat de hoofdzaak is; de capite deducere van het kapitaal of van de hoofdsom aftrekken; capitis periculum, levensgevaar, capitis deminutio (maxima, media, minima) verlies of gedeeltelijk verlies van burgerrechten. Dikwijls vindt men caput in verbinding met fons = bron, oorsprong, b.v. fons miseriarum et caput. Caput liberum, noxium beteekent: een vrij, een strafbaar man of persoon.)

Het zwaard hangt hem boven het hoofd Gladius CERVICIBUS impendet

(Impendēre in den eigenlijken zin cum Dativo, in de fig. beteekenis van dreigend boven het hoofd hangen, zoowel cum Dat. als in aliquem.)

Iets met de vingertoppen aanraken Extremis DIGITIS aliquid attingere

Iets van hand tot hand, van de eene hand in de andere laten gaan De MANU in manum of per manus tradere aliquid

Iemand op de armen dragen. 2) In manibus aliquem gestare

(Zoo zegt men ook liberos de parentum complexu avellere, kinderen uit de armen (niet brachium) der ouders rukken; in alicuius complexu (manibus) mori; in iemands armen sterven; libentissimo animo recipere aliquem, iemand met open armen ontvangen.

Iemand op de armen wegdragen Inter manus auferre aliquem

Naar alle kanten een scherpen blik werpen In omnes partes aciem (OCULORUM) intendere

Aller oogen op zich trekken Omnium oculos (et ora) ad se convertere

De algemeene aandacht trekken Omnium animos of meutes in se convertere

De blikken door iets op zich trekken, door iets de aandacht wekken Conspici, conspicuum esse aliqua re

De oogen op iets richten Oculos (aures, animum) advertere ad aliquid

(Maar animum advertere aliquid = animadvertere aliquid, iets bemerken, gewaarworden, en animadvertere in aliquem, berispen, bestraffen)

De oogen zijn onophoudelijk op iemand gevestigd Oculi in vultu alicuius habitant

Zijne oogen aan iets weiden, zich in het beschouwen eener zaak verlustigen Oculos pascere aliqua re (ook alleen pasci aliqua re)

Iemands oogen verblinden Oculorum aciem alicui praestringere (ook alleen praestringere)

Zich iets levendig voor oogen (voor den geest) stellen Oculis, ante oculos (animo) proponere aliquid

(Ook alleen sibi proponere aliquid, hetgeen beteekent: 1. zich in den geest iets voorstellen, 2. zich iets voornemen, zich iets als doel voorstellen, zich ten taak stellen, b.v. propositum est mihi, magna sibi proponere)

Stelt u de daden voor oogen Ante oculos vestros (niet vobis!) res gestas proponite

Iets duidelijk zien Cernere et videre aliquid

Geen aandoening op het gelaat doen blijken, een kalm gelaat toonen Vultum fingere

Een veinzend, huichelend gelaat Vultus ficti simulatique

Het gelaat ernstig plooien, een ernstige houding aannemen Vultum componere ad severitatem

IV. Het menschelijk leven

I. ZINNEN. ZINNELIJKE WAARNEMINGEN. KRACHTEN

A. Gezonde, gave zinnen Sensus sani, integri, incorrupti

Met zinnen, zintuigen begaafd zijn Sensibus praeditum esse

Niet kunnen hooren, van het gehoor beroofd zijn Sensu audiendi carere

Hetgeen door de zinnen kan waargenomen worden Res quae sensibus percipiuntur

Onder het bereik der zinnelijke waarneming, onder de zinnen vallen Sub sensum of sub oculos, sub aspectum cadere / Sensibus of sub sensus subiectum esse

Al het zichtbare, alles wat wij kunnen zien of waarnemen Res sensibus of oculis subiectae / Res quas oculis cernimus / Res externae

Indruk op de zinnen maken Sensus movere (sterker pellere)

Iets maakt een aangenamen indruk op de zinnen Aliquid sensus suaviter afficit / Aliquid sensus iucunditate perfundit

Lichaamskrachten Vires corporis of alleen vires

Krachten winnen, in krachten toenemen Vires colligere

Zijne kracht (krachten) verliezen Vires aliquem deficiunt

Zoolang het de krachten gedoogen Dum vires suppetunt

Sterk zijn, groote kracht bezitten Bonis esse viribus

B. Door uitwendige kracht (stoot, indruk) bewogen worden Pulsu externo, adventicio agitari

Zich van zinnelijke indrukken vrijmaken, den geest daarvan aftrekken Sevocare mentem a sensibus

Iets strijdt met mijn gevoel Aliquid a sensibus meis abhorret

Zooveel in mijn vermogen is, naar krachten, overeenkomstig mijne kracht Pro viribus of pro mea parte. Pro virili parte

(De twee eerste uitdrukkingen hebben een beperkenden zin: b.v. pro mea parte eum defendi = ik heb hem zoo goed ik kon verdedigd (maar mijne krachten waren gering). Pro virili parte daarentegen drukt mannelijke kracht en zelfvertrouwen uit, b.v. pro virili parte eum defendi = ik heb hem verdedigd met al de kracht, waarover ik beschik (en die kracht is niet gering))

2. GEBOORTE. LEVEN

A. Van een vader, van eene moeder geboren Patre, (e) matre natus

Het mannelijke, vrouwelijke geslacht Sexus (niet genus!) virilis, muliĕbris

Iemand als zijn eigen kind beschouwen, behandelen Aliquem in liberorum loco habere

Wat zijt gij voor landsman? Cuias es?

Van geboorte een Bataaf Natione, genere Batāvus

De vaderstad, geboortestad Urbs patria of alleen patria

Ademhalen Animam; spiritum ducere

Een (gelukkig, ongelukkig) leven leiden Vitam (beatam, miseram) degere

Zoolang ik leef Dum vita suppetit; dum (quoad) vivo

De rest van het leven Quod reliquum est vitae

B. Het levenslicht aanschouwen In lucem edi

Degenen, aan wie wij het leven verschuldigd zijn, te danken hebben Ii, propter quos hanc lucem aspeximus

Cato van Utica stamde af, was een afstammeling van Cato, den Censor Cato Uticensis ortus erat a Catone Censorio

Den oorsprong aan iemand ontleenen, van (uit) iemand afstammen Originem ab aliquo trahere, ducere

Te Rome geboren, uit (niet van !) Rome geboortig Romae natus, a Roma oriundus

Uit Duitschland geboortig Ortus a Germanis of oriundus ex Germanis

Lucht inademen Aëra spiritu ducere

Den adem inhouden Animam continere

Zich buiten adem loopen Cursu exanimari

Iemand verstikken Spiritum intercludere alicui

In leven zijn In vita esse

Het leven genieten, zich daarin, verheugen Vita of hac luce frui (niet gaudere!)

Zijn leven (met eere, op het land, in de wetenschap) doorbrengen Vitam, aetatem (omnem aetatem, omne aetatis tempus, honeste, ruri, in litteris) agere, degere traducere

Als ik dan nog leef Si vita mihi suppeditat / Si vita suppetit

(Suppeditare beteekent 1) trans. toereikend, voldoende verschaffen; 2) intrans. toereikend of genoegzaam voorhanden zijn = suppetere)

Den levensloop voleinden Vitae cursum of curriculum conficere

(Vitae (vivendi) cursus of curriculum wijst op de lengte en den duur van den levensloop. De levensloop = levensbeschrijving is niet curriculum vitae, maar alleen vita, vitae descriptio)

Homerus leefde veel jaren voor de stichting van Rome Homerus fuit multis annis ante Romam conditam

(Wanneer men den tijd aangeeft, wannéér iemand leefde, gebruikt men esse, niet vivere. Vivere is: bij leven zijn of een leven leiden, b.v. laute, in otio)

3. OUDERDOM

(De tijdperken van het leven zijn: infans, puer, adulescens, iuvenis, senior, senex, grandis natu)

A. Op dien leeftijd, van dien ouderdom zijn Ea aetate, id aetatis esse

Van de jeugd af, van zijne jeugdige jaren af A puero(is), a parvo(is), a parvulo(is)

Van kindsbeen af, van jongs af A teneris unguiculis (ἐξ ἁπαλῶν ὀνύχων)

De kinderschoenen uittrekken, op houden kind te zijn Ex pueris excedere

Bejaard Grandis natu

De krachten vervallen Vires consenescunt

Door ouderdom uitgeput, onder den last der jaren gebogen zijn Senectute, senio confectum esse

Een zeer hoogen ouderdom bereiken Ad summam senectutem pernire

De laatste levensdagen. Extrema aetas / Extremum tempus aetatis

De avond des levens Vita occidens

Van gelijke jaren, even oud zijn Aequalem esse alicuius

De oudste (van twee) Maior (natu)

Ouder zijn dan iemand. Aetate alicui antecedere

Hoe oud zijt gij? Quot annos natus es? / Qua aetate es?

Ik ben dertien jaren oud Tredecim annos natus sum

Ik ben in mijn dertiende jaar Tertium decimum annum ago

Een knaap van 10 jaar Puer decem annorum

Het tiende jaar intreden Decimum aetatis annum ingredi

Tien jaar oud geworden zijn Decem annos vixisse

Over de 10 jaar of ruim 10 jaar oud zijn Decimum annum excessisse, egressum esse

Nog geen (over de) 20 jaar oud zijn Minorem (maiorem) esse viginti annis

Ik was destijds 10 jaren oud Tum habebam decem annos

Eene geringe vermeerdering der jaren, weinige jaren levens meer Accessio paucorum annorum

De nakomelingen Posteri

B. Van de jongelingsjaren af, van de intrede in het openbare leven Ab ineunte (prima) aetate

De bloei der jeugd Flos aetatis

In den bloei des levens, der jaren zijn Aetate florere, vigere / Integra aetate esse

De hartstochten der jeugd zijn bekoeld, tot bedaren gekomen Adulescentiae cupiditates deferbuerunt

Bij het wassen of toenemen der jaren Aetate progrediente

Met den verzwarenden last der jaren, met den last der klimmende jaren Aetate ingravescente

Mannelijke leeftijd Aetas constans, media, firmata, corroborata (niet virilis!)

Man geworden Grandior factus / Corroborata, firmata aetate

Zijn eigen meester (zelfstandig, onafhankelijk) geworden zijn Sui iuris factum esse

Op vergevorderden leeftijd zijn Aetate provectum esse (niet aetate provecta!)

Hooger bejaard Longius aetate provectum esse (niet aetate provectiore!)

Lijden aan de kwalen van den ouden dag, afgeleefd zijn Aetate affecta esse

In hoogen ouderdom, oud van dagen sterven Exacta aetate mori

Ongemerkt bekruipt ons de ouderdom Senectus nobis obrēpit

In den volsten zin jeugdig, grijsaard Admodum adulescens, senex

Het honderdste jaar bereiken, volle honderd jaren oud worden Centum annos complere / Vitam ad annum centesimum perducere

Reeds het derde geslacht zien, den derden menschenleeftijd beleven Tertiam iam aetatem videre

Het valt in den tijd van iemand; het valt in het jaar.... In aetatum alicuius, in annum incidit

Al de zijnen overleven Omnium suorum of omnibus suis superstitem esse

Onze tijdgenooten Homines qui nunc sunt (tgst. qui tunc fuerunt) / Homines huius aetatis, nostrae memoriae

De latere schrijvers Scriptores aetate posteriores of inferiores

4. HONGER. DORST

A. Honger hebben Esurire

Honger lijden, door den honger gekweld worden Fame laborare, premi

Zich laten doodhongeren Inediā mori of vitam finire.

Den hongerdood sterven Fame perire, confici, interire / Fame necari (tot straf)

Den honger, den dorst stillen Famem, sitim explere / Famem sitimque depellere cibo et potione

Hevigen, brandenden dorst hebben Siti cruciari, premi

B. Den honger met het streng noodige draaglijk maken Famem tolerare, sustentare

Dorst krijgen Sitim colligere

Den dorst met een teug koud water lesschen Sitim haustu gelidae aquae sedare

Honger en dorst kunnen verduren Famis et sitis patientem esse

(Sitis ook figuurlijk b.v. libertatis; evenzoo sitire b.v. honores, libertatem, sanguinem. Maar het partic. sitiens met den genetivus b.v. virtutis)

5. LACHEN. WEENEN.

A. In den lach schieten. Risum edere, tollere

(Niet in risum erumpere, dat eerst de latere schrijvers gebruiken. Maar klassiek is risus, vox, fletus erumpit)

In een schaterlach uitbarsten, het uitproesten Cachinnum tollere, edere

Aan het lachen brengen Risum movere, concitare

Iemand een lach ontlokken (afpersen) Risum elicere (sterker excutere) alicui

Het lachen bijna niet kunnen bedwingen, inhouden Risum tenere vix posse / Risum aegre continere posse

Den lachlust trachten op te wekken Risum captare

Iets belachelijk maken Aliquid in risum vertere

Tranen, een stroom van tranen vergieten, storten Lacrimas, vim lacrimarum effundere, profundere

In tranen baden In lacrimas effundi of lacrimis perfundi

Met tranen in de oogen Lacrimis obortis

Onder veel tranen Multis cum lacrimis / Magno cum fletu

De tranen niet (bijna niet) kunnen bedwingen Lacrimas tenere, fletum cohibere non posse / Vix mihi tempero quin lacrimem / Vix me contineo quin lacrimem

Iemand tot tranen roeren, bewegen Lacrimas of fletum alicui movere

Van tranen, van aandoening niet kunnen spreken Prae lacrimis loqui non posse

Van vreugde weenen Gaudio lacrimare!

Vandaar die tranen, daar ligt de knoop, daar ligt de hond begraven Hinc illae lacrimae! (spreekw.)

Krokodillentranen Lacrimula

6. GEZONDHEID ZIEKTE

A. Eene goede gezondheid genieten Bona (firma, prospera) valetudine esse of uti

(Valetudo is vox media = toestand der gezondheid)

Zorg dragen voor zijn gezondheid Valetudini consulere, operam dare

Een gezond, sterk gestel Firma corporis constitutio of affectio

Ziek zijn Infirma, aegra valetudine esse of uti

Ziek worden In morbum incidere / Aegrotare coepisse

Door een ziekte aangetast worden Morbo tentari of corripi

Op het ziekbed geworpen worden Morbo affligi

Het bed houden Lecto teneri

Zwaar ziek zijn, liggen Graviter aegrotare, iacēre / Gravi morbo affectum esse, conflictari, vexari

Ongesteld, onpasselijk zijn Leviter aegrotare, minus valere

De pest breekt in de stad uit Pestilentia in urbem (populum) invadit (niet pestis!)

Iemand verliest alle bewustheid, valt in bezwijming, valt in flauwte Animus relinquit aliquem

De ziekte verergert, wordt slimmer Morbus ingravescit

(Van aeger en aegrotus is de comparativus ongebruikelijk)

Door eene ziekte weggerukt worden Morbo absūmi

Aan iemands ziekbed zitten Assidēre aegroto

Een zieke verplegen; over een zieke gaan, of hem behandelen (als geneesheer) Aegrotum curare

De geneeswijzen, kuren Curationes

Een zieke genezen Aegrotum sanare (niet curare!)

Van een ziekte genezen of herstellen, aan de beterhand zijn Ex morbo convalescere (niet reconvalescere!)

Van een zware ziekte herstellen, er weder bovenop komen E gravi morbo recreari of se colligere

B. De heete koorts hebben Aestu et febri iactari

Aan al zijne leden verlamd zijn Omnibus membris captum esse

(Zoo ook auribus, oculis captum esse, doof, blind zijn, niet hooren (in deze beteekenis niet non audire, non videre!), mente captum esse, waanzinnig zijn)

Aan pootje of voeteuvel lijden Ex pedibus laborare, pedibus aegrum esse

Het gaat beter met hem Melius ei est, melius se habet

Het gaat iets beter met hem Meliusculus est, meliuscule ei est

Hij is weder hersteld Melius ei factum est

Zich om redenen van gezondheid verontschuldigen, den toestand der gezondheid ter verontschuldiging laten gelden Valetudinem (morbum) excusare / Valetudinis excusatione uti

(Maar se excusare alicui of apud aliquem (de en in aliqua re) = zich bij iemand (over iets) verontschuldigen; excusationem alicuius rei habere = iets ter verontschuldiging hebben, b.v. na een misstap)

7. SLAAP DROOM.

A. Gaan slapen, zich ter ruste begeven Cubitum ire

Zich aan den slaap overgeven Somno of quieti se tradere

De droom komt uit Somnium verum evādit

Een droom uitleggen, verklaren Somnium interpretari

Een droomuitlegger, droomverklaarder Somniorum interpres, coniector

B. Niet kunnen inslapen Somnum capere non posse

De zorgen houden mij den slaap uit de oogen, verhinderen mij te slapen Curae somnum mihi adimunt, dormire me non sinunt

Ik heb geen oog kunnen sluiten Somnum oculis meis non vidi

Vast slapen (ten gevolge van vermoeienis) Arte, graviter dormire (ex lassitudine)

In een vasten slaap vallen Artus somnus aliquem complectitur

In slaap gedompeld zijn Somno captum, oppressum esse

Vast ingeslapen, in diepen slaap verzonken zijn Sopītum esse

Tot klaarlichten dag slapen In lucem dormire

Ontwaken, wakker worden Somno solvi

Uit den slaap wekken, wakker maken (E) somno excitare, dormientem excitare

Het bed verlaten E lecto of e cubili surgere

In den droom iets zien In somnis (niet in somnio!), secundum quietem, in quiete aliquid videre

Een droomgezicht hebben In somnis speciem videre

Ik droomde, dat ik zag In somnis visus (mihi) sum videre

Ik had een droomgezicht Species mihi dormienti oblata est

8. DOOD

A. Uit het leven scheiden (De) vita decedere of alleen decedere / (Ex) vita excedere, ex vita abire / De vita exire, de (ex) vita migrare / Mortem (diem supremum) obire

Op den laatsten dag zijns levens, op zijn sterfdag Supremo vitae die

Den laatsten adem uitblazen, den geest geven Animam edere of efflare / Extremum vitae spiritum edere

Een vroege dood Mors immatura

Reeds vroeg sterven Mature decedere

Een plotselingen dood sterven Subita morte exstingui

Hij heeft zich (zelven) gedood Mortem sibi (ipse) conscivit (niet sibi ipsum)

(Ongewoon is se interficere, se occidere, se necare zonder toevoeging van ipse)

Hij heeft zich het leven benomen Se (ipse) vita privavit

De handen aan zich zelven slaan Manus, vim sibi afferre

Een einde aan het leven maken Vitae finem facere

Zoo kwam hij om het leven (van een geweldigen dood) Talem vitae exitum (niet finem!) habuit

Den dood te gemoet gaan Mortem oppetere

Zijn bloed voor het vaderland vergieten Sanguinem suum pro patria effundere of profundere

Zijn leven voor het vaderland prijsgeven Vitam profundere pro patria

Zich voor het vaderland opofferen Se morti offerre pro salute patriae

Vergift innemen Venenum sumere, bibere

Zich vergeven, zich door vergift het leven benemen Veneno sibi mortem consciscere

Den giftbeker drinken, ledigen Poculum mortis (mortiferum) exhaurire

Van kant helpen, uit den weg ruimen E of de medio tollere

B. Zieltogen Animam agere

Een natuurlijken dood sterven Necessaria (tgst. voluntaria) morte mori / Morbo perire, absūmi, consūmi / Debitum naturae reddere

(Sua morte defungi komt eerst bij latere schrijvers voor)

Den dood voor het vaderland sterven Mortem occumbere pro patria

Den doodsteek geven Plagam extremam infligere

(Ik ben verloren, het is met mij gedaan) (Perii!) actum est (de me!)

(Actum est of res acta est beteekent eigenlijk: de openbare behandeling eener zaak (het proces) is uit, de akten zijn gesloten)

9. BEGRAFENIS.

B. Begraven worden (op staats-, op eigen kosten) Funere efferri, ook alleen efferri (publice, publico, suo sumptu)

Iemand begraven, ter aarde bestellen Sepultura aliquem afficere

Iemand de laatste eer bewijzen Iusta facere, solvere alicui / Supremo officio in aliquem fungi

Eene lijkstaatsie voor iemand houden Funus alicui facere, ducere

Een doode geleiden, aan de uitvaart deelnemen Funus alicuius exsequi / Exsequias alicuius funeris prosequi

Iemand den laatsten plicht bewijzen Supremis officiis aliquem prosequi

Een lijk bijzetten Mortuum in sepulcro condere

(Anders heet het lijk corpus mortuum of hominis mortui of alleen corpus. Cadaver is een lijk, dat reeds in ontbinding is)

Iemands lijk verbranden Aliquem mortuum cremare

Een plechtige lijkstoet Pompa funebris

Eene plechtige begrafenis houden Funus of exsequias celebrare

Openbare spelen geven ter eere van een overledene Ludos funebres alicui dare

De lijkrede Oratio funebris

(Als lofrede laudatio funebris of alleen laudatio)

De eer der begrafenis missen, derven Sepulturae honore carere

Op den grafsteen staat het volgende opschrift Sepulcro (Dat.) of in sepulcro hoc inscriptum est

Hier ligt begraven, hier rust Hic situs est...

V. Omstandigheden van het leven (Dit geheele hoofdstuk valt onder B)

1. TOESTAND. OMSTANDIGHEID

Menschelijke zaken, de wereld (in den zin van menschelijke dingen) Res humanae of alleen res

Dit is 's werelds loop Haec est rerum humanarum condicio

Zoo gaat het in de wereld Sic vita hominum est

Dat is onze bestemming Ita (ea lege, ea condicione) nati sumus

Het aardsche, ondermaansche verachten Res externas of humanas despicere

Zich boven het aardsche verheven gevoelen Res humanas infra se positas arbitrari

Zich in een beteren (slechteren) staat bevinden Meliore (deteriore) condicione esse, uti

Het lot, de toestand der laagste volksklasse Condicio ac fortuna hominum infimi generis

Mijne zaken zijn in beteren toestand Res meae meliore loco, in meliore causa sunt

In een beteren toestand verplaatst, gebracht worden Meliorem in statum redigi

Iemand in zijn vorigen toestand herstellen Aliquem in antiquum statum, in pristĭnum restituere

In zulke ongunstige omstandigheden In tanta rerum (temporum) iniquitate

Een onzekere, hopelooze, benarde toestand Res dubiae, perditae, afflictae

Iemand in het nauw, in verlegenheid brengen In angustias adducere aliquem

Zich in moeielijkheid, verlegenheid bevinden In augustus (difficultatibus), esse of versari / Angustiis premi, difficultatibus affici

Het gaat hem goed, uitstekend Agitur bene, praeclare CUM aliquo

De zaak is zoo gelegen Res ita est, ita (sic) se habet

Met die zaak is het evenzoo (geheel anders) gelegen, gesteld Eadem (longe alia) est huius rei ratio

Dit is geheel anders Hoc longe aliter, secus est

De zaak, de aard der zaak brengt dit mede Res (ita) fert

Naar gelang van de zaak, van de omstandigheden Pro re (nata), pro tempore.

Naar tijd en omstandigheden Pro tempore et pro re

De zaak is zoo ver gekomen, dat... Res eo of in eum locum deducta est, ut

Hoe gaat het met u? Hoe staan de zaken? Qua loco res tuae sunt?

Ik verkeer in hetzelfde geval, ik bevind mij in dezelfde omstandigheden Eadem est causa mea of in eadem causa sum

Indien mij iets overkwam, indien ik kwam te sterven Si quid (humanitus) mihi accidat of acciderit

Nu het zóó met de zaak is gelegen, onder deze of zoodanige omstandigheden Quae cum ita sint

Hoe het ook uitvalle, wat er ook van kome, het ga zoo 't wil Utcumque res ceciderit

2. BEGIN. EINDE. AFLOOP. UITSLAG

Eene zaak met iets beginnen Initium capere, incipere AB aliqua re

Beginnen, aanvangen Initium facere, ducere, sumere (alicuius rei)

Met het kleine beginnen, nederig beginnen Ab exiguis initiis proficisci

Zich gereedmaken, toerusten, aangorden tot iets Parare (c. Inf.) / Aggredi ad aliquid faciendum

De eerste kennis, het begin van iemands wetenschap, de kennis van den eerstbeginnende Velut (quasi) incunabula doctrinae

(Incunabula eigenlijk = windsels. Eerst bij latere schrijvers wordt ook cunabula = de wieg, voor begin, oorsprong, gebruikt)

Ergens een einde aan maken Finem facere alicuius rei / Finem imponere, afferre, constituere alicui rei

Een einde nemen Finem habere

Iets ten einde brengen Ad finem aliquid adducere / Ad exitum aliquid perducere

Tot het gewenscht einde gebracht worden Ad exitum pervenire, adduci

Iets loopt mede, gaat voorspoedig, gaat glad van stapel (gemeenzaam) Aliquid (bene, prospere) succedit of procedit (tgst. parum procedere, non succedere)

Een uitkomst, uitslag, uitwerking hebben Eventum habere

Een gunstigen afloop hebben Felicem exitum habere

Waarop zal dit uitloopen, hoe zal dit afloopen, wat zal het einde hiervan wezen? Quorsum haec res cadet of evadet?

Iets verijdelen Ad irritum redigere aliquid / Irritum reddere aliquid (pass. ad irritum redigi of cadere)

De zaak viel anders uit, dan ik gedacht had Res aliter cecidit ac putaveram

Wat zal er van hem worden? Quid illo fiet?

Wat aan te vangen, wat moet ik aanvangen met dien man? Quid huic homini (ook hoc homine) faciam?

3. REDEN. OORZAAK. BRON.

Eene reden opgeven, beweegreden bijbrengen of aanvoeren Causam afferre

Om goede, billijke, gegronde redenen Iustis de causis

(Men zegt ob eam causam, niet eam ob causam, maar wel ea en qua de causa. De beteekenis van iustus blijkt nog duidelijker uit: bellum iustum = een rechtvaardige, wettige oorlog, proelium iustum = een geregelde, ordelijke strijd)

Gewichtige of zware redenen, allerdringendste redenen Magnae (graves), necessariae causae

Niet zonder reden, om goede reden Non sine causa

Wat was de reden dat...? Quid causae fuit, cur...?

De reden ligt in, moet gezocht worden in iets Causa posita est in aliqua re / Causa repetenda est ab aliqua re (niet quaerenda est!)

Vele redenen bewogen mij daartoe Multae causae me impulerunt ad aliquid of ut

Eene reden, iets als reden voorwenden Causam interponere of interserere

Iets voorwenden, zich achter iets verschuilen Praetendere, praetexere aliquid

Een geschikt voorwendsel vinden Causam idoneam nancisci

Onder het voorwendsel Per causam (c. Gen.)

Oorzaken en gevolgen Causae rerum et consecutiones

Uitwendige oorzaken Causae extrinsecus allatae

Oorzaken, die in den aard der zaak liggen Causae in ipsa re positae

Aaneenschakeling, onderling verband van oorzaken Rerum causae aliae ex aliis nexae

Kleine oorzaken hebben dikwijls groote gevolgen Ex parvis saepe magnarum rerum momenta pendent

Uit iets ontstaan, voortvloeien Ex aliqua re nasci, manare

Van iets uitgaan of voortkomen Ab aliqua re proficisci

In ruime mate of overvloedig uit iets voorkomen (voor iets) Ex aliqua re redundare (in of ad aliquid)

Voordeel, nut ontspruit uit iets Utilitas efflorescit ex aliqua re

Uit de eerste, onvervalschte bronnen putten (tgst. uit niet te vertrouwen bronnen putten, de hoofdbronnen niet kennen) E fontibus haurire (tgst. rivulos consectari of fontes non videre)

Dat komt uit dezelfde bron, dit is van denzelfden oorsprong Haec ex eodem fonte fluunt, manant

Bron en oorsprong Fons et caput (zie noot bl. 33.)

4. OPZICHT. BELANG. INVLOED. MACHT. WELGEVALLEN.

In dit opzicht Quo in genere

In vele opzichten, in menig opzicht Multis rebus of locis

In beiderlei opzicht, in beide gevallen In utraque re

In alle andere opzichten, voor het overige Ceteris rebus (niet cetera!)

In elk opzicht Omni ex parte; in omni genere; omnibus rebus

Eenigermate, in eenig opzicht Aliqua ex parte

Iets in aanmerking nemen, in rekening brengen Rationem habere alicuius rei

Van groot belang, van geen belang zijn Magni, nullius momenti esse

Den doorslag aan iets geven Momentum afferre ad aliquid

Eene zaak raken, voor eene zaak van belang zijn Pertinere ad aliquid

Dit heeft geen invloed op den wijze Hoc nihil ad sapientem. pertinet

Dit is niet van toepassing op den wijze, de wijze is daarboven verheven Hoc in sapientem non cadit

Veel tot iets bijdragen Multum valere ad aliquid / Multum afferre ad aliquid

Dit heeft grooten invloed op (het geschieden van) iets Hoc magnam vim habet ad aliquid

Op iets berusten, in iets vervat zijn, op iets steunen Positum, situm esse in aliqua re / Contineri aliqua re / Consistere in aliqua re

(Contineri aliqua re beteekent ook 1) ingesloten of begrensd zijn door iets, b.v. oceano, 2) beperkt zijn tot iets, b.v. moenibus)

Op u steunt alles, van u hangt alles af, gij hebt alles in handen In te omnia sunt

Op dit ééne punt berust alles, daarop komt alles aan, daarvan hangt alles af In ea re omnia vertuntur

Van iets afhangen Pendēre ex aliqua re

Uit iets bestaan Constare ex aliqua re

Uit iets blijken, zich in iets openbaren Cerni (in) aliqua re (niet ex aliqua re!)

In iemands macht staan, iets in handen hebben In manu of in potestate alicuius situm of positum esse / Penes aliquem esse

De zaak is nog niet uitgemaakt, is onbeslist, hangende Res integra est

(De hoofdbeteekenis van integer (in-TAG tango), waarvan ook de overige beteekenissen kunnen worden afgeleid, is: onaangeroerd, ongerept)

Ik heb er nog de vrije beschikking over, mijne handen zijn daarin nog niet gebonden Res mihi integra est

Het is niet meer in mijne macht Mihi non est integrum, ut...

Zich de vrije beschikking, de beslissing voorbehouden Integrum (causam integram) sibi reservare

Zooveel in mijne macht is Quantum in me (situm) est

Zooveel in zijne macht is Quantum in ipso (niet in eo!) est.

Aan u staat het hierover te beslissen Penes te arbitrium huius rei est

Alles aan iemands welgevallen overlaten Arbitrio alicuius omnia permittere / Omnium rerum arbitrium alicui permittere

Volgens uw welgevallen, zooals het u belieft Arbitratu of arbitrio tuo

5. GELEGENHEID MOGELIJKHEID AANLEIDING. TOEVAL

Eene gunstige, geschikte, goede, schoone gelegenheid biedt zich aan Occasio datur, offertur

(Niet occasio opportuna, bona, pulchra, omdat in occasio reeds het begrip van gunstig ligt opgesloten. Daarentegen zegt men occasio praeclara, ampla, tanta)

Bij gelegenheid Occasione data, oblata / Per occasionem

Bij elke gelegenheid Quotiescumque occasio oblata est / Omnibus locis

Iemand gelegenheid geven, verschaffen tot iets Occasionem alicui dare, praebere. alicuius rei of ad aliquid faciendum

Eene gelegenheid (toevallig) vinden Occasionem nancisci

Van eene gelegenheid gebruik maken Occasione uti

Eene gelegenheid laten voorbijgaan Occasionem praetermittere, amittere (uit onachtzaamheid), omittere (met opzet), dimittere (vrijwillig)

De gelegenheid verzuimen, ongebruikt laten voorbijgaan Occasioni deesse

(Evenzoo deesse officio = zijn plicht verzuimen, aan zijn plicht te kort komen, muneri = zijn ambt of bediening niet vervullen, rei publicae, het welzijn van den staat uit het oog verliezen, sibi, zich zelf te kort doen, nadeel doen)

Eene gelegenheid gretig aangrijpen, bij de haren grijpen (gemeenz.) Occasionem arripere

Iemand in de gelegenheid, in de mogelijkheid, in staat tot iets stellen Facultatem alicui dare alicuius rei of ut possit / Potestatem, copiam alicui dare, facere met gen. gerund.

(Zoo zegt men potestatem alicui pugnandi facere, iemand een veldslag aanbieden, potestatem sui facere alicui 1) een gevecht aannemen, 2) iemand audiëntie verleenen, voor iemand te spreken zijn (ook sui conveniendi alicui potestatem facere)

Iemand de mogelijkheid tot iets ontnemen Facultatem, potestatem alicui eripere, adimere

Er is geen middel, geen mogelijkheid daartoe Nulla est facultas alicuius rei

Aanleiding geven tot verdenking Locum dare suspicioni

Aanleiding, reden geven tot berisping Ansas dare ad reprehendendum, reprehensionis / Ansam habere reprehensionis

Aanleiding in iets vinden, tot iets gebracht worden Adduci aliqua re (ad aliquid of ut)

Door een of ander toeval Nescio quo casu

Enkel toevalligerwijze Temere et fortuīto; forte (et) temere

6. GELUK

Voorspoed hebben Fortuna secunda uti

Door het geluk begunstigd of gediend worden, de gunst der fortuin ondervinden, het gaat voor den wind, het geluk lacht toe Fortunae favore of prospero flatu fortunae uti / Fortunam fautricem nancisci

Het geluk verblindt Fortuna caecos homines efficit, animos occaecat

Zijn geluk beproeven Fortunam tentare, experiri

Zijn geluk in de waagschaal stellen, of op het spel zetten Fortunam periclitari (periculum facere)

Het op zijn geluk laten aankomen Fortunae se committere

Zijn geluk in handen hebben Fortunam in manibus habere

Het geluk uit de handen geven Fortunam ex manibus dimittere

Het geluk wendt zich af, keert den rug toe Fortuna commutatur, se inclīnat

Een speelbal der fortuin Ludibrium fortunae

Een troetelkind van de fortuin of van het geluk Is, quem fortuna complexa est

Door het geluk verlaten zijn A fortuna desertum, derelictum esse

Het geluk maakt iemand groot, ook: verhoovaardigt iemand Fortuna aliquem effert

Door voorspoed hoogmoedig, vermetel of roekeloos worden Rebus secundis efferri

Iets zet het geluk de kroon op Ad felicitatem (magnus) cumulus accedit ex aliqua re / Aliquid felicitatis cumulum affert

Het geluk de kroon opzetten Felicitatem magno cumulo augere

Indien alles gelukkig en naar wensch gaat In rebus prosperis et ad voluntatem fluentibus

Gelukzaligheid, gelukkig leven Beata vita, beate vivere, beatum esse

(Beatitas en beatitudo is door Cicero slechts op eene plaats (de natura deorum I 34, 95) en nog alleen bij wijze van proef gebruikt)

Tot een gelukkig leven Ad bene beateque vivendum

Het treft zeer gelukkig, dat... Peropportune accidit, quod

7. ONGELUK. LOT. VERDERF.

Het ongeluk, de tegenspoed Fortuna adversa / Res adversae, afflictae, perditae

Ongelukkig worden, een ongeluk beloopen In calamitatem incidere

Hem overkomt een ongeluk, onheil; hij ondergaat eene wederwaardigheid Calamitatem accipit, subit

Geen ongeluk of ramp beleven, (in het leven) ondervinden Nihil calamitatis (in vita) videre

Den lijdenskelk ledigen Calamitatem haurire / Omnes labores exanclare

(Dikwijls mag men een beeld, dat in het Nederlandsch door een werkwoord met een zelfst. naamwoord uitgedrukt wordt, in het Latijn alléén door een werkwoord teruggeven: b.v. amicitiam iungere, den band der vriendschap sluiten, religionem labefactare, het gebouw van den godsdienst ondermijnen, bellum exstinguere, de oorlogsfakkel uitdooven, libido consedit, de storm van den hartstocht is bedaard, vetustas monumenta exederat, de tand van den tijd had aan de gedenkteekens geknaagd)

Ongeluk, verderf over iemand brengen Calamitatem, pestem inferre alicui

Door rampen getroffen worden Calamitatibus afflīgi

Door ongeluk, rampen overstelpt worden Calamitatibus obrui

Het einde van zijn lijden vinden Calamitatibus defungi

Door rampspoed geleerd, wijs geworden Calamitate doctus

Met tegenspoed te kampen hebben Conflictari (cum) adversa fortuna

In 't ongeluk neergestort liggen In malis iacēre

Door rampen bestormd worden Malis urgeri

De wisselingen van het lot; de onbestendigheid, wisselvalligheid der fortuin Fortunae vicissitudines

Allerlei hachelijke voorvallen uit het leven Ancipites et varii casus

Aan de wisselvalligheid van het lot onderworpen zijn Sub varios incertosque casus subiectum esse

Een afwisselend lot hebben Varia fortuna uti

Velerlei wisselingen van het lot te doorworstelen hebben Multis casibus iactari

Door wederwaardigheden zwaar beproefd worden Multis iniquitatibus exerceri

(De eerste beteekenis van exercere is afmatten, geen rust laten. Vandaar overdrachtelijk: veel moeite veroorzaken, kwellen, b.v. fortuna aliquem vehementer exercet. En daarom is exercere de kunstterm voor elk handwerk, ambacht en in het algemeen voor elken werkkring, waarin bestuur of toezicht gevorderd wordt: exercere agros, landbouw drijven, metalla, mijnen ontginnen, navem, reederij drijven, vectigalia, de tollen beheeren, voornamelijk van de pachters der rijkstollen (publicani); is, qui exercet iudicium, de voorzitter der rechtbank (praetor))

Aan de slagen van het lot blootgesteld zijn Fortunae telis propositum esse

Aan een ongelukkig lot prijsgegeven zijn Fortunae obiectum esse

Aan de onbillijkheid van het lot blootgesteld zijn Ad iniurias fortunae expositum esse

Zich schikken of zich voegen naar zijn lot Fortunae cedere

Iemand in het verderf storten Aliquem affligere, perdere, pessumdare, in praeceps dare

In zijn verderf loopen, zijn verderf te gemoet ijlen, te gronde gaan Praecipitem agi, ire / Ad interitum ruere / Ad exitium vocari / In perniciem incurrere

Het op iemands ondergang toeleggen Pestem alicui (in aliquem) machinari

Iemand ten ondergang brengen, iemands ondergang bereiden, iemand ten verderve strekken Perniciem (exitium) alicui afferre, moliri, parare

Iemand van den ondergang redden Ab exitio, ab interitu aliquem vindicare

8. GEVAAR. PROEF (PERICULUM). VEILIGHEID

In gevaar zijn of verkeeren In periculo esse of versari

De toestand is zeer hachelijk, hoogst gevaarlijk Res in summo discrimine versatur

In doodsgevaar verkeeren In vitae discrimine versari

In gevaren komen, geraken In pericula incidere of incurrere

Iemand dreigen, bedreigen gevaren Pericula alicui imminent, impendent

Dreigende gevaren vloeien voor iemand ergens uit voort Pericula ex aliqua re in of ad. aliquem redundant

In het gevaar gaan, het gevaar te gemoet gaan, het gevaar onder de oogen zien of treden Periculum subire, adire, suscipere

Zich aan gevaren blootstellen Periculis se offerre

Zijn leven aan gevaar blootstellen Salutem, vitam suam in discrimen offerre (niet exponere!)

Iemand, iets in gevaar brengen Aliquem, aliquid in periculum (discrimen) adducere, vocare / Alicui periculum creare, conflare

(Vocare wordt in verschillende uitdrukkingen gebezigd, b.v. in invidiam, in suspicionem, in dubium, ad exitium, in periculum vocare. In het passief dient het ter omschrijving van niet gebruikelijke passiva, b.v. in odium vocari = gehaat worden. Hetzelfde geldt van venire)

Zich in levensgevaar storten In periculum capitis, in discrimen vitae se inferre

Iemands leven staat op het spel Salus, caput, vita alicuius agitur, periclitatur, in discrimine est of versatur

Op het oogenblik van het gevaar In ipso periculi discrimine

Iemand uit het gevaar redden Aliquem ex periculo eripere, servare

Geen gevaar vreezen of ontzien voor... Nullum periculum recusare pro...

Gevaren te boven komen, aan gevaren ontsnappen Periculis perfungi

De proef van iets nemen, iets op de proef stellen Periculum facere alicuius rei.

Zich met den vijand meten Periculum hostis facere

't Is tot het uiterste gekomen Res ad extremum casum perducta est / Ad extrema perventum est

In veiligheid zijn In tuto esse

Iets in veiligheid brengen In tuto collocare aliquid

9. HULP. REDDING. TROOST

Iemand hulp verleenen, redding brengen Auxilium, opem, salutem ferre alicui

Iemand te hulp komen Auxilio alicui venire

Iemand om hulp smeeken Alicuius opem implorare

Zijne toevlucht tot iemand nemen Confugere ad aliquem of ad opem, ad fidem alicuius

Tot het laatste redmiddel overgaan, naar het laatste redmiddel grijpen Ad extremum auxilium descendere

(Zoo wordt descendere dikwijls gezegd van datgene, waartoe men niet dan ongaarne overgaat)

Onmiddellijke hulp Auxilium praesens

(2) Ook poena praesens, onmiddellijke straf; pecunia praesens gereed geld; medicina praesens, snel werkend geneesmiddel; deus praesens, hulpvaardige god; in rem praesentem venire, zich ter plaatse begeven, om de zaak in oogenschouw te nemen)

Iemand ter zijde staan (om te helpen b.v. als advocaat) Adesse alicui of alicuius rebus (tgst. deesse)

Iemand redding brengen Salutem alicui afferre

Op zijne redding bedacht zijn Saluti suae consulere, prospicere

Voor eigen belangen, voor zich zelf zorgen Suis rebus of sibi consulere

In de redding slagen Salutem expedire

Troost schenken Solacium praebere, afferre

Geen troost aanbieden, verleenen Nihil habere consolationis

Daarin troost vinden, den troost smaken Hoc solacio frui of uti

Iemand troosten over iets Consolari aliquem de aliqua re

Iemand in zijn smart troosten Consolari dolorem alicuius

Iemand troosten in het ongeluk Consolari aliquem in miseriis

Ik troost mij daarmede Hoc (illo) solacio me consōlor / Haec (illa) res me consolatur

10. RIJKDOM. GEBREK. ARMOEDE

Rijk zijn Divitiis, copiis abundare

Zeer rijk zijn Magnas opes habere / Opibus .maxime florere / Omnibus opibus circumfluere

Met de gaven der fortuin rijk bedeeld zijn Fortunis maximis ornatum esse

In grooten overvloed leven In omnium rerum abundantia vivere

Iemand van arm rijk maken Aliquem ex paupere divitem facere

Gebrek aan iets lijden Inopia alicuius rei laborare, premi

Tpt de (uiterste) armoede, tot (de uiterste) behoeftigheid komen of vervallen Ad paupertatem, ad inopiam (summam omnium rerum) redigi

Zich kommervol onderhouden, het leven kommervol voortsleepen Vitam inopem sustentare, tolerare

In armoede leven In egestate esse, versari / Vitam in egestate degere

Behoeftig, doodarm zijn In summa egestate of mendicitate esse

Aalmoezen vragen, bedelen Stipem colligere

Eene aalmoes geven Stipem porrigere

Geld bijdragen tot iets Stipem (pecuniam) conferre in aliquid

11. NUT. BELANG. VOORDEEL. SCHADE.

Nuttig, van nut zijn Usui of ex usu esse

Nut, voordeel aanbrengen Utilitatem afferre, praebere

Veel (niets, iets) tot het nut van 't algemeen, tot het openbare nut bijdragen Multum (nihil, aliquid) ad communem utilitatem afferre

Iets tot eigen nut of voordeel aanwenden, doen strekken Aliquid in usum suum conferre

Bij alles slechts zijn eigen voordeel beoogen Omnia ad suam utilitatem referre

Voor iemands belangen zorgen, ze behartigen, beschermen (tgst. ze schaden, in den weg staan) Rationibus alicuius prospicere of consulere (tgst. officere, obstare, adversari) / Commodis alicuius servire / Commoda alicuius tueri

Mijn belang bracht het zoo mede Meae rationes ita tulerunt

(Rijk) gewin, (groote) winst, voordeel uit iets trekken Fructum (uberrimum) capere, percipere, consequi ex aliqua. re

(Ook fructum alicuius rei capere, percipere, consequi ex aliqua re, b.v. virtutis fructus ex re publica (magnos, laetos, uberes) capere, zich voor zijne deugd door den staat (rijkelijk) beloond zien)

Iemand vloeien voordeelen uit iets toe Fructus ex aliqua re redundant in of ad aliquem

Iets komt mij te baat, ten goede Aliquid ad meum fructum redundat

Wat (niets) baat het te... Quid (nihil) attinet? (met volg. infin.)

Aan wien strekt het tot voordeel? Cui bono?

Schade lijden Damnum (tgst. lucrum) facere / Damno affici / Detrimentum capere, accipere, facere

(Evenzoo incommodum accipere, nadeel lijden; naufragium facere, schipbreuk lijden)

Iets ten offer brengen, opofferen Iacturam alicuius rei facere

(Damnum is schade, door eigen schuld, vooral in het vermogen, geleden; fraus, de schade, door bedrog veroorzaakt; iactura (eigenlijk = het overboord werpen), is het prijsgeven, het opofferen van iets kostbaars, om grooter schade te voorkomen of grooter voordeel te verkrijgen. "Schadelijk" is inutitis, qui nocet enz., niet noxius, dat in deze beteekenis geen naamval regeert, homo noxius = een boosdoener)

Iemand schade doen, toebrengen Damnum inferre, afferre alicui

Schade of verlies (met moed en kracht) weten te dragen Damnum ferre

Iemand benadeelen Incommodo afficere aliquem

De geleden verliezen herstellen Incommodis mederi

Schade vergoeden of herstellen, schadeloosstellen Damnum of detrimentum sarcire (niet reparare!) / Damnum compensare cum aliqua re

Schadevergoeding eischen Res repetere

Schadevergoeding geven Res restitnere

12. WELWILLENDHEID. GUNST. GENEGENHEID. WELGEVALLEN

Welwillend jegens iemand zijn, welwillendheid jegens iemand koesteren Benevolo animo esse in aliquem / Benevolentiam habere erga aliquem

Zich iemands welwillendheid, gunst, genegenheid verwerven Benevolentiam, favorem, voluntatem alicuius sibi conciliare of colligere (ex aliqua re)

Iemand welwillendheid of genegenheid betoonen Benevolentiam alicui praestare, in aliquem conferre / Benevolentia aliquem complecti of prosequi

Bij iemand in gunst staan Gratiosum esse alicui of apud aliquem / In gratia esse apud aliquem

In hooge gunst bij iemand staan Multum valere gratia apud aliquem / Florere gratia alicuius

In gunst bij iemand komen; de gunst van iemand verwerven Gratiam inire ab aliquo of apud aliquem / In gratiam alicuius venire

Iemands gunst trachten te winnen, (sterker) bejagen Gratiam alicuius sibi quaerere, sequi, (sterker) aucupari

Iemand genegen zijn Studere, favere alicui / Studiosum esse alicuius / Propenso animo, studio esse of propensa voluntate esse in aliquem (tgst. averso animo esse ab aliquo)

Iemand te wille zijn, zijn zin geven Alicui morem gerere, obsequi

Iemands belangen toegedaan zijn; het goed met iemand meenen Alicuius causa velle of cupere

Iemand een (groot) genoegen doen Gratum (gratissimum) alicui facere

Zich naar iemand voegen, schikken Se conformare, se accommodare ad alicuius voluntatem / Alicuius voluntati morem gerere

Zich naar iemands wensch gedragen, schikken Se convertere, converti ad alicuius nutum

(Daarentegen se convertere ad aliquem = zich tegen iemand (met vijandig oogmerk) keeren, óf = zijn blik met vertrouwen op iemand richten)

Zich geheel en, al naar iemand plooien, schikken; geheel naar den zin van iemand leven; naar

iemands pijpen dansen (gemeenzaarn) Totum se fingere et accommodare ad alicuius arbitrium et nutum

Iemand van zich afkeerig maken Voluntatem of animum alicuius a se abalienare, aliquem a se abalienare of alienare

13. WELDAAD. DANK. VERGELDING.

Iemand eene weldaad bewijzen Beneficium alicui dare, tribuere / Beneficio aliquem afficere, ornare

Iemand met weldaden overladen Beneficia in aliquem conferre

Iemand door weldaden verplichten, aan zich verbinden Beneficiis aliquem obstringere, obligare, devincire

Eene weldaad (ruimschoots) vergelden Beneficium remunerari of reddere (cumulate)

Dankbaarheid Gratus (tgst. ingratus) animus

(Het ontbrekende subst. wordt ook met animus omschreven in: animus inexorabilis = onverbiddelijkheid, animus implacabilis = onverzoenlijkheid (maar placabilitas = verzoenlijkheid), animus (fides) venalis = omkoopbaarheid)

Iemand dankbaarheid verschuldigd zijn Gratiam alicui debere

Iemand dank weten (inwendig) Gratiam alicui habere

Zich dankbaar jegens iemand betoonen (door daden), iemand erkentelijkheid bewijzen Gratiam alicui referre (meritam, debitam) pro aliqua re

Iemand dankzeggen (met woorden), dank betuigen Gratias alicui agere pro aliqua re

Op plechtige wijze (de Goden) dankzeggen Grates agere (dis immortalibus)

Dankbaarheid verdienen Gratiam mereri

Gelijk met gelijk vergelden Par pari referre of paria paribus respondere

Iets goed (rijkelijk) vergelden Bonam (praeclaram) gratiam referre

Goed met kwaad vergelden Benefacta maleficiis pensare

Kwaad met goed vergelden Maleficia benefactis remunerari / Pro maleficiis beneficia reddere

14. VERDIENSTE. WAARDE. BELOONING. PRIJS.

Zich bij, jegens iemand of jegens iets verdienstelijk maken Bene, praeclare (melius, optime) mereri de aliquo of de aliqua re

(Wijl mereri eene vox media is, wordt het nooit zonder adverbium gebruikt)

Iemand of iets een ondienst doen of bewijzen, iemand slecht dienen Male mereri de aliquo of de aliqua re

De verdienste van iemand jegens iemand of iets Meritum(a) alicuius in aliquem of aliquid

Zonder mijne verdienste Nullo meo merito

Naar verdienste Ex en pro merito

Veel (eenige) waarde aan iets hechten Multum (aliquid) alicui rei tribuere

Veel met iemand ophebben, iemand hoogschatten, op prijs stellen Multum alicui tribuere

Iemand (schitterend) beloonen Praemiis (amplissimis, maximis) aliquem afficere

(Men lette op het menigvuldig gebruik van afficere: b.v. afficere aliquem admiratione, beneficia, exsilio, honore, iniuria, laude, poena, supplicio. Van bijzonder belang is het passieve gebruik van afficere, b.v. affici admiratione, bewonderd worden, gaudio, voluptate, verblijd worden, dolore, smartelijk aangedaan worden, poena, gestraft worden)

Iemand naar verdienste beloonen Meritum praemium alicui persolvere

Eene belooning, een prijs uitloven Praemium exponere of proponere (tot aanmoediging) / Praemium ponere (als prijs voor den overwinnaar)

Iemand den prijs toekennen, geven Palmam deferre of dare alicui

Den prijs wegdragen, behalen Palmam ferre, accipere

Het loon voor iets bedongen Pacta merces alicuius rei

Gehuurd zijn (van personen) Mercede conductum esse

15. VERZOEK. WENSCH. LAST. BEVEL.

Iemand met aandrang, dringend, zeer dringend verzoeken Orare et obsecrare aliquem / Magnopere, vehementer, etiam atque etiam rogare aliquem

Iemand met verzoeken bestormen, lastig vallen Precibus aliquem fatigare

Ootmoedig smeeken Supplicibus verbis orare

Het verzoek toestaan, inwilligen Precibus obsequi

Aan iemands verzoek voldoen Alicui petenti satisfacere, non deesse

Zich door dringende (ootmoedige) beden laten bewegen, overhalen Magnis (infimis) precibus moveri

Iemand iets afslaan Negare (sterker denegare) alicui aliquid

Iemand een verzoek, eene bede afslaan Petenti alicui negare aliquid / Repudiare, aspernari preces alicuius

Ik zal geen uwer vorderingen afwijzen Nihil tibi a me postulanti recusabo

Iets bij iemand bewerken, van iemand verkrijgen Aliquid ab aliquo impetrare

Mijne wenschen worden vervuld Optata mihi contingunt

Iemands wensch vervullen, verlangen bevredigen Voluntati alicuius satisfacere, obsequi

Naar wensch Ex sententia

Aan eene zaak den besten uitslag wenschen Aliquid optimis ominibus prosequi

Moge het goed voor u uitvallen! / Moge het u goed bekomen! Bene id tibi vertat!

Iemand een taak opleggen, een last opdragen Mandatum, negotium alicui dare / Negotitim ad aliquem deferre

Een last volbrengen, zich van zijn last kwijten Mandatum exsequi, persequi, conficere

Bevelen volbrengen Iussa (gewoonlijk slechts in plur.), imperata facere

16. VRIENDSCHAP. VIJANDSCHAP. VERZOENING

Vriendschap met iemand sluiten, aangaan Amicitiam cum aliquo iungere, fa cere, inire, contrahere. (Zie ook bl. 51 aanm. 2)

Vriendschap koesteren, onderhouden, daaraan getrouw zijn Amicitiam colere

Iemand tot vriend hebben Uti aliquo amico

Ik leef in vriendschap, in vijandschap met iemand Est of intercedit mihi cum, aliquo amicitia / Sunt of intercedunt mihi cum aliquo inimicitiae

(In den singularis staat inimicitia slechts, wanneer er spraak is van het abstracte begrip van het woord)

Vriendschappelijken, gemeenzamen, vertrouwelijken omgang met iemand hebben Uti aliquo familiariter

Door den innigsten, nauwsten band van vriendschap met iemand vereenigd zijn Artissimo amicitiae vinculo of summa familiaritate cum aliquo coniunctum esse

Door oude vriendschap verbonden zijn Vetustate amicitiae coniunctum esse

Iemands vriendschap zoeken Amicitiam alicuius appetere

Iemands vriendschap verwerven In amicitiam alicuius recipi

Zich bij iemand als vriend aansluiten Ad alicuius amicitiam se conferre, se applicare

Iemand als derde in het vriendschapsverbond opnemen Aliquem tertium in amicitiam ascribere

De vriendschap opzeggen Amicitiam renuntiare

Den band der vriendschap breken, de vriendschap afbreken Amicitiam dissuere, dissolvere, praecīdere

Mijn beste vriend Amicissimus meus of mihi

Mijn vertrouwdste vriend, boezemvriend Homo intimus, familiarissimus mihi

In vijandschap met iemand leven Inimicitias gerere, habere, exercere cum aliquo

Met iemand in vijandschap geraken Inimicitias sibi cum aliquo suscipere

Zich iemands vijandschap op den hals halen Inimicitias alicuius suscipere

Zijne vijandschap, vijandelijke gezindheid afleggen Inimicitias deponere

Vriend en vijand Aequi iniqui

Iemand met een ander verzoenen Placare aliquem alicui of in aliquem / Reconciliare alicuius animum of alleen aliquem alicui / In gratiam aliquem cum aliquo reducere

Zich met iemand verzoenen In gratiam cum aliquo redire / Sibi aliquem of alicuius animum reconciliare of reconciliari alicui

17. AANZIEN. GEZAG. WAARDIGHEID

In groot aanzien staan, in aanzien zijn, groot gezag hebben Magna auctoritate esse / Auctoritate valere of florere / Magna auctoritas est in aliquo

In groot aanzien bij iemand staan, hoog bij iemand aangeschreven staan, veel gezag bij iemand hebben Multum auctoritate valere of posse apud aliquem / Magna auctoritas alicuius est apud aliquem

Iemands gezag weegt zwaar bij iemand Alicuius auctoritas multum valet apud aliquem

Zich aanzien of gezag verwerven Auctoritatem of dignitatem sibi conciliare, parare

Het allerhoogste aanzien verkrijgen, tot het toppunt van aanzien stijgen Ad summam auctoritatem pervenire (niet ad fastigium!)

Iemand in hooger aanzien brengen, iemands invloed, gezag vermeerderen (tgst. iemands aanzien, gezag verkleinen) Auctoritatem alicuius amplificare (tgst. imminuere, minuere)

Met iemands gezag of aanzien den spot drijven Auctoritati, dignitati alicuius illudere

Hooge waardigheid bezitten. Dignitas est summa in aliquo / Summa dignitate praeditum esse

Iets beneden zijne waardigheid, beneden zich, zijner onwaardig achten Aliquid alienum (a) dignitate sua of enkel a se ducere / Aliquid infra se ducere of infra se positum arbitrari

18. LOF. GOEDKEURING. BERISPING. VERWIJT

Iemand lof toekennen Laudem tribuere, impertire alicui / Laude afficere aliquem

Iemand (hoog) verheffen, verheerlijken, roem, lof toezwaaien (Maximis, summis) laudibus efferre aliquem of aliquid / Eximia laude ornare aliquem

Iemand met loftuitingen overladen Omni laude cumulare aliquem

Iemand (iets) hemelhoog, tot in de wolken verheffen Laudibus aliquem (aliquid) in (ad) caelum ferre, efferre, tollere

Iemands lof verkondigen Alicuius laudes praedicare

Iemand gelukkig prijzen Aliquem beatum praedicare

Van alle kanten lof inoogsten Omnium undique laudem colligere

Iemand iets tot eer aanrekenen Aliquid laudi alicui ducere, dare

Iemand in zijn aangezicht prijzen Aliquem coram, in os of praesentem landare

Gij hebt er goed aan gedaan met... Recte, bene fecisti quod...

Ik vind de zaak aannemelijk, de zaak bevalt mij Res mihi probatur (letterlijk: aan mij wordt als goed voorgesteld)

(Vinden wordt niet altijd letterlijk vertaald; zoo is: rust, verademing vinden = conquiescere, acquiescere, requiescere, relaxari; verontschuldiging vinden = exusari; excusationem habere; geloof vinden = fidem habere. Acquiescere (in) aliqua re ook = voldoening in iets vinden)

De zaak wordt door mij bewezen, aangeprezen, goedgekeurd Res a me probatur (letterlijk: door mij wordt als goed voorgesteld)

Hierover berisp ik u, hierom misprijs ik U Hoc in te reprehendo (niet ob of propter eam rem!)

Bestraffing, berisping ondergaan, afkeuring, veroordeeling vinden Vituperationem subire / In vituperationem, reprehensionem cadere, incidere, venire

Iemand iets verwijten, verwijtingen doen over iets Exprobrare alicui aliquid (de aliqua re) / Aliquid alicui crimini dare, vertere

Zich BIJ iemand over iets beklagen, zijn beklag BIJ iemand doen Conqueri of expostulare cum aliquo de aliqua re

19. GERUCHT. GEPRAAT. TIJDING. VERMELDING

Het gerucht gaat, loopt, is in omloop Rumor, fama, sermo est of manat

Men fluistert elkander in 't oor Fama serpit (per urbem)

Meer en meer verspreidt zich het gerucht Rumor increbrescit

Een gerucht uitstrooien, verspreiden, in omloop brengen Rumorem spargere / Famam dissipare

Onzekere, losse geruchten komen ons ter oore Dubii rumoren afferuntur ad nos

Iets weten van hooren zeggen Auditione et fama accepisse aliquid / Fando aliquid audivisse

Ik heb hem hooren zeggen... Ex eo audivi, cum diceret

Algemeen zegt men, het is algemeen verspreid Vulgo dicitur, pervulgatum est

Het voorwerp van aller gesprekken zijn, op de tong rijden In ore hominum of hominibus esse / Per omnium ora ferri

Gij hebt den mond vol van... Semper tibi in ore est

Iets altijd in den mond hebben In ore aliquid (semper) habere

Bekendmaken, openbaarmaken, ruchtbaar maken Efferre of edere aliquid in vulgus

Uitgebracht worden, uitlekken, ruchtbaar worden Foras efferri, palam fieri, percrebescere, divulgari, exire, emanare, in medium proferri

Het onderwerp der gesprekken worden In sermonem hominum venire / In ora vulgi abire

Het praatje der stad worden Fabulam fieri

Op de tijding Nuntio allato of accepto

Te Rome kwam de tijding aan Romam nuntiatum est, allatum est

Iemand van iets kennis geven Certiorem facere aliquem (alicuius rei of de aliqua re)

Iets ter sprake brengen of gewag van iets maken Mentionem facere alicuius rei of de aliqua re

(Maar commernorare gewagen, gewag maken (eig. = zichzelf of anderen aan iets doen gedenken) veronderstelt, dat de zaak, die men vermeldt, reeds bekend is)

In 't voorbijgaan even iets ter sprake brengen Mentionem inicere de aliqua re of Acc. c. Inf.

Toevallig van iets gewagen In mentionem alicuius rei incidere / Mentio alicuius rei incidit

20. ROEM. ROEP

Zich roem verwerven Gloriam, famam sibi comparare

Roem behalen Gloriam (immortalem) consequi, adipisci

Tot roem strekken Gloriae, laudi esse / Laudem afferre

Zeer beroemd zijn Gloria, laude florere

Op het toppunt van roem staan Summa gloria florere (niet in fastigio esse!)

Beroemd worden Gloriam colligere, in summam gloriam venire / Nobilitari, clarum fieri, illustrari (niet het latere clarescere of inclarescere!)

Iemands naam onsterfelijk maken Aliquem immortali gloria afficere / Aliquem sempiternae gloriae commendare

Zich een onsterfelijken naam verwerven, zijn naam vereeuwigen of onsterfelijk maken Immortalitatem consequi, adipisci, sibi parĕre

Zich door roemzucht laten leiden, roemzuchtig zijn Gloria duci / Laudis studio trahi / Laudem, gloriam quaerere

Van roem- of eerzucht blaken Gloriae, laudis cupiditate incensum esse, flagrare

Iemands roem beknibbelen, verkleinen, daaraan afbreuk doen, iemands verdiensten miskennen, onrecht doen De gloria, fama alicuius detrahere / Alicuius gloriae of alleen alicui obtrectare / Alicuius famam, laudem imminuere

Iemands roem verduisteren, iemand in vergetelheid brengen Obscurare alicuius gloriam, laudem, famam (niet obscurare aliquem!)

(Evenzoo zegt men: iemand verbeteren alicuius mores corrigere (niet aliquem corrigere!), iemand verstaan alicuius orationem of quid dicat intellegere (niet aliquem intellegere!))

Voor zijn goeden naam zorgen. Famae servire, consulere

Den reeds verworven roem ophouden, onbesmet bewaren of houden Famam ante collectam tueri, conservare

Een goeden naam hebben, in een kwaden roep staan Bene, male audire (ab aliquo) / Bona, mala existimatio est de aliquo

De schande van een daad op zich laden, voor den naam van iets niet terugdeinzen Famam facinoris subire

Iemand in een kwaden roep bren gen, zijn goeden naam bezoedelen Infamiam alicui inferre, aspergere, conflare, infamem facere aliquem

Een grooten naam nalaten Magnam sui famam relinquere

Den naam hebben van... Opinionem alicuius rei habere

De openbare meening Existimatio hominum, omnium

(Existimatio is niet slechts actief het beoordeelen, maar ook passief het beoordeeld worden, de roep, gewoonlijk in goeden zin, ook zonder de toevoeging van bona, integra, magna)

21. EER. HOON. SCHANDE. SCHANDVLEK

In eer zijn bij iemand Esse in honore apud aliquem

Iemand eer bewijzen Honorem alicui habere, tribuere

Iemand eeren Aliquem honore afficere, augere, ornare, prosequi

Iemand van roemzucht doen blaken Aliquem cupiditate honorum inflammare (of aliquem ad cupiditatem honorum inflammare)

Naar eer streven Honores concupiscere (tgst. aspernari)

Iemand eershalve noemen, iemand met achting noemen Honoris causa aliquem nominare of appellare

Een standbeeld iemand ter eere oprichten Statuam alicui ponere, constituere

Iemand in eere houden Aliquem tolere et observare

Iemand hoonen, iemand schandvlekken Aliquem ignominia afficere, notare / Alicui ignominiam inurere

Schande op zich laden, inleggen, zich berucht maken Infamiam concipere, subire, sibi conflare

Den glans van zijn roem door vlekken ontluisteren Vitae splendori(em) maculas(is) aspergere

Iemands naam brandmerken, schandvlekken Notam turpitudinis alicui of vitae alicuius inurere

Eene schandvlek, de oneer op zijn naam niet laten kleven Ignominiam non ferre

Eene schandvlek uitwisschen Maculam (conceptam) delere, eluere

22. MOEITE. VLIJT. ARBEID. INSPANNING

Op iets bedacht zijn, voor iets zorgen Respicere aliquid zorgen

(Daarentegen respicere ad aliquid (aliquem) = omzien (= achterwaarts zien) b.v. ad oppidum)

Zich (groote) moeite geven, om... Operam (studiose, enixe, sedulo, maxime) dare, ut... (niet magnam!)

Moeite, zorg aan iets besteden Operam alicui rei tribuere, in aliquid conferre / Operam (laborem; curam) in of ad aliquid impendere

Groote moeite en inspanning aan iets besteden Egregiam operam dare alicui rei / Multum operae ac laboris consumere in aliqua re

IJver, vlijt aan iets besteden Studium, industriam (niet diligentiam!) collocare, ponere in aliqua re

Zich met ijver, met de borst op iets toeleggen Incumbere in (ad) aliquid

Werk verrichten (vooral van veldarbeid) Opus facere

(Opus is niet werk in het algemeen, maar het bepaalde werk, waarmede men bezig is; labor is de zwarigheid, last, vermoeienis, die aan krachtsinspanning verbonden is; vandaar is laborare niet eenvoudig arbeiden, maar met inspanning van kracht arbeiden; opera is de (vele of geringe) moeite, die aan iets besteed wordt)

Met een werk een begin, een aanvang maken, de handen aan het werk slaan Opus aggredi / Ad opus faciendum accedere

Die zaak kost veel moeite en arbeid Res est multi laboris et sudoris

Zich moeite en arbeid in iets getroosten Desudare et elaborare in aliqua re

Geen arbeid, geene moeite ontzien Labori, operae non parcere

Het werk onafgebroken voortzetten Laborem non intermittere

Den arbeid geen oogenblik staken, zich geen verpoozmg gunnen Nullum tempus a labore intermittere

Des nachts werken Lucubrare

Inanem laborem-suscipere.

Zich moeite geven voor niet. Operam (et oleum) perdere of frustra consumere

Vergeefsche moeite doen, op eene afgedane zaak terugkomen Rem actam of enkel actum agere (spreekw.)

Zich de moeite besparen, de moeite sparen Labore supersedere

Gehard tegen vermoeienissen Patiens laboris

Afkeerig van den arbeid Fugiens laboris

Het loont de moeite Operae pretium est (c. Inf.)

Na volbrachten arbeid is het goed rusten Acti labores iucundi (spreekw.)

Zijne krachten inspannen Contentionem adhibere

Al zijne krachten bij iets te hulp roepen Omnes nervos in aliqua re contendere

(Nervi in de eigenlijke beteekenis zijn spieren, pezen, niet zenuwen, welke de ouden niet kenden. Overdrachtelijk is nervi niet slechts kracht in het algemeen, maar ook in 't bijzonder = zielskracht, levenskracht, b.v. omnes nervos virtutis elidere, incīdere, de zielskracht van den man, de mannenkracht geheel verlammen; ook = de zetel der kracht, de zenuw of ziel van iets b.v. vectigalia nervi rei publicae sunt; nervi belli pecunia = het geld is de zenuw van den oorlog)

Al zijne krachten inspannen, zijn uiterste pogingen aanwenden om... Omnibus viribus of nervis contendere, ut / Omni ope atque opera, of omni virium contentione eniti, ut / Contendere et laborare, ut

23. BEZIGHEID. VRIJE TIJD. LEDIGHEID. TRAAGHEID

Een arbeid, werk, taak op zich nemen Negotium suscipere

Eene zaak waarnemen, verrichten, volbrengen, uitvoeren Negotium obire, exsequi

Eene zaak ten einde brengen, voltooien, afmaken Negotium conficere, expedire transigere

Met zaken bezig zijn, zaken doen Negotia agere, gerere

Met bezigheden overladen, overkropt zijn, het zeer druk hebben Multis negotiis implicatum, districtum, distentum, obrŭtum esse

Vrij zijn van bezigheden Negotiis vacare

MET iets bezig zijn Occupatum esse IN aliqua re / Intentum esse alicui rei

Iemand eene moeielijkheid veroorzaken, berokkenen Negotium alicui facessere

Het kost veel moeite, het heeft heel wat in heel wat in Magnum negotium est (c. Inf.)

Zonder eenige moeite Nullo negotio

Ledigen tijd hebben, geen bezigheid hebben Otiosum esse / In otio esse of vivere / Otium habere

Vrijen of ledigen tijd in overvloed hebben Otio abundare

Rust genieten Otio frui

De rust beminnen Otium sequi, amplexari

Zijn vrijen tijd aan iets besteden Otiosum tempus consumere in aliqua re

Zijn vrijen tijd nuttig, wel besteden Otio abūti of otium ad suum usum transferre

(Abuti is oorspronkelijk: opgebruiken, verbruiken, in volle mate gebruiken. Daaruit heeft zich de minder gewone beteekenis ontwikkeld: bovenmatig gebruiken, misbruiken = perverse, intemperanter, immoderate uti)

In ledigheid geheel versuffen, ontzenuwd worden (In) otio languere et hebescere

In nietsdoen vergaan Otio diffluere

Zich aan vadsigheid en traagheid overgeven Desidiae et languori se dedere / Ignaviae et socordiae se dare

(De oorspronkelijke beteekenis van ignavia (in-gnavus [navos verg. navare]) is niet lafheid, maar traagheid

VI. Het huiselijk leven.

1. Het HUIS. ZIJNE DEELEN

A. Een huis van al het benoodigde voorzien Domus necessariis rebus instructa

Een huis afbreken, sloopen Domum demoliri

Het huis kan niet allen bevatten Domus non omnes capit (χωρεῖν)

(Ook overdr. b.v. Macedonia te non capit = Macedonië is voor u te klein)

Een huis dikwijls bezoeken, in- en uitgaan Domum frequentare

Ik was bij hem als thuis Apud eum sic fui tamquam domi meae

Onder dak komen Tectum subire

Iemand in zijn huis opnemen Tecto, (in) domum suam aliquem recipere (tgst. prohibere aliquem tecto, domo)

Geen voet buiten de deur zetten Domo pedem non efferre

Den voet over den drempel zetten Pedem limine efferre

Naar buiten (= buiten de deur) gaan, uit het huis gaan Foras exire

Iemand naar. buiten (= buiten de deur) zenden Foras mittere aliquem

Voor zijne dierbaarste bezittingen strijden Pro aris et focis pugnare, dimicare

Te huis; in het vaderland Domi (tgst. foris)

Aan de deur kloppen Ostium, fores pulsare

De deur openen, sluiten Ostium, fores aperire, claudere

De deur toegrendelen Fores obserare

De deur openbreken, wegrukken Ianuam effringere, revellere

B. Het huis dreigt in te vallen Domus ruina impendet / Domus collapsura (esse) videtur

(Ruina beteekeut instorting, val (ook overdrachtelijk b.v. ruina rei publicae = de val van den staat, ruinαε fortunarum = verlies van vermogen), in plur. ook = het puin (d.i. alles, wat daar verbrijzeld ligt). Maar hetgeen wij bouwvallen, ruïne noemen (d.i. de overeind staande overblijfselen der muren) zijn parietĭnae)

Het huis stortte plotseling in Domus subita ruina collapsa est

Een huis dat in slechten staat is (dat b.v. begint te vervallen, gescheurd is) herstellen Domum, quae vitium fecit, reficere

Op de straat In publico

Op straat komen of zich op straat vertoonen In publicum prodire

Niet in het openbaar verschijnen, niet op straat komen Publico carere, se abstinere / Domi se tenere

Iemand eershalve van diens huis af geleiden Deducere aliquem de domo

(Let bovendien op: deducere coloniam = kolonisten overvoeren, eene volkplanting stichten; deducere naves = van stapel laten loopen (tgst. subducere = op het land trekken); deducere adulescentes ad virum clarissimum = onder de leiding stellen van een groot staatsman; deducere aliquem de sententia = tot andere gedachten brengen; rem in eum locum deducere ut = iets daarheen weten te leiden; de capite deducere (tgst. addere) = van het kapitaal aftrekken; deducere aliquem = iemand uit de provincie met zich naar Rome voeren)

De deur (de poort) versperren, barricadeeren Valvas (portam) obstruere

2. HUISHOUDEN. VERMOGEN. BEZIT. EIGENDOM

A. De huiselijke zaken, de aangelegenheden of belangen van huis of huisgezin regelen, besturen,

behartigen, leiden, verzorgen Rem domesticam, familiarem administrare, regere, curare, tueri

Een groot vermogen bezitten Opibus, divitiis, bonis, facultatibus abundare

De huishouding goed (slecht) besturen, het vermogen goed beheeren Rem bene (male) gerere

De huishouding verwaarloozen, slecht huishouden Rem familiarem neglegere

Een oppassend, degelijk huisvader Diligens paterfamilias

Streng gezag over de zijnen oefenen Severum imperium in suos exercere

In het bezit van iets komen In possessionem alicuius rei venire

Iemand uit zijn huis, zijne bezittingen uitdrijven, verjagen Expellere aliquem domo, possessionibus

Roerende goederen Res quae moveri possunt; res moventes

Grondeigendom Fundi

B. Vermogen bezitten Rem of opes habere, bona possidere, in bonis esse

Huishoudelijk zijn Diligentem esse

Een bruikbaar slaaf Frugi (tgst. nequam) servus

(Frugi is een dativus (van den ongebruikelijken nom. frux), die adjectief geworden is. Vergelijk: bonae frugi esse = voor iets goed, dienstig zijn; ad bonam frugem se recipere = zich beteren, tot rede komen)

Zich iets gewelddadig toeëigenen, met geweld in bezit nemen In possessionem alicuius rei invadere

Iemand uit het bezit stooten, van het bezit berooven Deicere aliquem de possessione

Iemand van have en goed berooven Exturbare aliquem omnibus fortunis

Iemand uit huis en erf verjagen van alle goederen berooven Evertere aliquem bonis, fortunis patriis

Iemand het bezit eener zaak afstaan Possessione alicuius rei cedere alicui

3. WONING. KLEEDING

A. Zijne woonplaats ergens hebben, ergens woonachtig zijn Domicilium (sedem ac domicilium) habere in aliquo loco

Zijn woning ergens opslaan, zich metterwoon ergens vestigen Sedem collocare alicubi / Sedem ac domicilium (fortunas suas) constituere alicubi / Considĕre alicubi

Aan eene menigte op het land eene woonplaats aanwijzen Multitudinem in agris collocare

Den geboortegrond verlaten, uitwijken Domo emigrare

Geen heenkomen (geen vaderland en geen thuis) hebbend Domo profŭgus

Zich aankleeden Induere vestem (gewoonlijk zonder sibi) of se veste

Van kleederen (en schoenen) verwisselen Vestimenta (et calceos) mutare

Versleten, afgedragen kleederen Vestitus obsoletus, tritus

De mannelijke toga aandoen Togam virilem (puram) sumere

Dekkleed, sprei Vestis stragula of alleen vestis

B. Bij iemand wonen, gehuisvest zijn Habitare in domo alicuius, apud aliquem

(Men zegt niet habitare locum, slechts in het passief komt dit voor met den nominativus der plaats. Daarentegen wel incolere Asiam of met de praeposities cis, trans, inter, prope, circum. Dit laatste werkwoord wordt van eene samenwonende menigte, het eerste van afzonderlijke personen gebruikt)

Rouwkleederen aantrekken Vestem mutare (tgst. ad vestitum suum redire = de rouwkleederen afleggen)

Met lompen bedekt, schamel gekleed zijn Pannis obsĭtum (van obsĕro) esse

Met de toga (het wijde lange opperkleed), met het pallium (een Griekschen mantel) aan Togatus, palliatus

(Togatus is de Romeinsche burger 1) in tegenstelling van die geen Romein is, 2) in tegenstelling van soldaten (= het kleed in vredestijd), 3) in tegenstelling van tunicatus, dat in het bijzonder van de armere volksklasse gezegd werd, waarvan de gewone dracht de tunica (zonder toga) was (tunicatus popellus Horat, Epist. 1, 7, 65))

Met den veldheersmantel (paludamentum) met den soldatenmantel (sagum) om Paludatus, sagatus

Het kleed uittrekken Vestem ponere (exuere)

(Daarentegen vestem deponere, kleederen afleggen, om ze niet meer te gebruiken)

4. SPIJS. DRANK

A. Voedsel gebruiken Cibum sumere, capere

Een sterke eter zijn Multi cibi esse, edacem esse

Iemand spijs voorzetten Cibum apponere, ponere alicui

i) Zich verkwikken, zich te goed doen; 2) zich genezen Corpus curare (cibo, vivo, somno)

Zich van voedsel onthouden Cibo se abstinere

Vasten Ieiunium servare

Slechts zooveel eten en drinken als voldoende is Tantum cibi et potionis adhibere, quantum satis est

Een lekker beetje Cibus delicatus

Zwart, grof brood, gerstebrood Panis cibarius

Aan den drank overgegeven, verslaafd zijn Vino deditum esse, indulgere

Bovenmatig drinken, lustig bekeren Potare

Bij het drinken, bij het drinkgelag Inter pocula

Een beker ledigen Exhaurire poculum

B. Voedsel verteren, verduwen Cibum concoquere, conficere

Iemand te drinken geven Alicui bibere dare

Bij iemand schenker zijn Alicui bibere ministrare

Ik drink uwe gezondheid Propīno tibi hoc poculum, salutem

Op uw welzijn! op uw gezondheid! Bene tibi of te!

5. LEVENSONDERHOUD IN HET ALGEMEEN.

A. Het dagelijksch brood Victus cotidianus

Schrale kost Victus tenuis

De noodzakelijke levensbehoeften Res ad vitam necessariae / Quae ad victum pertinent

Van vleesch, van visch, van roof leven Vivere carne, piscibus, rapto

Van eigen middelen leven De suo (tgst. alieno) vivere

Karig, bekrompen leven Parce vivere

Goed, heerlijk leven Laute vivere

(Niet bene vivere, dat rechtschapen leven beteekent)

B. Hetgeen tot onderhoud en gemak des levens noodig is Res ad victum cultumque necessariae

In iemands onderhoud toereikend voorzien Omnes ad vitam copias suppeditare alicui

Wat voor levensonderhoud voldoende is Quae suppeditant ad victum

De middelen zijn voor de gewone uitgaven toereikend Copiae cotidianis sumptibus suppetunt (zie bladz. 36, noot 1)

Zijn onderhoud door iets verdienen, zich verschaffen Victum aliqua re quaerere

Ik heb geen middelen van bestaan Non habeo qui (unde) vivam

6. KOSTEN. VERKWISTING

A. Kosten voor iets maken Sumptum facere in aliquid

Verkwistende, dwaze uitgaven Sumptu effusi of profusi

Zijne uitgaven beperken Sumptibus modum statuere

Zich in overvloed baden Omnium rerum copia diffluere

Geld, zijn erfdeel verkwisten, verspillen Effundere, profundere pecuniam, patrimonium

Zijn vermogen doorbrengen Dissipare rem familiarem suam / Lacerare bona sua

B. Weinig kosten maken Sumptui parcere

Gewone uitgaven Sumptus perpetui

Uitgaven door de welvoeglijkheid gevorderd Sumptus liberales

Weekelijk en weelderig leven Delicate ac molliter vivere

7. GASTMAAL. GASTVRIJHEID.

A. Een gastmaal aanrechten Convivium instruere, apparare, ornare (magnifice, splendide)

De tafels met keur van spijzen bezetten Mensas exquisitissimis epulis instruere, exstruere

Een rijk voorziene tafel Mensae exstructae

Het hoofdgerecht, de hoofdschotel Caput cenae

Het nagerecht Secunda mensa

Van het begin tot het einde Ab ovo usque ad mala (spreekw.)

Iemand te gast nooden of noodigen Aliquem vocare, invitare ad cenam

Gastmalen, die reeds vroeg beginnen Convivia tempestiva

Iemand (feestelijk enz.) ontvangen, onthalen Accipere aliquem (bene, copiose, laute, eleganter, regio apparatu, apparatis epulis)

Ik ben iemands gastvriend Mihi cum aliquo hospitium est, intercedit

Iemands gastvrijheid genieten Hospitio alicuius uti

Iemand gastvrij (ten zijnent) opnemen Hospitio aliquem accipere of recipere (domum ad se)

Het huis staat gastvrij voor iemand open Domus patet, aperta est alicui

B. Eene uitnoodiging aannemen of zijn woord geven Promittere ad cenam, ad aliquem

Zich bij iemand te gast noodigen Condicere alicui (ad cenam)

Iemand aan tafel noodigen, nemen Adhibere aliquem cenae of ad cenam, convivio of in convivium

Iemand een maaltijd voorzetten Cenam alicui apponere

Bij iemand te gast komen Deverti ad aliquem (ad [in] villam)

Bij iemand te gast zijn, in iemands huis als gast vertoeven Deversari apud aliquem

Iemand ten zijnent verzoeken, uitnoodigen Invitare aliquem tecto ac domo of domum suam

Zich met iemand door den band der gasttrouw verbinden Hospitium cum aliquo facere (con)iungere

De gastvriendschap (= de verbintenis tot gasttrouw) opzeggen Hospitium renuntiare

8. GEZELSCHAP. OMGANG. VERKEER. EENZAAMHEID

A. Met iemand vertrouwelijk omgaan Uti aliquo (familiariter) / Alicuius familiaritate uti

Den omgang met de menschen vermijden Hominum coetus, congressus fugere

In de eenzaamheid leven In solitudine vivere

Een eenzaam leven leiden Vitam solitariam agere

Met iemand in onmin zijn, in gespannen verhouding staan In simultate esse cum aliquo

B. Het gezellig, het maatschappelijk leven Vitae societas

(Het adiect. socialis, in de beteekenis "gezellig, maatschappelijk" komt eerst bij latere schrijvers voor)

De slag, de ware trant, de juiste toon om met iedereen om te gaan; een gezellig, aangenaam karakter Facilitas, faciles mores

De verspreid levende menschen tot _een maatschappelijk leven vereenigen Dissipatos homines in (ad) societatem vitae convocare

Eene overeenkomst (tot onderlinge samenwerking b.v. een vennootschap) met iemand sluiten, aan-

gaan Societatem inire, facere cum aliquo

Zich als deelgenoot, vennoot, medewerker, bondgenoot bij iemand aansluiten. Socium se adiungere alicui

Iemand als deelgenoot, vennoot, bondgenoot toelaten Aliquem socium admittere

Altijd in iemands gezelschap zijn Assiduum esse cum aliquo

Met iemand omgang hebben, verkeeren Usu, consuetudine coniunctum esse cum aliquo / Est mihi consuetudo of usus cum aliquo / Vivere cum aliquo

Wij gaan vele jaren met elkander om Vetus usus inter nos intercedit

Iemand door zijn omgang aan zich hechten Devincire aliquem consuetudine

In gemeenzaam verkeer met iemand treden, zich op vertrouwelijken voet met iemand stellen Se dare in consuetudinem alicuius

Op fijne manier iemands vertrouwelijkheid zoeken, zich bij iemand op een witten voet weten te stellen Se insinuare in consuetudinem alicuius

In nauwe betrekking tot iemand staan Summa necessitudine aliquem contingere

Voor zichzelven leven Secum vivere

9. GESPREK. AUDIENTIE. ONDERHOUD.

A. Een gesprek met iemand aan knoopen Sermonem conferre, instituere, ordiri cum aliquo (niet conserere!)

Het gesprek op iets brengen Sermonem inferre de aliqua re

Het gesprek valt op iets Sermo incidit de aliqua re

Een gesprek beginnen In sermonem ingredi

Een gesprek begint met iets Sermo oritur ab aliqua re

Het gesprek op iets anders brengen Sermonem alio transferre

Midden in het gesprek, in het midden van het gesprek afbreken Medium sermonem abrumpere

Een gesprek rekken, voortzetten (tot laat in den nacht) Sermonem producere (b.v. in multam noctem)

Een onderhoud hebben, een gesprek met iemand over iets voeren Sermonem habere cum aliquo de aliqua re

Het gesprek ontspon zich daaruit, werd daardoor ingeleid Hinc sermo ductus est / Sermo inductus a tali exordio

Een lang gesprek Multus sermo

Verhaal of vertelling, vertelsel Narratio, fabula

De anekdote, het sprookje Narratiuncula, fabella

Deze fabel leert ons Haec fabula docet (niet nos!)

Iemand, dien men wil spreken, (toevallig) ontmoeten; bij iemand komen om hem te spreken Convenire aliquem

(Met voordacht) met iemand eene samenkomst hebben Congredi cum aliquo

De taal van het dagelijksch leven Sermo cotidianus, ook enkel sermo

Persoonlijk spreken Coram loqui (cum aliquo)

Zonder getuigen of onder vier oogen Remotis arbitris of secreto

Binnen de vier muren (tgst. in het openbaar) Intra parietes

B. Op een gesprek komen, in een gesprek geraken, dat... In eum sermonem incidere, qui...

Iemand een gehoor of audiëntie geven, toestaan Suī potestaten facere, praebere alicui / Colloquendi copiam facere, dare / Conveniendi aditum dare alicui

(Hiervoor mag men audientia niet gebruiken, omdat dit woord slechts in de zegswijze audientiam facere alicui of orationi alicuius = iemand gehoor verschaffen, voorkomt)

Gehoor vragen bij iemand, iemand om gehoor vragen, om een gehoor verzoeken Aditum conveniendi of colloquium petere

(Colloquium is een gevraagd of toegestaan onderhoud in den zin van onderhandeling)

Gehoor verkrijgen bij iemand (Ad colloquium) admitti / In congressum alicuius venire

Iemand wenschen te spreken Velle aliquem

Slechts een paar woorden! Paucis te volo / Tribus verbis te volo.

Gedachtenwisseling Commercium loquendi et audiendi

De hoofden bij elkander of bijeen steken Capita conferre

10. GROET. VAARWEL. GELUKWENSCH

A. Iemand groeten Salutem alicui dicere, impertire, nuntiare

Cicero groet Atticus hartelijk Cicero Attico S. D. P. (salutem dicit plurimam)

U mijn hartelijken groet Tibi plurimam salutem

Na wederzijdsche begroeting Salute data (accepta) redditaque

Elkander groeten Inter se consalutare

Iemand de hand reiken, geven Dextram alicui porrigere, dare

Elkander de hand geven Dextram iungere cum aliquo, dextras inter se iungere

Vaarwel! Vale of cura ut valeas

Goede reis! Bene ambula!

Iemand met iets gelukwenschen Gratulari alicui aliquid of de aliqua re

B. Hoe gaat het u? hoe vaart gij ? hoe maakt gij het? Quid agis?

(Quid agis? heeft ook de beteekenis: wat hebt gij voor? (met verbazing))

Hoe gaat het? Quid agitur? quid fit?

Groet uw broeder mijnentwege Nuntia fratri tuo salutem verbis meis

De groeten aan iemand (in een brief) er bijvoegen; iemand (in den brief van een ander) laten groeten Adscribere alicui salutem

Iemand groeten Aliquem salvere iubere

Ik zeg u vaarwel, neem afscheid van u Te valere iubeo

(Valeducere alicui is dichterlijk)

11. VERLOVING. HUWELIJK. ECHTSCHEIDING

B. Zijne dochter aan iemand verloven Filiam alicui despondere

Zich met iemand verloven (van den man Sibi aliquam despondere

Een huwelijk tot stand brengen Nuptias conciliare

De bruiloft bereiden, gereedmaken Nuptias parare

Eene partij Conditio (uxoria)

Huwen (van den man) Ducere uxorem / Ducere aliquam in matrimonium

Huwen (van de vrouw) Nubere alicui

Met iemand gehuwd zijn Nuptam esse cum aliquo of alicui

Gehuwd zijn Uxorem habere

Aan eene dochter een bruidschat, uitzet geven Dotem filiae dare

Zijne dochter aan iemand ten huwelijk geven, uithuwen Filiam alicui in matrimonio of in matrimonium collocare- of alleen filiam alicui collocare / Filiam alicui in matrimonium dare / Filiam alicui nuptum dare

Scheiden (de vrouw van den man of omgekeerd) Nuntium remittere alicui / Repudium dicere of scribere alicui

Scheiden (de man van de. vrouw) Divortium facere cum uxore / Aliquam suas res sibi habere iubere

(Habere aliquid sibi beteekent: iets voor zich behouden. Vandaar de bovenstaande formule van echtscheiding. Onverdrachtelijk zegt men ook schertsend: tuas res tibi habeto = pak je weg, (ons huwelijk is ontbonden))

Scheiden (de. vrouw van den man) Repudium remittere viro

12. TESTAMENT. ERFENIS

A. Een testament maken Testamentum facere, conscribere

Een testament verzegelen Testamentum obsignare

Een testament openen, ontzegelen Testamentum resignare

Een testament ongeldig verklaren Testamentum rescindere

Iemand bij testament tot erfgenaam benoemen Aliquem heredem testamento scribere, facere

Iemands erfgenaam zijn Heredem esse alicui

Iets erven Hereditate aliquid accipere

Iets is (als erfgoed) door iemand nagelaten Hereditate aliquid relictum est ab aliquo

Mij valt van iemand eene erfenis ten deel Hereditas ad me of mihi venit ab aliquo

B. Een testament onderschuiven Testamentum subicere, supponere

Een testament vernietigen Testamentum irritum facere, rumpere

Iets in het testament vaststellen, bepalen Testamento aliquid cavere

Iemand bij testament geld vermaken Pecuniam alicui legare

De uiterste wil of wilsbeschikking van een overledene Alicuius mortui voluntas (suprema)

Eenen boedel, de nalatenschap aanvaarden Hereditatem adire, cernere

Algemeen of algeheel erfgenaam Heres ex asse

13. GEWOONTE. GEBRUIK

A. Aan iets gewend, gewoon Assuefactus of assuetus aliqua re

(Te onderscheiden zijn assuescere = zich gewoon maken, en assuefacere aliquem = iemand gewoon maken)

Gewoonte worden, in gebruik of zwang komen In consuetudinem of morem venire

Een gebruik bij ons invoeren, in zwang brengen In nostros mores inducere aliquid

Bij zijne gewoonte blijven, zich aan zijne gewoonte houden Consuetudinem suam tenere, retinere, servare

Een gewoonte schiet wortel Consuetudo inveterascit

Iets raakt in onbruik, komt uit de mode Res obsolescit

Van eene oude gewoonte afwijken, haar verloochenen A vetere consuetudine discedere / A pristina consuetudine deflectere

Tot de oude gewoonte van iets terugkeeren In pristinain consuetudinem revocare aliquid

Het is mijne gewoonte Aliquid est meae consueludinis / Aliquid cadit in meam consuetudinem

Het is een gebruik, dat Mos (moris) est ut

't Is een aangenomen gebruik, gebruikelijk More, usu receptum est

Gelijk of zooals het gewoonlijk gaat Ut fit, ita ut fit, ut fere fit / Ut solet, ut fieri solet

Het gebruik brengt het zoo mede Ita fert consuetudo

Naar de zeden en gewoonten onzer vaderen, naar voorvaderlijk gebruik More institutoque maiorum

Volgens herkomstig gebruik Ex instituto

VII. Handel. Bouw

1. HANDEL IN HET ALGEMEEN. KOOPEN. KOSTEN

A. Groothandel drijven Mercaturam facere

Geld verdienen Quaestum facere

In- en uitvoerartikelen Res quae importantur et exportantur

Waren (te koop) uitstallen Exponere, proponere merces (venales)

Voor geringen, lagen prijs of goedkoop koopen Parvo, vili pretio of bene emere

Duur koopen Magno of male emere

Iets kost veel, weinig Aliquid magno, parvo stat, constat

Iets kost niets Aliquid nihilo of gratis constat

Een prijs voor iets vaststellen, bepalen Pretium alicui rei statuere, constituere

(Daarentegen waarde aan iets hechten = tribuere aliquid alicui rei)

B. Kooplieden, handelaars Homines negotii (altijd in sing.) gerentes.

Goede handelaars Negotii bene gerentes

Zijne zaken waarnemen, eene zaak uitvoeren Negotium obire of exsequi

Een zaak tot stand brengen, afdoen Negotium (rem) conficere, absolvere

Zaken doen op Sicilië (in waren of in geld) Negotia habere in Sicilia

Handelsbetrekking met iemand aanknoopen Contrahere rem of negotium cum aliquo

Iets met iemand afmaken, in der minne schikken Transigere aliquid (de aliqua re) cum aliquo of inter se

Geen zaken met iemand willen doen Nihil cum aliquo contrahere

Iets als eene geldwinning aanzien, beschouwen als goed om er geld uit te slaan Quaestui aliquid habere

3. GELD. RENTE. LEENING

A. Veel geld Pecunia magna, grandis (multum pecuniae)

Groote geldsommen, vele gelden Magnae, multae pecuniae

Weinig geld Pecunia exigua, tenuis

Een geldstuk Nummus (niet pecunia!)

Klinkende munt, baar of gereed geld Pecunia praesens (zie bl. 54 noot 2) of numerata

Munt of geslagen geld Aes (argentum) signatum

Geld uitgeven (voor de vloot) Pecuniam erogare (in classem)

Geld aan iets besteden Pecuniam insumere in aliquid of consumere in aliqua re

Iemand in gereed geld betalen, geld in klinkende munt neertellen Pecuniam numerare alicui

Geld betalen Pecuniam solvere

Iemand geld schuldig zijn Pecuniam alicui debere

Iemand geld te leen geven (zonder rente) Pecuniam alicui credere (sine fenore, usuris)

Geld tegen (hooge) rente geven, opnemen Pecuniam (gravi) fenori (fenore) alicui dare, accipere ab aliquo

Geld van iemand leenen Pecuniam mutuari of sumere mutuam ab aliquo

Iemand geld leenen Pecuniam alicui mutuam dare

Geleend geld teruggeven, terugbetalen Pecuniam creditam solvere

Niet kunnen betalen Non solvendo esse

Geld invorderen (met hardvochtigheid) Pecuniam exigere (acerbe)

Veel geld van iets trekken (b.v. van de mijnen) Magnas pecunias ex aliqua re (b.v. ex metallis) facere

B. Bewerkt zilver, zilverwerk Argentum (factum)

Valsch geld Nummi adulterini

Geld op rente zetten, plaatsen, geld beleggen Pecuniam fenore occupare

Geld in iets steken Pecuniam collocare in aliqua re

Het geld ligt renteloos Pecunia iacet otiosa

De koers is ongestadig Nummus iactatur

Eene leening aangaan, sluiten Versuram facere

Voor vuil, onrechtvaardig geld Nummulis acceptis

3. GELDZAKEN. REKENING. REKENSCHAP.

B. Het geldwezen (d.i. van den staat); de geldzaak Res nummaria of pecuniaria

De toestand der geldzaken Ratio pecuniarum

Geldwisselaar, bankier zijn Argentariam facere

Het boek van ontvangst en uitgaaf, schuldboek, grootboek Codex of tabulae excepti et expensi

Schulden, posten boeken Nomina facere of in tabulas referre

Het geld staat uit Pecunia in nominibus est

Geld hebben uitstaan Pecuniam in nominibus habere

Iemand iets (als door ons betaald) in rekening brengen of het op iemands rekening zetten Alicui expensum ferre aliquid

Iets in ontvangst brengen, als voldaan onderteekenen Alicui acceptum referre aliquid

(Ook figuurlijk in den zin van (iets goeds of kwaads) op iemands rekening stellen, iemand iets te danken hebben, b.v. quod vivo, tibi acceptum refero)

Iets berekenen, uitcijferen, overslaan of ramen, de rekening opmaken Rationem alicuius rei inire, subducere / Ad calculos vocare aliquid

Met iemand afrekenen Rationes putare cum aliquo

(Putare is rekenen, berekenen. In overdrachtelijken zin is het = meenen, gelooven, d.i. aannemen of vermoeden, dat iets uitkomt, gelijk men het berekend heeft)

De rekening van iets sluit, komt uit Ratio alicuius rei constat, convenit, par est

De rekening van ontvangst en uitgaaf Ratio acceptorum et datorum (accepti et expensi)

Het boek (dagboek, lijst, register) zorgvuldig houden, bijhouden, bijschrijven Rationem diligenter conficere

Het geheel bedrag opmaken Summam facere alicuius rei

Iets van het kapitaal aftrekken De capite deducere (zie bl. 70 noot) aliquid

Rekening en verantwoording geven; rekenschap van iets geven Rationem alicuius rei reddere

Van iemand rekenschap over iets vorderen Rationem alicuius rei reposcere aliquem of ab aliquo / Rationem ab aliquo repetere de aliqua re

4. WINST. KREDIET. SCHULD.

A. Voordeel trekken van, winst doen met iets Lucrum facere (tgst. damnum facere) ex aliqua re

De schuldenaar Debitor of is qui debet

De schuldeischer Creditor of is cui debeo

In schulden geraken Incidere in aes alienum (altijd in sing.)

Schulden hebben Aes alienum habere / In aere alieno esse

Diep, tot over de ooren in schulden steken Aere alieno obrŭtum, demersum esse

Onder schulden gebukt gaan, drukkende schulden hebben Aere alieno oppressum esse

B. Iets als winst beschouwen In lucro ponere aliquid

Krediet en geldzaken Fides et ratio pecuniarum

Het krediet daalt, neemt af Fides concidit

Iemands krediet schaden, het hem ontnemen Fidem derogare alicui

Iemands krediet begint te dalen Fides aliquem deficere coepit

Het krediet is verdwenen Fides (de foro) sublata est

Het krediet aan het wankelen brengen, ondermijnen Fidem moliri

In geldverlegenheid zijn, verkeeren Laborare de pecunia

In de grootste geldverlegenheid zijn In summa difficultate nummaria versari

In de grootste geldverlegenheid komen In maximas angustias (pecuniae) adduci

Schulden maken, zich in schulden steken Aes alienum facere, contrahere

Groote schulden maken Grande, magnum (tgst. exiguum) aes alienum conflare

Geene schulden hebben In suis nummis versari

Zijne schulden betalen, afdoen Aes alienum dissolvere, exsolvere / Nomina solvere, dissolvere, exsolvere

Schulden invorderen Nomina exigere

Vrij van schulden worden Ex aere alieno exire / Aere alieno liberari

Oude schulden door nieuwe dekken Versurā solvere, dissolvere

5. GEBOUWEN

A. Een gebouw optrekken, een gedenkteeken oprichten Extruere aedificium, monumentum

Den grondslag leggen Fundamenta iacĕre, agere

Een toren bouwen Turrim excitare, erigere, facere

Eene stad bouwen, stichten Oppidum constituere, condere

Eene brug over de rivier leggen, slaan Pontem facere in flumine / Flumen ponte iungere

Er ligt eene brug over de rivier Pons est in flumine

Eene brug afbreken Pontem dissolvere, rescindere, interscindere

B. Een werk, een gebouw aanbesteden Opus locare

Een werk, een gebouw aannemen Opus redimere, conducere

Het bouwen van een huis aanbesteden, aannemen Domum aedificandam locare, conducere

Bouwlustig, bouwziek zijn Aedificatorem esse

Iemands licht betimmeren, hem het uitzicht benemen; iemands glorie verduisteren Luminibus alicuius obstruere, officere.

6. LANDBOUW. VEETEELT.

A. Den akker bebouwen Agrum colere

Vruchtbare akkers, landerijen onbebouwd, braak laten liggen Agros fertiles deserere

Zich op den landbouw toeleggen Agriculturae studere (tgst. agriculturam deserere)

Op het land werken, veldarbeid verrichten Opus facere

De veldarbeid Opus rusticum

Op het platteland wonen In agris esse, habitare

Zaaien Serere, semen spargere

Het zaad op den akker strooien Sementem facere

Zooals gij zaait, zult gij maaien = gij zult loon naar werken krijgen Ut sementem feceris, ita metes (spreekw.)

Lachende (graan)velden Laetae segetes

Een pracht van bloemen Laetissimi flores

Oogsten Messem facere / Fructus demetere of percipere

De vruchten inzamelen, bergen Fructus condere

Een goede, rijke oogst Messis opima (tgst. ingrata)

Boomen planten Arbores serere

Boomen vellen, omhakken Arbores caedere

Gebrek aan graan, koren Inopia (tgst. copia) rei frumentariae / Difficultas annonae

De graanprijzen stijgen Annona ingravescit

De graanprijzen dalen Annona laxatur, levatur, vilior fit.

De duurte van het graan Caritas annonae (tgst. vilitas) ook alleen annona

Het graan, de levensmiddelen zijn duur Annona cara est

In dezen duren tijd Hac annona

Zich op de veeteelt toeleggen Rem pecuariam facere, exercere

Naar de weide brengen, drijven Pastum agere

Naar de weide gaan Pastum ire

De kudde weiden = laten grazen Pascere gregem

De kudden weiden = grazen Greges pascuntur

(Pascere en pasci ook figuurlijk; zie bl. 33 bij oculi)

Paarden, honden houden Alere equos, canes

B. De geuren door de bloemen uitgeademd Odores, qui efflantur e floribus

De oogst staat in de halmen Messis in herbis est

Gij zijt nog ver van uw wensch Adhuc tua messis in herba est (spreekw.)

VIII. Het krijgswezen (Dit valt geheel onder A)

I. WERVING. KRIJGSEED. LEGER IN HET ALGEMEEN

De leeftijd voor den krijgsdienst geschikt Aetas militaris

(De dienstplichtigheid begon met 17 jaar, .en duurde voor de equites tot het 45ste, voor de pedites tot het 50ste jaar)

Weerbare, strijdbare mannen Qui arma ferre possunt of iuventus

Die om hunne jaren ongeschikt zijn voor den krijgsdienst Qui per aetatem arma ferre non possunt

Een leger op de been brengen Exercitum conficere

Troepen werven, lichten Milites (exercitum) scribere, conscribere / Dilectum habere

Aan de steden bevelen soldaten te leveren, op te brengen Imperare milites civitatibus

Zich voor den krijgsdienst laten opschrijven, aanmelden, aanbieden Nomen (nomina) dare

Dienst nemen Militiam (slechts in sing.) capessere

Zich aan den dienst trachten te onttrekken Militiam detrectare

Zich wegens ziekte verontschuldigen Excusare morbum

Vrijstelling van dienst hebben, vrij van den dienst zijn Militiae vacationem habere

Te paard dienen Equo merere

Den krijgseed (bij het vaandel) afleggen, zweren Sacramentum (o) dicere

De soldaten den krijgseed laten afleggen, zweren Milites sacramento rogare, adigere

Van alle kanten troepen oproepen Evocare undique copias

De vrijwilligers Evocati, voluntarii

(Evocati zijn oudgedienden, die bij het uitbreken van den oorlog wederom onder het vaandel geroepen worden. Zij, wier goede diensten voorheen met landerijen enz. beloond waren (beneficiarii) zagen zich verplicht andermaal in dienst te treden; aan de overige (voluntarii) stond dit vrij)

Allen te wapen roepen Omnes ad arma convocare

Twee legioenen vormen Efficere duas legiones

De legioenen voltallig maken Complere legiones

(Een legio telde in Caesars tijd 3000 tot 3600 man, deels voetvolk, deels paardenvolk. Het voetvolk was verdeeld in 10 cohorten van 300-360 man, elke cohors in 3 manipuli van 100-120 man, elke manipulus in 2 centuriae van 50-60 man. De 300 ruiters bij het legioen gevoegd, waren in 3 turmae verdeeld en elke turma wederom in 3 decuriones)

Aanvullingstroepen bijeenbrengen, verzamelen, bijeentrekken Supplementum cogere

Hulptroepen ontbieden, laten komen Auxilia arcessere

(Deze hulptroepen, veelal in de provinciën geworven, waren lichtgewapenden, vooral slingeraars (funditores) en boogschutters (sagittarii). Hunne taak was het onder anderen den strijd te openen, en met de ruiterij den verslagen vijand te vervolgen)

Zich met iemand vereenigen Copias (arma) cum aliquo iungere of se cum aliquo iungere

De troepen samentrekken, vereenigen Conducere, contrahere copias

Alle troepen op één punt samentrekken Cogere omnes copias in unum locum

Een leger, troepen uitrusten Parare exercitum, copias

Een leger onderhouden Alere exercitum

Het leger monsteren Recensere, lustrare, recognoscere exercitum

Het leger afdanken, uit den dienst ontslaan Dimittere exercitum

Verlof geven aan de soldaten Commeatum militibus dare (tgst. petere)

Een groote troepenmacht, veel troepen Magnae copiae (niet multae!)

Weinig troepen Exiguae copiae

Een talrijk leger Ingens, maximus exercitus (niet numerosus!)

De kern van het voetvolk Robora peditum

Lichtgewapende soldaten Milites levis armaturae

Een oud (in dienst vergrijsd) soldaat Vetus miles, veteranus miles

De slagvaardige soldaat (d.i. ontdaan van de hinderlijke pakkage) Expeditus (tgst. impeditus) miles

In de wapenen geoefend Exercitatus in armis

Soldaten in der haast bijeengebracht (tgst. geregelde troepen) Milites tumultuarii (tgst. exercitus iustus)

(Tumultus is elk plotseling dreigend krijgsgevaar, waarbij de geheele stad in de wapenen werd geroepen. Daarom heette een strijd met zulke ongeoefende soldaten tumultuari in tegenstelling van belligerare (dit laatste alleen in hoogeren stijl))

2. SOLDIJ. KRIJGSDIENST. PROVIAND

Soldij aan de troepen uitbetalen Stipendium dare, numerare, persolvere militibus

(De soldij van een gewoon soldaat bedroeg 2 obolen (= 16 cent) daags, van een centurio 4, van een eques, indien hij zijn eigen paard had, 6 (= 1 drachme). Deze soldij werd door Caesar verdubbeld, en alle 4 maanden uitgekeerd)

In het leger dienen (of enkel dienen), onder dienst zijn Stipendia facere, merere

Na voleindigden dienst Emeritis stipendiis

Uitgediend hebben Militia functum, perfunctum esse / Rude donatum esse

(Oorspronkelijk van zwaardvechters, die tot teeken van volslagen vrijstelling of van verworven meesterschap een schermstok (= rudis) ontvingen)

Huurtroepen, leger van huurlingen. Milites mercennarii of exercitus conducticius

Voor de proviand, levensmiddelen zorgen Rem frumentariam comparare, providere / Rei frumentariae prospicere

Graan voor het leger opdoen Frumentum providere exercitui

Een groote hoeveelheid graan aan schaffen Frumenti vim maximam comparare

Den toevoer van levensmidden afsnijden Intercludere commeatum

Aan de vijanden den toevoer afsnijden Intercludere hostes commeatu

(Daarentegen intercludere hostibus itinera, vias, den vijand de wegen, alle passen afsnijden)

3. OPPERBEVEL. COMMANDO. TUCHT

Iemand aan het hoofd van het leger plaatsen, iemand het commando of opperbevel toevertrouwen Praeficere aliquem exercitui

Iemand tot krijgsbevelhebber aanstellen Praeficere aliquem bello gerendo

Aan de spits van het leger staan Praeesse exercitui

Zeer ervaren zijn in het krijgswezen Magnum usum in re militari habere

Onervaren, onbedreven in oorlogszaken zijn Rei militaris rudem esse

De held Vir fortissimus

Heldendaden verrichten Magnas res gerere

Eene roemrijke krijgsdaad, een heldenfeit Res bene gesta

Krijgsdaden Res gestae

De opperste leiding van den oorlog, het opperbevel Summa belli, imperii

Het opperbevel hebben Cum imperio esse

Het opperbevel voeren Imperii summam tenere / Imperii summae praeesse

Iemand het opperbevel opdragen Imperii summam deferre alicui of ad aliquem, tradere alicui

Het commando gaat op iemand over Imperium transfertur ad aliquem (niet transit!)

Iemand het opperbevel ontnemen, een veldheer afzetten Imperium alicui abrogare

De gehoorzaamheid aan de krijgstucht, ondergeschiktheid Modestia (tgst. immodestia).

(Modestia (van modus) is oorspronkelijk het maat houden; derhalve is het 1) bescheidenheid, gematigdheid (tgst. aanmatiging); 2) zelfbeheersching, in 't algemeen zedelijkheid (verg. σωφροσύνη); 3) in den soldaat bestaat het houden der ware maat in de gehoorzaamheid aan de krijgstucht)

Iemand op het woord gehoorzamen Dicto audientem esse alicui

De soldaten in tucht houden Milites disciplina coërcere

4. WAPENEN

Naar de wapenen grijpen, de wapenen opnemen Arma capere, sumere

Zich gereedmaken tot den strijd, de wapenen gereedmaken Arma expedire

Den helm opzetten Galeam induere

Iemand ontwapenen Armis (castris) exuere aliquem

De wapenen afleggen, nederleggen Arma ponere, deponere

De wapenen nederleggen Ab armis discedere

Onder de wapenen staan In armis esse

Wapenen dragen Cum telo esse

Iemand de wapenenen uit de handen wringen Extorquere arma e manibus

Het komt tot een gevecht Res ad arma venit

Pijlen, speren, slingersteenen (alles waarmede men aanvalt) werpen, slingeren. Tela iacĕre, conicere, mittere

Buiten schot zijn Extra teli iactum, coniectum esse

Naderen tot den afstand, waarop het schot kan treffen, tot op schootsverte naderen; onder schot komen Ad teli coniectum venire

Zich aan de pijlen enz. blootstellen Se obicere telis

Uit de verte van lansen, dichtbij van zwaarden gebruik maken Eminus hastis, comminus gladiis uti

Het zwaard uit de scheede trekken Gladium educere (e vagina)

Het zwaard in de scheede steken Gladium in vaginam recondere

Het zwaard trekken Gladium stringere, destringere

Iemand het zwaard in de borst stooten Gladium alicui in pectus defigere

Iemand met het zwaard de borst doorboren Gladio aliquem per pectus transfigere

Iemand den dolk, het mes in het hart stooten Sicam, cultrum in corde alicuius defigere

(Defigere ook overdrachtelijk, b.v. defigere omnes curas, cogitationes in rei publicae salute; = alle zorg aanwenden tot, alle aandacht vestigen op het heil van den staat; mens humi defixa est = de geest is zonder verheffing)

Militaire oefeningen houden, manoeuvreeren Decurrere (in armis)

Door kracht van wapenen Vi et armis

5. DE OORLOG

Zich tot den oorlog uitrusten Bellum parare

Toerusting, toebereidselen, aanstalten tot den oorlog Apparatus (slechts in sing.) belli

Den oorlog (officieel) verklaren Bellum indīcere, denuntiare (niet declarare!)

(Maar indĭcare aliquid alicui, iemand iets aantoonen, bekend maken, verraden)

Voldoening eischen Res repetere (ab aliquo)

Voldoening, genoegdoening geven Res reddere (alicui)

Een geregelde, wettige oorlog Bellum iustum (pium)

Een binnenlandsche, inlandsche oorlog Bellum intestinum, domesticum (tgst. bellum externum)

Een oorlog verwekken Bellum facere, movere, excitare

Een oorlog doen ontbranden Bellum conflare

Oorlog voorhebben Bellum moliri

Den veldtocht openen, de vijandelijkheden beginnen Bellum incipere, belli initium facere

Zich mengen in een oorlog (tusschen anderen) Bello se interponere

In een oorlog verwikkeld worden Bello implicari

Den oorlog met iemand beginnen Bellum cum aliquo inire

De oorlog dreigt, is ophanden Bellum impendet, imminet

De oorlog breekt uit, barst uit Bellum oritur, exardescit

Overal zwaait men de oorlogs-, de krijgsfakkel, de oorlogstoorts Omnia bello flagrant of ardent

Met iemand oorlog voeren Bellum gerere cum aliquo

Den oorlog gemeenschappelijk voeren Bellum coniungere

Den oorlog rekken Bellum ducere, trahere, extrahere

Den oorlog met kracht voeren Omni studio in (ad) bellum incumbere

Iemand den oorlog aandoen Bellum inferre alicui

Een aanvallenden (offensieven) oorlog voeren Bellum of arma ultro inferre

Een verdedigenden (defensieven) oorlog voeren Bellum (inlatum) defendere

Ten oorlog of naar den oorlog gaan, te velde trekken Proficisci ad bellum (niet in)

(Maar proficisci in pugnam, in proelium, ad of contra hostem)

Naar den oorlog zenden Mittere ad bellum

Het opperbevel van den oorlog hebben, den oorlog leiden Bellum administrare

Tegen iemand oorlog voeren iemand beoorlogen Bello persequi aliquem

Een einde aan den oorlog maken Belli finem facere

Den oorlog ten einde brengen (door de kracht der wapenen en de nederlaag der tegenstanders) Bellum conficere

Den oorlog eindigen (door minnelijke schikking) Bellum componere

Het oorlogstooneel verplaatsen Bellum transferre alio, in...

Het oorlogstooneel Belli sedes

6. HET LEGER OP MARSCH

De voorhoede Agmen primum

De achterhoede Agmen novissimum (extremum)

De achterhoede uitmaken of vormen, den trein sluiten Agmen claudere

Opbreken Signa ferre, tollere / (Castra) movere

Het leger laten opmarcheeren Agmen agere

Met het leger voortrukken Procedere cum exercitu

Met geforceerde marschen Magnis itineribus

Met stormmarschen Quam maximis itineribus (potest)

Het leger met gezwinde marschen voeren Citatum agmen rapere / Raptim agmen ducere

Met versnelden, gezwinden pas voorttrekken Citato gradu incedere (zie ook bl. 23 n°. 6)

Het terrein verkennen Loca, regiones, loci naturam explorare

Marcheeren Iter facere

Een weg afleggen Iter conficere

Den marsch verhaasten, sneller aanmarcheeren Iter maturare, accelerare

Den marsch onafgebroken voortzetten Iter continuare

Zonder ophouden voortmarcheeren Iter non intermittere

Van den weg afslaan, een anderen weg inslaan, eene zwenking maken Iter flectere, convertere, avertere / Signa convertere

Zich van - naar - wenden Averso itinere contendere in -

Zich met geweld een doortocht trachten te banen Iter tentare per vim (zie ook bl..20)

Met het leger naar beneden rukken, van de hoogte af naar - rukken Agmen, exercitum demittere in -

Het leger laten aanrukken op - Exercitum admovere, adducere ad

Het vaandel volgen Signa sequi (tgst. a signis discedere, signa relinquere)

In het gelid en in de rangen blijven Ordines servare

In gesloten (tgst. wijde) gelederen, zonder orde Confertis (tgst. raris), solutis ordinibus

De gelederen in verwarring brengen, er door breken Ordines turbare, perrumpere

In gesloten gelederen voortrukken Agmine quadrato incedere, ire

(Agmen quadratum. Voorop trokken naast elkander 3 kolonnen (= langwerpige vierkanten met gering front en diepte). Zij werden gevolgd door de bagage, waarachter wederom 3 kolonnen. De beide flanken werden gedekt door eene 3de en 4de legerafdeeling, in schuinsche slagorde zoodanig opgesteld, dat het geheele leger veel geleek op een parallellogram, en dus naar vier zijden front kon maken)

In twee, drie kolonnen Agmine dupllci, triplici

De achterhoede van nabij vervolgen, in 't nauw brengen, op de hielen zitten Novissimos premere

De achterhoede in verwarring brengen Novissimos turbare

De achterhoede verontrusten, afbreuk doen Novissimos carpere

De achterhoede dekken Novissimis praesidio esse

Den vijand (onverhoeds, onverwachts) overrompelen Opprimere hostes (imprudentes, inopinantes)

Halt maken Subsistere, consistere / Gradum sistere

Eene plaats bezetten Capere, occupare locum

De hoogten bezetten Occupare loca superiora

Eene plaats reeds vooraf bezetten Praeoccupare locum

Een berg bezet houden Tenere montem

Op een berg post vatten Consistere in monte

Aan den voet van den berg eene stelling innemen, zich legeren Considĕre sub monte (sub montis radicibus)

Eene bezetting in eene stad leggen Praesidium collocare in urbe

Posten, wachtposten (van afstand tot afstand in verschillende richtingen) uitzetten Praesidium, custodias disponere

7. DE LEGERPLAATS

Eene legerplaats, waarin men lang verblijft, een vast kamp Castra stativa

Het winterkwartier, de zomerlegerplaats Castra hiberna, aestiva

Een kamp opslaan Castra ponere, locare

Op een gunstig terrein Idoneo, aequo, suo (tgst. iniquo) loco

Eene legerplaats afsteken, uitbakenen Castra metari

De soldaten de winterkwartieren laten betrekken Milites in hibernis collocare, in hiberna deducere

Een verschanste legerplaats opslaan Castra munire

Het kamp met een wal omringen, omschansen Castra munire vallo (aggere)

Een gracht graven Fossam ducere

Een wal opwerpen Vallum iacĕre, exstruere, facere

De legerplaats door voorposten dekken, beveiligen Castra praesidiis firmare

Tot bescherming van het kamp soldaten achterlaten Praesidio castris milites relinquere

Een gemeenschappelijke legerplaats opslaan Castra coniungere

De legerplaats zonder verdedigers laten Castra nudare

De kohort, die de wacht heeft Cohors, quae in statione est

De nachtwacht in de legerplaats houden Vigilias agere in castris

Op den wal de wacht houden Custodias agere in vallo

Op wacht staan voor de poorten Stationes agere pro portis

De nachtposten rondgaan Circumire vigilias

Het parool, wachtwoord geven Tesseram dare

De troepen in de legerplaats bijeenhouden Copias castris continere

Rustig in de legerplaats blijven (= haar niet verlaten) Se (quietum) tenere castris

Een inval, strooptocht in het vijandelijk gebied doen Excursionem in hostium agros facere

Op buit, roof, plundering uitgaan, vrijbuiten, moeskoppen Praedatum ire

Den buit wegvoeren Ferre et agere praedam

(Ferre van het rooven van zaken, agere van het wegvoeren van menschen en dieren (φέρειν καὶ ἄγειν))

Paarden buit maken Capere equos

Hout, water halen Lignatum, aquatum ire

Voeder, koren inhalen, op fourage uitgaan Pabulatum, frumentatum ire

Alles te vuur en te zwaard verwoesten Omnia ferro ignique, ferro atque igni of ferro flammaque vastare

De trompet schettert, gaat (op de trompet wordt het teeken gegeven) voor de tent van den veldheer Classicum of tuba canit ad praetorium

Het sein tot den afmarsch (om in te pakken) geven Vasa conclamare

De bagage inpakken Vasa colligere

Het veldteeken uit den grond trekken (d.i. het teeken tot opbreken) Signa convellere

(Het signum van het legioen was een gouden, zilveren of metalen adelaar met uitgespreide vleugelen; elke kohort had daarenboven haar signum, b.v. een wolf, paard, hond enz. De ruiterij had het vuillam, d.i. eene kleine vierkante vaan van witte of roode kleur)

Een krijgsraad houden Consilium habere

De zaak voor den krijgsraad brengen, daaraan onderwerpen Rem ad consilium deferre

8. DE BELEGERING

Eene door kunst versterkte stad Oppidum manu (opere) munitum

Eene stad belegeren Oppidum obsidere / Oppidum obsidione claudere

Eene stad ingesloten houden Oppidum in obsidione tenere

Eene stad bestormen Oppidum oppugnare

Eene stad met belegeringswerken insluiten Oppidum claudere operibus

Eene stad door wal en gracht insluiten Oppidum cingere vallo et fossa

Belegeringswerken maken Opera facere

Schutdaken aanstuwen, aanvoeren Vineas agere

(Vinea was een teenen of planken schutdak hoog 2.4 m., breed 2.1-3 m., lang 4.8 m.; de zijden waren door huiden of natte lappen (centones) tegen vuur en pijlen beschut. Deze schutdaken werden aan elkander gevoegd en vormden dan een porticus of gang)

Torens bouwen Turres instituere

Onder de beschutting van een schilddak op de muren losgaan, de muren bestormen Testudine facta moenia subire

(Testudo (eig. = schildpad) was 1) een dak uit de schilden boven het hoofd gevormd, terwijl de buitenste rij soldaten met hunne schilden de zijden dekten. Soms stonden 2 of 3 testudines boven elkander, om de muren te beklimmen; 2) een houten loods met huiden gedekt, waaronder men den stormram liet werken (testudo arietaria); 3) eene beschutting der soldaten, die mijnen groeven, grachten dempten, enz. (testudo fossaria))

Stormladders plaatsen Scalas admovere

Op stormladders de muren beklimmen Positis scalis muros ascendere

De muurbreker, de stormram raakt de muren Aries murum attingit

(Aries was een boomstam aan het dikke einde van een metalen ramskop (acumen, caput, cornu, rostrum) voorzien; hij hing aan touwen, en werd als eene schommel in beweging gebracht, om de muren te rammeien)

De bres Iter ruina patefactum / Patentia ruinis (zie aanm. bl. 69)

Mijnen aanleggen Cuniculos agere

Eene stad beschieten Oppidum tormentis verberare

Pijlen, steenen enz. in de stad schieten, werpen of ook naar beneden werpen Tela ingerere

Eene stad uithongeren Oppidum fame urgere, domare

De verdedigers van den muur verdrijven Murum nudare defensoribus

Een uitval uit de stad doen Eruptionem facere ex oppido

De belegeringswerktuigen in brand steken Ignem inferre operibus

Iemand hulp zenden (tot ontzet der stad of anderszins) Subsidium alicui summittere

Zich een weg door de verschansingen banen (tot ontzet der stad) Munitiones perrumpere

Eene stad (door een hulpleger) ontzetten Oppidum obsidione liberare

De bestorming opgeven, het beleg opbreken Oppugnationem, obsidionem relinquere

De poorten versperren, barricadeeren Portas obstruere

De poorten openbreken Portas refringere / Claustra portarum revellere

Met geweld in de stad dringen In oppidum irrumpere / In oppidum irruptionem facere

Eene stad veroveren Oppidum capere, expugnare

Eene stad hernemen, heroveren Oppidum recipere

Eene stad in brand steken Oppidum incendere

Eene stad plunderen Oppidum diripere

Eene stad geheel verwoesten Oppidum evertere, excīdere

Eene stad met den grond gelijkmaken Oppidum solo aequare

Na de overgave Deditione facta

De wapenen overgeven, uitleveren Arma tradere

Den overwinnaar om genade smeeken Salutem petere a victore

Zich met have en goed aan den overwinnaar overgeven Se suaque omnia dedere victori / Se suaque omnia permittere victoris potestati.

Zich aan iemand op genade of ongenade overgeven Se permittere in fidem atque in potestatem alicuius

Iemand in genade aannemen In fidem recipere aliquem

De vrije menschen worden als slaven verkocht Libera corpora sub corona (hasta) veneunt

Met vrouw en kind Cum liberis et uxoribus

Iemand het leven schenken Aliquem (incolumem) conservare

9. VÓÓR DEN SLAG

Den vijand den slag aanbieden Potestatem pugnandi hostibus facere

Een veldslag aannemen. (Zie aanm. bl. 49) Potestatem sui facere (alicui)

Den vijand tot den strijd uittarten, uitdagen Proelio (ad pugnam) hostes lacessere, provocare

Den slag niet aannemen, weigeren Pugnam detrectare

Van den veldslag afzien Supersedere proelio

Den vijand niet laten ontsnappen Hostem e manibus non dimittere

Een geschikt terrein voor den veldslag kiezen Locum ad pugnam idoneum deligere

Een dag voor den slag bepalen Diem pugnae constituere

Het teeken tot den strijd onstuimig verlangen Signum proelii (committendi) exposcere

Het teeken tot den strijd geven Signum proelii dare

De vaan op de tent van den veldheer planten (om tot den strijd op te roepen) Vexillum proponere

Te wapen loopen Ad arma concurrere

Het leger naar het veld laten uitrukken, in den strijd voeren Exercitum educere of producere in aciem

Zijne toevlucht tot de wapenen nemen, tot het uiterste komen Ad vim et arma descendere (zie noot bl. 54)

Den strijd ondernemen, wagen In certamen descendere

Op het slagveld komen In aciem descendere

Het leger in slagorde scharen Aciem (copias, exercitum) instruere

Het leger op drie gelederen scharen Aciem triplĭcem instruere

De slaglinie uitbreiden Aciem explicare of dilatare

Het centrum (het midden van het leger) Media acies

Reservetroepen opstellen Subsidia collocare

De ruiterij op de vleugels plaatsen Equites ad latera disponere

Eene aanspraak tot de soldaten houden Contionari apud milites / Contionem habere apud milites

Tot dapperheid aansporen, opwekken Ad virtutem excitare, cohortari (ook enkel adhortari, cohortari)

Den moed der soldaten aanvuren Animos militum confirmare

10. DE SLAG

a) De strijd in het algemeen

1 Slag leveren, 2 een slag beginnen Proelium committere

Slag leveren Proelium facere

Aan de ruiterij slag leveren (met de ruiterij) Proelium equestre facere

Gelukkig strijden Proelium facere secundum / Proeliis secundis uti

(Gelukkig, ongelukkig) strijden (van veldheeren) Rem (bene, male) gerere (zie ook bl. 70)

Het gevecht voor een tijd staken Proelium intermittere

Het gevecht afbreken of doen ophouden Proelium dirimere

Aan het gevecht wederom eene gunstige wending geven Proelium restituere

Den strijd hernieuwen Proelium renovare, redintegrare

Den strijd opgeven Proelium deserere

Den beslissenden slag leveren Proelio, armis decertare

Een geregelden veldslag leveren, in het open veld strijden (tgst. bedekt, zijdelings, door hinderlagen enz. bestrijden) Acie (armis, ferro) decernere / In acie dimicare

Aan het gevecht deelnemen Proelio interesse

Te paard strijden Ex equo pugnare

Het tweegevecht Certamen singulare

Iemand tot een tweegevecht uitdagen Provocare aliquem ad certamen singulare

Een bloedige strijd Proelium cruentum, atrox

De ordelijke, geregelde strijd Proelium iustum (tgst. tumultuarium) (zie bl. 46 noot)

b) De aanval

De trompet geeft het teeken, sein, signaal tot den strijd Classicum canit

Op den vijand losgaan, aanrukken Gradum inferre in hostem

Den vijand aanvallen, aangrijpen Aggredi hostem / Invadere, impetum facere in hostem / Signa inferre in hostem

(In dativ. sing. en in plural. (ongebruikelijke casus van impetus) door incursio te vervangen)

Den aanval uithouden, doorstaan Impetum sustinere

Den aanval afkeeren Impetum excipere

Zich midden onder de vijanden werpen In medios hostes se inicere

Door het midden der vijandelijke gelederen, door het centrum der vijanden breken Per medios hostes (mediam hostium aciem) perrumpere

Met den vijand handgemeen worden Manum (us) conserere cum hoste / Signa conferre cum hoste

(Signa conferre cum aliquo beteekent ook: zich vereenigen)

In het gevecht op elkander aanstormen Proelio concurrere

Den vijand in het front aanvallen Adversis hostibus occurrere

Den vijand in den rug aanvallen Aversos hostes aggredi / Hostes a tergo adoriri

In geregeld gevecht met den vijand strijden Iusto (tgst. tumultuario) proelio confligere cum hoste

De gelederen worden gedwongen te wijken, zij deinzen Acies inclīnat of inclinatur

Het is onzeker, welke wending de strijd zal nemen Proelium anceps est / Ancipiti Marte pugnatur

Lang bleef de strijd onbeslist Diu anceps stetit pugna

De toestand is zeer gevaarlijk, is zoo hachelijk mogelijk Res est in periculo, in summ discrimine

Thans moeten de triarii strijden Res ad triarios redit

(De triarii, de oudste en meest beproefde soldaten, maakten het derde gelid (de reserve) in de slagorde uit. Hunne centurie bestond slechts uit 25-30 man. Zij zaten op de rechterknie (genu dextro innixi) achter de beide eerste gelederen, namelijk achter de hastati en de principes; in geval deze ongelukkig streden en in nood verkeerden (laborare), sprongen zij op commando (surgite) op, en werden door de hastati en principes in hunne gedunde rijen opgenomen. De manipels stonden op deze wijze op drie gelederen geschaard:

hastati / principes / triarii

Res ad triarios redit is ook een spreekwoord = de zaak is tot het uiterste gekomen)

c) Het gevecht.

Man tegen man vechten Collatis signis (viribus) pugnare

Lijf om lijf of man tegen man Collato pede

Met het zwaard van nabij vechten Gladio comminus (tgst eminus) rem gerere

De werpspietsen of zware lansen wegwerpen en met het zwaard vechten Omissis pilis gladiis rem gerere

Het zwaard moest nu beslissen Res ad gladios vēnit / Res gladiis geri coepta est

Met het blanke, met getrokken zwaard zich op den vijand werpen Strictis gladiis in hostem ferri

Men wordt handgemeen, men gaat lijf om lijf vechten Res ad manus venit

Met ongesloten gelederen strijden Laxatis (tgst. confertis) ordinibus pugnare

Vechten als leeuwen Ferarum ritu pugnare

Persoonlijk dapper Manu fortis

d) Omsingeling. Stellingen. Hulptroepen

Den vijand in de flank aanvallen In latus hostium incurrere

Eene omtrekkende beweging volbrengen, om den vijand in den rug aan te tasten Circumvenire hostem aversum of a tergo

Door de overmacht van den vijand omsingeld worden Multitudine hostium cingi

De overmacht hebben in de ruiterij Equitatu superiorem esse

Tegen den vijand opgewassen zijn Parem (tgst. implărem) esse hosti

Eene carré vormen Orbem facere

(Orbis was een vierkante slagorde; waren de zijden langer dan het naar den vijand gekeerde front, zoo heette het turris, was het front langer dan de zijden, laterculus. Bij geringe troepenmacht werd ook wel eene ronde slagorde (globus) opgesteld)

Eene wigvormige slagorde vormen Cuneum facere

(Ook andere vormen had cuneus, b.v. dien van een vierhoek; dus cuneus is elke aanvalskolonne, wier doel het is door de vijanden heen te breken)

Eene phalanx vormen Phalangem facere

(Onder phalanx verstaat men meestal eene dicht aaneengesloten krijgsbende, die hare schilden tot een testudo boven het hoofd had ineengeschoven)

Door de phalanx breken Phalangem perfringere

De reserve te hulp zenden Subsidia summittere

Versche troepen aan de vermoeide te hulp zenden Integros defatigatis summittere

Versche troepen lossen de vermoeide af Integri et recentes defatigatis succedunt

e) Het gelukken van den aanval

Den vijand terugwerpen, aan het wijken brengen Pellere hostem

De vijandelijke linie wordt teruggeworpen, aan 't wijken gebracht Acies hostium impellitur

Den vijand uit zijne stelling drijven Loco movere, depellere, deicere hostem

Den ruiteraanval afslaan Summovere of reicere hostium equites

Den aanvallenden vijand terugslaan Repellere, propulsare hostem

Van alle kanten in 't nauw gebracht worden Undique premi, urgeri

Den vijand verpletteren Prosternere, profligare hostem

f) Aftocht. Vlucht. Vervolging

De aftocht wordt geblazen Signa receptui canunt / Receptui canitur

Achteruitwijken (zonder zich om te keeren) Pedem referre

Terugtrekken, retireeren Se recipere

Zijne stelling opgeven, prijsgeven Loco excedere

Den vijand op de vlucht slaan Fugare hostem

Het vijandelijke leger verslaan Fundere hostium copias

Den vijand een volkomen nederlaag toebrengen Fundere et fugare hostem

Den vijand voor zich uit drijven Prae se agere hostem

Den vijand op de vlucht slaan of jagen In fugam conicere, convertere, dare hostem

1) (Den vijand) op de vlucht slaan, 2) de vlucht nemen Fugam facere

Vluchten, den rug laten zien Terga vertere of dare

Voor den vijand vluchten, hem de hielen toonen Terga dare hosti

De vlucht nemen Fugae se mandare / Fugam capessere, capere

Op de vlucht gaan of slaan Se dare in fugam, fugae / Se conicere, se conferre in fugam

Zijn heil in de vlucht zoeken Fuga salutem petere

Wilde, overhaaste vlucht Fuga effusa, praeceps

Loopen als hazen, het hazenpad kiezen Pecorum modo fugere

De wapenen wegwerpen Arma abicere

Hals over kop vluchten Praecipitem se fugae mandare

Op de vlucht verstrooid Ex (in) fuga dissipati of dispersi

Den vijand nazetten Hostes insequi

Den vijand vervolgen Hostes (fusos) persequi

Den vijand achterhalen Hostes assequi, consequi

De vluchtelingen op korten afstand achternazetten Fugientibus instare

Den vijand op de hielen zitten Tergis hostium inhaerere

Den vluchtenden vijand tot staan brengen Fugam hostium reprimere

Een vluchteling vangen Excipere aliquem fugientem

Eene menigte van vijanden werd op de vlucht neergeveld Magna caedes hostium fugientium facta est

Iemand bij levenden lijve gevangen nemen Capere aliquem vivum

Aan de handen van den vijand ontkomen, ontsnappen, ontglippen Effugere, elābi e manibus hostium

Den vijand laten ontkomen Dimittere e manibus hostes

Iemand aan de handen der vijanden ontrukken, daaruit redden Eripere aliquem e manibus hostium

Van de vlucht bekomen, weder op zijn adem komen (als men gered is) Se ex fuga recipere

g) Nederlaag. Bloedbad. Wonden. Verlies

Overwonnen, geslagen worden, den slag verliezen Proelio vinci, superari, inferiorem discedere

Den vijand de nederlaag toebrengen Cladem hostibus afferre, inferre

De nederlaag krijgen Cladem accipere

Een vreeselijk bloedbad aanrichten Ingentem caedem edere

Eene slachting aanrichten Stragem edere, facere

Alles is door het zwaard nedergehouwen, is over de kling gejaagd Omnia strata sunt ferro

Den vijand, een leger verdelgen, vernietigen Hostes, exercitum delere, concīdere

Den vijand geheel vernietigen, totaal verslaan Hostes ad internecionem caedere, delere / Hostium copias occidione occīdere

Iemand eene wonde toebrengen Vulnus (ook overdr.) infligere alicui

Iemand een doodelijken slag geven Mortiferam plagam alicui infligere

(Zwaar, doodelijk) gewond worden Vulnus (grave, mortiferum) accipere, excipere

Toen velen aan weerszijden gewond waren, buiten gevecht gesteld waren Multis et illatis et acceptis vulneribus

Door wonden verzwakt, uitgeput Vulneribus confectus

Wonden (litteekens) op de borst Vulnera (cicatrices) adversa (tgst. aversa) / Vulnera adverso corpore accepta

Eene gesloten wond weder openrijten Refricare vulnus, cicatricem obductam

(Ook figuurlijk in de beteekenis van hernieuwen, weder opwekken, b.v. refricare dolorem, memoriam, desiderium; = eene oude wond openen, het

geheugen van iets herroepen, de begeerte weder opwekken)

Aan een wond sterven Ex vulnere mori

Met groot verlies Magno cum detrimento

Van de onzen vielen er ongeveer honderd Nostri circiter centum ceciderunt

Allen kwamen tot den laatsten man om Ad unum omnes perierunt

11. OVERWINNING. ZEGETOCHT

Het zegepralende of zegevierende leger Exercitus victor

Als overwinnaar het slagveld verlaten, uit den strijd treden Superiorem (tgst. inferiorem), victorem (proelio, pugna) discedere

De overwinning, de zege behalen, bevechten Victoriam adipisci, parĕre

Zegevieren Victoriam ferre, referre / Proelio vincere

De overwinning OP den vijand behalen Victoriam reportare AB hoste

Zich reeds als overwinnaar beschouwen, zich zeker wanen van de overwinning Victoriam praecipere (animo)

Eene zekere overwinning uit de handen geven Victoriam exploratam dimittere.

Victorie! roepen Victoriam conclamare

Iemand met de overwinning gelukwenschen Victoriam of de victoria gratulari alicui

De overwinning kostte veel bloed en wonden, werd duur gekocht Victoria multo sanguine ac vulneribus stetit

Een triomftocht over iemand houden, triomf vieren, een zegepralenden intocht houden (om de overwinning) Triumphare de aliquo (ex bellis) / Triumphum agere de of ex aliquo of c. Gen. (victoriae, pugnae Pharsaliae)

Iemand (een gevangene) in (den) zegetocht omvoeren Per triumphum (in triumpho) aliquem ducere

12. WAPENSTILSTAND. VREDE. VERDRAG. VERBOND

Wapenstilstand sluiten, aangaan Indutias facere

Den wapenstilstand breken Indutias violare

Het volkenrecht schenden Ius gentium violare

Met iemand over den vrede onderhandelen Agere cum aliquo de pace

Den vrede tot stand brengen, bewerken Pacem conciliare

Met iemand vrede sluiten Pacem facere cum aliquo

Den vrede verstoren, breken Pacem dirimere, frangere

Onder de volgende voorwaarden, bepalingen His condicionibus

Vredesvoorwaarden aanbieden, stellen Pacis condiciones ferre (niet proponere!)

Iemand de vredesvoorwaarden dicteeren, voorschrijven Pacis condiciones dare, dicere alicui (niet praescribere!)

Zich de vredesvoorwaarden laten gevallen Pacis condiciones subire (tgst. repudiare, respuere)

De vrede wordt getroffen onder beding van, onder de voorwaarde dat... Pax convĕnit in eam condicionem ut...

Ongestoorde vrede Summa pax

Gevangenen uitwisselen Captivos permutare, commutare

Gevangenen loskoopen Captivos redimere

Gevangenen zonder losgeld teruggeven Captivos sine pretio reddere

(Gevangenschap moet men uitdrukken met servitus of condicio servitutis, captivum esse; want captivitas komt eerst later voor)

Gijzelaars geven Obsides dare

Aan de staten opleggen gijzelaars te leveren Obsides civitatibus imperare

Een verdrag met iemand sluiten Pactionem facere cum aliquo

Overeenkomstig of volgens het verdrag, het verbond Ex pacto, ex foedere

Een verbond sluiten, treffen Foedus facere (cum aliquo), icere, ferire

Het verbond breken, schenden Foedus frangere, rumpere, violare

Iemand tot bondgenoot aannemen Socium aliquem asciscere

In vriendschappelijke verhouding tot het Romeinsche volk staan In amicitia populi Romani esse

Hij ontving van den senaat den eeretitel van "vriend" A senatu amicus appellatus est

13. ONDERWERPING

Een land veroveren Terra potiri

Een land aan zich onderwerpen Terram suae dicionis facere

Een volk onder zijne heerschappij, zijn schepter brengen Populum in potestaten suam redigere / Populum in deditionem accipere

Een volk ten onder brengen, onderwerpen Populum perdomare, subigere (zonder dativns: sibi, alicui enz.)

Een volk, een land aan zich onderwerpen Populum, terram suo imperio, suae potestati subicere (niet enkel sibi)

Zich aan iemand onderwerpen Se imperio alicuius subicere (niet enkel alicui) / In deditionem venire / In alicuius potestatem se permittere

Iemands onderdaan zijn, iemand onderworpen zijn Subiectum esse, obnoxium esse imperio of dicioni alicuius (niet enkel alicui) / In potestate, in dicione alicuius esse

De onderdanen Qui imperio subiecti sunt; cives

Iemand weder onder de gehoorzaamheid brengen Aliquem ad officium reducere

Iemand in onderdanigheid houden Aliquem in officio continere

In onderdanigheid volharden In officio manere, permanere

Azië tot provincie of wingewest maken Asiam in provinciae formam (in provinciam) redigere

Azië werd aan de Romeinen onderworpen Asia populi Romani facta est

Een volk geheel en al uitroeien, verdelgen Gentem ad internecionem redigere of adducere

IX. Het zeewezen. (Dit valt geheel onder A.)

1. EENIGE BENAMINGEN

Het oorlogschip Navis longa

Het vrachtschip Navis overaria

Het koopvaardijschip Navis mercatoria

De zeestad Oppidum maritimum

Sterk ter zee zijn Rebus maritimis multum valere

Een schip, eene vloot bouwen Navem, classem aedificare, facere, efficere

Een schip uitrusten Navem armare, ornare, instruere

Eene vloot uitrusten Classem instruere

Een schip van stapel laten loopen of een vaartuig afbrengen Navem deducere (zie bl. 70 aanm.)

Een schip op het land trekken, op het droge halen Navem subducere

Een schip herstellen, kalefaten, breeuwen Navem reficere

Scheep gaan, zich inschepen Navem conscendere

Een leger inschepen Exercitum in naves imponere

Soldaten ontschepen Milites in terram, in terra exponere

Zeesoldaten, mariniers Classiarii

Matrozen Nautae, remiges

Passagiers Vectores

2. SCHEEPVAART. SCHIPBREUK.. LANDING

Het anker lichten Solvere / Navem (naves) solvere / Ancoram (ancoras) tollere

De schepen zeilen de haven uit, loopen uit Naves ex portu solvunt

In zee steken Vela in altum dare

Met gunstigen wind loopen ze uit Ventum (tempestatem) nancti idoneum ex portu exeunt

De zeilen ophalen, onder zeil gaan Vela facere, pandere / Vela dare

De zeilen inbinden, innemen, reven Vela contrahere (ook overdr.)

Langs de kust varen, de kust langsvaren Oram legere

Een eiland voorbijvaren, een eiland omvaren Superare insulam

Den koers ergens heen richten, koers zetten of stevenen naar Cursum dirigere aliquo

Koers houden (tgst. van koers veranderen, ook medegevoerd worden) Cursum tenere (tgst. commutare en deferri)

Eene zeereis volbrengen Cursum conficere

Aan het roer staan, sturen Gubernaculum tractare / Clavum tenere

Roeien Navem remis agere of propellere

Krachtig roeien Navem remis concitare

Ophouden, uitscheiden met roeien Sustinere, inhibere remos

Achteruitroeien Navem retro inhibere

Schipbreuk lijden Naufragium facere

Het schip wordt tegen de klippen geworpen of verbrijzeld Navis ad scopulos alliditur

Stranden In litus eici

Ergens heen geworpen, geslagen worden Deferri, deici aliquo / Tempestate abrĭpi

De storm werpt iemand op onbekende landen (kusten) Procella (tempestas) aliquem ex alto ad ignotas terras (oras) defert

De wrakken (stukken van een gestrand schip) verzamelen Naufragium colligere

Landen, aanlanden (van personen) Appellere navem (ad terram, litus)

Landen, aanlanden (van schepen) Appelli (ad oram)

Het anker werpen, uitwerpen, laten vallen, ankeren Ancoras iacere

Voor (ten) anker komen Naves ad ancoras deligare / Naves (classem) constituere (in alto)

Voor (ten) anker liggen In ancoris esse of stare

Aan wal gaan, landen Exire ex, de navi / Egredi (ex) navi / Exire, egredi in terram / Escensionem facere (van troepen)

Niet kunnen landen Portu, terra prohiberi

3. ZEESLAG

Een zeeslag leveren Pugnam navalem facere

Een schip tot den strijd toerusten Navem expedire

Een schip met de scheepssneb doorboren, beschadigen Navem rostro percutere

Een schip, een vloot in den grond boren Navem, classem deprimere

Een schip aan boord haken Manus ferreas (in navem) inicere

Een schip enteren In navem (hostium) transcendere

Een schip kapen Navem capere, intercipere

TWEEDE AFDEELING

1. De geest en zijne vermogens

I. GEEST. TALENT. VERSTAND

Grootheid van ziel of zielenadel, geestkracht hebben Magno animo esse

Zijne aandacht op iets vestigen, acht slaan op iets Animum attendere ad aliquid

Oplettend, opmerkzaam zijn (tgst. onoplettend zijn, met andere dingen bezig zijn) Diligenter attendere (aliquid) (tgst. alias res of aliud agere)

1) Oplettend zijn, 2) kalm en moedig zijn Animo adesse

Een man van talent, van aanleg, een begaafd man Vir magno ingenio, ingeniosus / Vir magno ingenio praeditus

Talent hebben Ingenio valere

Veel talent, verstand hebben, met uitstekende geestesgaven bedeeld of toegerust zijn Ingenio abundare

Een aangeboren talent Natura et ingenium

Het verstand scherpen, spitsen (op iets) Ingenium acuere (in aliqua re)

Scherp verstand, scherpzinnigheid Ingenii acumen

Traag verstand Ingenii tarditas

Bekrompen verstand, beperktheid van begrip Ingenii infirmitas of imbecillitas

Bij zinnen of bij zijn verstand zijn Mentis compotem esse

Niet wel bij zijne zinnen of bij 't hoofd zijn, het verstand verloren hebben Mente captum esse, mente alienata esse

Gezond verstand hebben Sanae mentis esse

Den geest, de scherpzinnigheid afstompen Aciem mentis praestringere

Het oog van den geest benevelen Mentis quasi luminibus officere (zie bl. 84) of animo caliginem offundere

Groot verstand, vernuft hebben Intellegentia of mente multum valere

Zich in iets naar de bevatting of vatbaarheid van het volk richten, tot het volk afdalen Ad intellegentiam communem of popularem accommodare aliquid

(Captus in de beteekenis van bevattelijkheid, begrip komt slechts voor in ut captus est cum gen. b.v. servorum. Capacitas beteekent alleen de ruimte b.v. van een vat)

2. VOORSTELLING. VERBEELDING. GEDACHTE. BEGRIP

Zich iets voorstellen, verbeelden, voor den geest stellen Animo, cogitatione aliquid fingere (ook enkel fingere, maar zonder sibi!), informare / Animo concipere aliquid

Zich te voren iets voorstellen of een denkbeeld daarvan vormen Animo, cogitatione aliquid praecipere

Zich iets levendig verbeelden, voor den geest stellen Cogitatione sibi aliquid depingere

Vurigheid, levendigheid, vlugheid van geest, van verbeelding Ingenii vis of celeritas

De voorstellingen der verbeelding Res cogitatione fictae of depictae

Iets vatten, begrijpen Animo, mente, cogitatione aliquid comprehendere, complecti

De gedachte valt mij in, dat In eam cogitationem incido (acc. c. inf.)

De gedachte komt bij mij op, dat Haec cogitatio subit animum. (acc. c. inf.) / Occurrit mihi (acc. c. inf.)

Iets komt mij in de gedachte, voor den geest Mihi in mentem venit alicuius rei

Ik kom op de gedachte (om) te Mihi in mentem venit (c. inf.)

Iets zweeft mij voor den geest Aliquid animo meo obversatur (vgl. bl. 31 enz. onder oculi)

Iemands gedachten van iets afleiden, aftrekken Alicuius animum ab aliqua re abducere

Zijne gedachten op iets vestigen, zijne aandacht aan iets wijden of schenken Cogitationem, animum in aliquid intendere

Alle zijne gedachten op iets vestigen, alle aandacht van den geest op iets richten Omnes cogitationes ad aliquid conferre

Zijne gedachten, het oog van den geest, zijne aandacht op iets gevestigd houden Mentem in aliqua re defigere

In gedachten verdiept, verslonden, verzonken, verloren, geheel in zich zelven gekeerd zijn In cogitatione defixum esse

Zijne gedachten, zijn geest op nietigheden, beuzelingen, onedele voorwerpen vestigen (tgst. edele gevoelens koesteren, verhevener zijn in zijne strevingen, het oog op het groote, edele gericht houden) Cogitationes in res humiles abicere (tgst. alte spectare, ad altiora tendere, altum, magnificurn, divinum suspicere)

Aangeboren, ingeschapen begrippen Notiones animo (menti) insitae, innatae

Duistere, onvolkomene begrippen, denkbeelden Intellegentiae adumbratae of inchoatae

(Adumbrare is een kunstterm der schilderkunst = een omtrek maken, van iets eene schets maken, in de hoofdtrekken ontwerpen. Overdrachtelijk = iets slechts aanduiden. Het tegenovergestelde is exprimere, kunstwoord der boetseerkunst; vandaar overdrachtelijk = nauwkeurig, duidelijk schilderen, aanschouwelijk voorstellen, maar nooit ons uitdrukken)

Zich een begrip, een denkbeeld van iets maken Notionem of rationem alicuius rei in animo informare of animo concipere

3. GEVOELEN. VOOROORDEEL. VERMOEDEN

In of bij zijne meening volharden of blijven In sententia manere, permanere, perseverare, perstare

Aan die meening, dat gevoelen houd ik vast Illud, hoc teneo

Zijne meening, zijn gevoelen opgeven, laten varen A sententia sua discedere / De sententia sua decedere / (De) sententia desistere

Van zijne meening, zijn gevoelen afgebracht worden De sententia deici, depelli, deterreri

Iemand van zijne meening, zijn gevoelen af brengen De sententia aliquem deducere, movere

Iemand voor zijne meening, zijn gevoelen winnen Aliquem ad suam sententiam perducere of in suam sententiam adducere

(Daarentegen traducere aliquem ad suam sententiam = iemand, die het gevoelen van een ander toegedaan is, voor zijn gevoelen winnen)

Tot iemands gevoelen toetreden, zich daarmede vereenigen Ad alicuius sententiam accedere, sententiam alicuius sequi

Van hetzelfde gevoelen zijn, met iemand instemmen Idem sentire (tgst. dissentiri ab aliquo)

Voor zijne meening uitkomen, zijn gevoelen openlijk uitspreken Sententiam suam aperire

(Se aperire daarentegen beteekent: zich aan zijne zwakken zijde blootgeven, zich verraden = se indicare)

Zijn gevoelen op zijn gelaat niet laten blijken, zijne gedachten ontveinzen, vermommen Sententiam fronte celare, tegere

Zeg uw gevoelen (laat hooren, welk uw gevoelen is) Dic quid sentias

(Niet sententiam dicere, dat beteekent: zijn stem uitbrengen (van senatoren) (sententiam ferre van rechters))

Zeg oprecht uw gevoelen (zeg datgene, wat gij in waarheid denkt) Dic quod sentis

Ik ben van gevoelen, dat... In hac sum sententia, ut ... putem

Een vertoog in dien geest nog verder uitwerken; het nog breeder ontwikkelen met de bedoeling om... Plura in eam sententiam disputare

Naar mijne meening, volgens mijn gevoelen Ut mea fert opinio / Ut mihi quidem videtur/ Mea (quidem) sententia

Zooveel hoofden, zooveel zinnen Quot homines, tot sententiae

Valsche begrippen inzuigen Opiniones falsas animo imbibere / Opinionibus falsis imbui

Dwaalbegrip Opinionis error

Vooroordeel Opinio praeiudicata, ook enkel opinio (niet praeiudicium = voorafgaand of voorloopig vonnis!)

Ingeworteld veroordeel Opinio confirmata, inveterata

Door dwaze, verkeerde vooroordeelen aangestoken, daarmede besmet worden Opinionum pravitate infici

Hersenschimmen Opinionum commenta

Ongeloofbare verdichtselen, zonderlinge, ongerijmde, buitensporige voorstellingen der verbeelding Monstra of portenta

Iets vermoeden, bij gissing besluiten Coniectura assequi, consequi, aliquid coniectura colligere

Vermoedelijk, naar mijne gissing Quantum ego coniectura assequor, augŭror

Uit iets tot iets bij gissing besluiten Coniecturam alicuius rei facere of capere ex aliqua re

Naar zich zelven (naar zich zelven anderen) beoordeelen De se (ex se de aliis) coniecturam facere

Iets berust, steunt op vermoedens Aliquid in coniectura positum est / Aliquid coniectura nititur, continetur

Het waarschijnlijke door gissing trachten te ontdekken Probabilia coniectura sequi

Iets overkomt mij buiten, tegen verwachting, onverhoopt Aliquid mihi nec opinanti, insperanti accidit

5. WAARHEID. DWALING

De waarheid zeggen, bekennen Verum dicere, profiteri

Alles naar waarheid zeggen Omnia ad veritatem dicere

(Verum is de waarheid concreet, daarentegen veritas de waarheid abstract)

Waarheidlievend Veritatis amans, diligens, studiosus

Voor de waarheid blind zijn, de oogen gesloten hebben A vero aversum esse

Van de waarheid afwijken, daaraan ontrouw worden A veritate deflectere, desciscere

De zucht naar waarheid V.eri videndi, investigandi cupiditas

Het zoeken, het vorschen naar de waarheid Veri inquisitio atque investigatio

Zeer dicht bij de waarheid komen Proxime ad verum accedere

Waarschijnlijk zijn A vero non abhorrere / Veri simile esse

Dit is meer schitterend, verblindend, verleidelijk, dan waar Haec speciosiora quam veriora sunt

Het ware en (van) het valsche, de waarheid en de onwaarheid onderscheiden Vera et falsa (a falsis) diiudicare

Het ware met het valsche vermengen Vera cum falsis confundere

Waarheidszin Veritas

In waarheid, werkelijk, inderdaad Re (vera), reapse (tgst. specie)

Dwalen, in dwaling verkeeren In errore versari

Grovelijk dwalen, in groote, grove dwaling verkeeren, zich grootelijks vergissen Magno errore teneri / In magno errore versari / Vehementer errare

In dwalingen vervallen Erroribus implicari

Bij vergissing misdoen Per errorem labi, of alleen labi

Iemand in dwaling brengen Aliquem in errorem inducere, rapere

De dwaling inzuigen Errorem animo imbibere

De dwaling met de moedermelk inzuigen Errorem cum lacte nutricis sugere

Een wijd en zijd verspreide dwaling Error longe lateque diffusus

De dwaling wegnemen, den kop indrukken Errorem tollere / Errorem amputare et circumcidere

De dwaling met wortel en tak uitroeien Errorem stirpitus extrahere

Van zijne dwaling terugkomen Errorem deponere, corrigere

Iemand van zijne dwaling bevrijden, afbrengen Alicui errorem demere, eripere, extorquere

Indien ik mij niet bedrieg, vergis Nisi fallor / Nisi (animus) me fallit

Zoo ik mij niet geheel en al bedrieg, of ik vergis mij geheel en al Nisi omnia me fallunt

6. KEUS. TWIJFEL. BEZWAAR

Iemand de vrije keus laten geven Optionem alicui dare

(Zonder liberarn omdat vrij reeds in optio vervat is)

Iemand voor de keus stellen, om of ... of Optionem alicui dare, utrum ... an

In twijfel trekken In dubium vocare / In dubio ponere

Twijfelachtig worden In dubium venire

Wat eenigszins twijfelachtig is, wat aan grooten twijfel onderhevig is Quod aliquam, magnam dubitationem habet

Er komt bij iemand een twijfel op Dubitatio alicui affertur, inicitur

Iemands twijfel of onzekerheid wegnemen Dubitationem alicui tollere

Iets onbeslist, in het onzekere laten Aliquid in medio, in dubio relinquere / Aliquid dubium, incertum relinquere

Buiten, zonder (eenigen) twijfel Sine dubio (niet sine ullo dubio!)

Buiten bedenken; zonder aarzelen Sine ulla dubitatione

Een bezwaar, beangstigenden twijfel bij iemand wegnemen, hem daaruit redden Scrupulum ex animo alicuius evellere

Nog één bezwaar, ééne bezorgdheid blijft mij over Unus mihi restat scrupulus

7. WETEN. ZEKERHEID. OVERTUIGING.

Ik weet zeer goed, het is mij niet onbekend Probe scio, non ignoro / Non sum ignarus, nescius (niet non sum inscius!)

Het ontgaat mij niet, ontsnapt mijne aandacht niet Me non fugit (niet effugit!), praeterit

Naar mijn weten, voor zooveel mij bekend is, voor zooverre ik weet Quantum scio / Quod sciam

Iets zeker weten, zekerheid ergens van hebben Aliquid compertum habere

Dát kan men als zeker beschouwen Illud pro certo affirmare licet

Het is voor mij eene uitgemaakte zaak, ik houd het voor zeker Mihi exploratum est, exploratum (certum) habeo

Het is algemeen bekend, een bekend feit Inter omnes constat

Houdt u vast overtuigd, geloof vrij of gerust Sic habeto

Ik ben (volkomen) overtuigd Mihi persuasum (persuasissimum) est (ongewoon zijn persuasum habeo en mihi persuasum habeo!) / Mihi persuasi

Wees overtuigd, verzekerd Persuade tibi / Velim tibi ita persuadeas / Sic volo te tibi persuadere

Ik kom tot de overtuiging Addūcor, ut credam

Ik kan mij niet overtuigen Non possum adduci, ut (credam)

Volgens mijne innigste overtuiging, naar mijn beste weten Ex animi mei sententia

Zijne overtuiging volgen Suo iudicio uti

8. PLAN. RAAD. OVERLEG

Een besluit nemen, een plan vormen Consilium capere, inire (de aliqua re, met Gen. Gerund., niet Inf., zelden met ut)

Van zijn besluit, plan, voornemen afstaan (d.i. ophouden met de volvoering daarvan) Consilio desistere

Van zijn besluit, plan, voornemen afgaan, het laten varen Consilium abicere of deponere

Zich door iets van zijn besluit laten afbrengen, door iets van zijn plan afgeschrikt worden Consilio deterreri aliqua re

Halve maatregelen nemen Mediocribus consiliis uti

Van plan of gedachte, van meening of gevoelen veranderen, zich anders bedenken Consilium, sententiam mutare

Zijn eigen zin volgen, op eigen gezag te werk gaan Suo consilio uti

(Uti wordt in vele uitdrukkingen gebruikt, waardoor men niet slechts te kennen geeft, dat men iets bezit, maar ook dat men er gebruik van maakt, b.v. uti ventis secundis, adversis gunstigen, ongunstigen wind hebben, praesenti animo tegenwoordigheid van geest toonen, perpetua felicitate bestendig geluk hebben, auctoritate sua zijn gezag doen gelden, crudelitate zich wreedheid veroorloven, bona valetudine zich in eene goede gezondheid verheugen, eene goede gezondheid genieten, enz.)

Grootsche plannen vormen, beramen, ontwerpen Magna moliri

Iemand deelgenoot maken van zijne plannen, iets met iemand afspreken Consilia cum aliquo communicare

(Communicare (aliquid cum aliquo) beteekent oorspronkelijk gemeenschappelijk maken. Hieruit vloeien de twee beteekenissen voort 1. (wanneer men iets geeft) = iemand aan iets laten deelnemen, consilia; 2. (wanneer men iets overneemt) = met iemand iets deelen, pericula. Ons mededeelen = berichten, kennis geven, heet dicere, tradere, narrare, exponere, certiorem facere)

Gemeene zaak met iemand maken of gemeenschappelijk handelen Consilia (ook causam, rationem) cum aliquo communicare

Gemeenschappelijk overleggen Consilia inter se communicare

Iemand ter beraadslaging uitnoodigen; toelaten, hem te rade nemen Aliquem in of ad consilium adhibere

Raad houden, onder elkander beraadslagen (van meer personen) Consilium habere (de aliqua re)

Beraadslagen, overwegen of overleggen (ook van één persoon) Consultare of deliberare (de aliqua re)

De geheime beraadslaging bijwonen Consiliis arcanis interesse

Iemand een raad geven Consilium dare alicui / Auctorem esse alicui, ut

Iemand met raad (en daad) bijstaan Aliquem consilio (et re) iuvare

Voor iemand, die raad behoeft, toegankelijk zijn, zich te zijner beschikking stellen Consilii sui copiam facere alicui

Bij iemand om raad vragen, te rade gaan, iemand raadplegen, iemands raad inwinnen Consilium petere ab aliquo

Ten einde of buiten raad zijn Consilii inopem esse

Goede raad is duur Omnia consilia frigent

Zonder overleg, op goed geluk, onberaden, onbezonnen, onbesuisd Nullo consilio, nulla ratione, temere

Iets bij zich zelven overwegen, overleggen Secum (cum animo) reputare aliquid / Considerare in, cum animo, secum aliquid / Agitare (in) mente of (in) animo aliquid

Iets wordt in overweging genomen Aliquid cadit in deliberationem

Na rijp beraad Re diligenter considerata, perpensa / Omnibus rebus circumspectis / Inĭta subductaque ratione

9. BESLUIT. VOORNEMEN

Ik ben van zins of voornemens, het is mijn besluit In animo habeo of mihi est in animo (c. Inf.)

Ik ben besloten Certum (mihi) est

Ik ben vast besloten, het staat bij mij vast Certum deliberatumque est / Stat mihi sententia

Ik ben besluiteloos Incertus sum, quid consilii capiam

Ik ben het met mij zelven niet eens Mihi non constat (met zijdelingsche vraag)

Ik heb mij ten doel, tot taak gesteld Propositum est mihi (c. Inf.)

Aan zijn voornemen getrouw blijven, aan zijn plan vasthouden Propositum, consilium tenere (tgst. a proposito deterreri)

Zijn voornemen, zijn plan volvoeren, ten uitvoer leggen of brengen Propositum assequi, peragere (niet consilium perficere!)

(Omdat propositum in het classieke proza nog niet volkomen substantivum geworden is, mag het niet met een genetivns, adjectivum of pronomen verbonden worden)

Zich iets groots ten doel stellen Magna sibi proponere of magna spectare

In zijn voornemen, onderneming, poging volharden In incepto of conatu perstare

Van zijn voornemen, onderneming, poging afstaan, afzien, het opgeven Incepto of conatu desistere

Toebereidselen tot iets maken, iets in gereedheid brengen Parare aliquid

Het van zich verkrijgen, over zijn hart brengen Animum inducere c. Inf. (niet in animum inducere!)

Het niet van zich kunnen verkrijgen A se impetrare non posse, ut

Tot iets, tot alles overgaan of komen (veelal met weerzin) Descendere ad aliquid, ad omnia (zie aanm. bl. 54)

Tot de uiterste maatregelen overgaan Descendere ad extrema consilia

10. INZICHT. DOEL. VERTRAGING. UITSTEL

Mijn inzicht, oogmerk, doel is Consilium est (c. Inf. of ut) / Id sequor, ut

Iets beoogen, iets tot doel hebben, het aanleggen op iets Spectare aliquid of ad aliquid

Daarop is het aangelegd, de toeleg is, de strekking daarvan is, om Res eo spectat ut

Geweld wordt beoogd Res spectat ad vim (arma)

De Perzen hebben het op Athene gemunt Athenae a Persis petuntur

Hij bereikte zijn doel Id quod voluit consecutus est / Ad id quod voluit pervenit

Welk is uwe bedoeling? wat hebt gij in den zin? Quid tibi vis?

Wat moet dat beteekenen? Wat heeft dat te beduiden? Quid hoc sibi vult? / Quid hoc rei est?

Met de bedoeling, met het doel om Eo consilio, ea mente, ut

Met opzet, opzettelijk De industria, dedita opera (tgst. imprudens)

Juist met dat doel, juist daartoe Ad id ipsum

(Het doel, de strekking van een boek, van een gedicht is: consilium, quo liber scriptus est, quo carmen compositum est, of quod quis in libro scribendo, in carmine componendo secutus est (niet consilium libri, carminis!)

Onverrichter zake Infecta re

Iets vertragen Moram alicui rei afferre, inferre, facere

Iemand ophouden, laten wachten In mora alicui esse

Geen oogenblik dralen, talmen, om; zonder uitstel... Nullam moram interponere, quin

Onverwijld Sine mora of nulla mora interposita

Van den eenen dag tot den anderen uitstellen Diem ex die ducere, differre

11. GEHEUGEN. AANDENKEN. HERINNERING. VERGETELHEID

Iets in het geheugen hebben, geheugen voor iets behouden; iets van buiten of uit het hoofd kennen Memoriā tenere aliquid / Memoriam alicuius rei tenere

Iets ligt versch in het geheugen Recenti memoria tenetur aliquid

Een goed, getrouw geheugen hebben (tgst. een zwak geheugen hebben, vergeetachtig zijn) Memoriā (multum) valere (tgst. memoriā vacillare) / Memorem esse (tgst. obliviosum esse)

Hij had zulk een uitmuntend, sterk geheugen, het bleef hem zoo getrouw, dat Memoria tanta fuit, ut

Door zijn geheugen bedrogen worden Memoriā labi

Iets in het geheugen prenten Memoriae mandare aliquid

(Te onderscheiden van ediscere, dat eenvoudig van buiten leeren beteekent)

Iets is vast in mijn geheugen geprent Aliquid in memoria mea penitus insedit

Uit het hoofd Ex memoria (tgst. de scripto)

1) Uit het geheugen getrouw verhalen, 2) uit eigen herinnering verhalen Memoriter narrare

In het geheugen bewaren, onthouden Memoria custodire

Iets in het geheugen roepen, herinneren Memoriam alicuius rei renovare, redintegrare, refricare

Zich iets (iemand) in (of voor) het geheugen herroepen Memoriam alicuius rei repetere / In memoriam alicuius redire

Iemand iets in het geheugen roepen, hem iets herinneren In memoriam alicuius redigere, reducere aliquid (niet revocare!)

Levendige herinnering, levendig aandenken Memoria et recordatio

Iemand een dankbaar aandenken wijden, in dankbare herinnering houden Grata memoria aliquem prosequi

(Prosequi wordt, vooral overdrachtelijk en met een ablativus verbonden, in vele zegswijzen gebezigd, b.v. prosequi aliquem honore, iemand met onderscheiding behandelen, verbis honorificis, iemand in eervolle bewoordingen zijne hoogachting betuigen, beneficiis, officiis, studiis suis, iemand weldaden, diensten bewijzen, zijne belangstelling toonen, ominibus, votis, lacrimis iemand met zijne wenschen, met zijne tranen vergezellen enz.)

Het geheugen van iets herroepen, de herinnering er van weder opwekken of wakker maken (tgst. iets uit het geheugen verbannen) Memoriam alicuius rei repraesentare (tgst. memoriam alicuius rei deponere, abicere))

Iets blijven gedenken, in gedachtenis of blijvende herinnering houden Memoriam alicuius rei conservare, retinere

Iemand in dankbare gedachtenis houden Gratam (gratissimam) alicuius memoriam retinere

Nimmer zal de herinnering daarvan uit mijn hart verdwijnen Numquarn ex animo meo memoria illius rei discedet

Zijn aandenken, gedachtenis zal immer voortleven Memoriam eius nulla umquam delebit (obscurabit) oblivio / Semper memoria eius in (omnium) mentibus haerebit

Zich door iets een blijvend aandenken bij de nakomelingschap verzekeren Nomen suum posteritati aliqua re commendare, propagare, prodere.

Bij menschengeheugen of sedert menschengeheugenis Post hominum memoriam / Post homines natos

Tot een aandenken, tot eene gedachtenis Memoriae causa, ad (niet in!) memoriam

Ik vergeet iets Oblivio alicuius rei me capit

Iemand iets doen vergeten Aliquem in oblivionem alicuius rei adducere (pass. in oblivionem venire)

Iets ontgaat, ontvalt, ontschiet, gaat door het hoofd, wordt uit het geheugen verloren Aliquid excidit e memoria, effluit, excidit ex animo

Het geheugen van of aan iets, de herinnering van iets is verloren Memoria alicuius rei excidit, abiit, abolevit

In vergetelheid geraken, aan de vergetelheid prijsgegeven worden Obliterari / Memoria alicuius rei obscuratur, obliteratur, evanescit / Oblivioni esse, dari / In oblivionem adduci / Oblivione obrui, deleri, exstingui

(Deze en de volgende zegswijzen zijn geschikt, om het ontbrekende passivum van oblivisci te vervangen.)

Aan de vergetelheid prijsgegeven, daartoe gedoemd zijn In oblivione iacēre (van personen)

Iets aan de vergetelheid onttrekken, ontrukken Aliquid ab oblivione vindicare

Vergeet niet Mementote met Acc. c. Inf.

12. THEORIE. PRACTIJK. ERVARING

Iets uit de theorie (uit de practijk) kennen, theoretische (practische) kennis van iets hebben Ratione, doctrina (tgst. usu) aliquid cognitum habere

Iets onder regels brengen, tot de theorie terugbrengen Ad artem, ad rationem revocare aliquid

Theorie met practijk vereenigen Doctrinam ad usum adiungere

Met de practijk vertrouwd, daarin bedreven, ervaren zijn In rebus atque in usu versatum esse

Ervaring, ondervinding hebben Usu praeditum esse

(Niet experientia, dat in het classieke proza poging of proef beteekent)

Veel bedrevenheid, ervarenheid, rijpe ondervinding in iets hebben Magnum usum in aliqua re habere

Eene veelzijdige ondervinding Multarum rerum usus

Wij weten door of bij ondervinding, uit eigen ervaring Usu rerum (vitae, vitae communis) edocti suinus / Experti scimus, didicimus / Usu cognitum habemus

De (dagelijksche) ondervinding leert het Usus rerum (cotidie) docet

In de wereld onervaren zijn (Rerum) imperitum esse

Hij moest menige bittere ondervinding opdoen Multa acerba expertus est

II. Taal en schrift

I. TAAL. SPRAAKGEBRUIK. VERTALING. SPRAAKKUNST

De Grieksche taal is rijker dan de Latijnsche Lingua Graeca Latinā locupletior (copiosior, uberior) est

Het gebruik van dezelfde taal Commercitun linguae

De vlugheid in het spreken, eene radde tong Volubilitas, solutio linguae

Taalfout Vitium orationis, sermonis of alleen vitium

Hij heeft veel fouten gemaakt Saepe (crebro, multa) peccavit, erravit, lapsus est

Dezelfde taal spreken als iemand Eiusdem linguae societate coniunctum esse cum aliquo

De spraak, het spraakvermogen missen Orationis expertem esse

De moedertaal Sermo patrius (niet lingua vernacula!)

Het spraakgebruik Consuetudo sermonis, loquendi

Het gewone, dagelijksche spraakgebruik Cotidiani sermonis usus / Communis sermonis consuetudo / Sermo familiaris et cotidianus

Iets strijdt met het Latijnsche spraakgebruik Aliquid a consuetudine sermonis Latini abhorret, alienum est

Het verkeerde (tgst. het juiste, onvervalschte) spraakgebruik Consuetudo vitiosa et corrupta (tgst. pura et incorrupta) sermonis

De echte; zuivere Latijnsche taal Incorrupta Latini sermonis integritas

Goed Latijn Sermo Latinus (tgst. sermo parum Latinus) (niet sermo bene Latinus!)

1) Latijn spreken, 2) goed Latijn spreken, 3) ronde taal (goed Hollandsch) spreken Latine loqui

De Grieksche taal spreken Graece of Graeca lingua loqui

Latijn verstaan Latinam linguam scire of didicisse / Latine scire

Latijnsche opstellen, verhandelingen maken Latine commentari

Iets uit het Grieksch in het Latijn vertalen, overbrengen, overzetten, vertolken Aliquid e Graeco in Latinum (sermonem) convertere, vertere, transferre

Plato vertalen Platonem vertere, convertere

Uit Plato vertalen Ab of de (niet ex) Platone vertere, convertere, transferre

Uit de Phaedon van Plato is het volgende in het Latijn overgebracht Ex Platonis Phaedone haec in Latinum conversa sunt

Iets (Grieksch) in het Latijn vertolken Aliquid (Graeca) Latine reddere of sermone Latino interpretari

Woordelijk, woord voor woord, letterlijk vertalen Ad verbum transferre, exprimere / Verbum e verbo exprimere / Verbum pro verbo reddere / Totidem verbis transferre (niet verbo tenus!)

De regels der taal, der spraakkunst Leges dicendi / Praecepta grammaticorum

(Niet regula, dat richtsnoer, maatstaf beteekent)

Een taalvorscher, taalgeleerde, philoloog Grammaticus

Zuivere taal, zonder fouten schrijven Emendate scribere

Goed Latijn schrijven Latine scribere

2. VOLZIN. PERIODE. WOORD. SPREEKWOORD. LETTERGREEP. LETTER

De volzin Enuntiatio, enuntiatum, sententia

De zinbouw, periodenbouw Compositio, structura verborum

De periode Ambitus, circuitus, comprehensio, continuatio (verborum, orationis), ook alleen periodus

De constructie (= de verbinding der woorden en zindeelen volgens de taalregels) Constructio, structura verborum, forma dicendi

(Bij Cicero is constructio en structura de rhetorische woordschikking, die de woorden plaatst, zooals de nadruk (vis, pondus), de welluidendheid (numerus) en de sierlijkheid (ornatus) het vorderen)

Construeeren Construere

Den conjunctivus regeeren Adiungi, addi coniunctivo

Woordenrijkheid of rijkdom van woorden Copia, ubertas verborum

Woordenrijk of rijk aan woorden zijn Verbis abundantem esse, abundare

Gebrek aan woorden Inopia verborum

Goed gekozen, met zorg gekozen woorden gebruiken Lectissimis verbis uti

Verouderde, dubbelzinnige woorden Obsoleta (tgst. usitata), ambigua verba

De zegswijze, spreekwijze Locutio

Naar de letter, naar het heet -- maar in waarheid, inderdaad Verbo, nomine -- re, re quidem vera

Naar de woorden, of de woorden genomen zooals zij zijn Si verba spectas

Uit den naam of namens iemand (b.v. groeten.) Verbis alicuius (b.v. salutare) (niet nomine alicuius!)

Dat zijn maar complimenten, dat zijn maar woorden Verba istaec sunt

Klinkklank, geklinkklang van woorden, zinledige klanken Inanis verborum sonitus

Een vloed of stroom van holle woorden, bombast Inanium verborum flumen

Onzin, woorden zonder zin, praatjes voor den vaak uitslaan Inanes voces fundere

Rhetorische opsmukking Flosculi, rhetŏrum pompa

Woorden laten vallen (vrijwillig), iets te verstaan geven Voces iacĕre

Geen woord zeggen Nullum (omnino) verbum facere

Ook niet met één woord van iemand gewagen, reppen Ne verbum (zonder unum!) quidem de aliquo facere

Het woord nemen, het woord voeren, eene redevoering houden Verba facere

Iemand een woord ontlokken, afpersen, een woord uit iemand krijgen Verbum ex aliquo elicere

Eene woordenwisseling met iemand hebben, twisten Verbis concertare of altercari cum aliquo

Woordentwist Verborum concertatio

Een woord tegen iemand aandringen, urgeeren Verbo (zonder uno!) premere aliquern (niet urgere!)

Slechts weinige woorden zeggen Pauca dicere (pauca verba dicere slechts van redenaars!)

Van de lange rede is in het kort de zin Omnia verba huc redeunt

Hij liet zich geen woord ontvallen, geen woord ontglipte hem Nullum verbum ex ore eius excidit (ook enkel ei)

Het juiste woord, de uitdrukking niet kunnen vinden Verbo parum valere

Hiervoor hebben wij geen woord Huic rei deest apud nos vocabulum

Een nieuw woord in de Latijnsche taal invoeren Inducere novum verbum in Latinam linguam

Woorden vormen, smeden Verba parĕre, fingere, facere

Woordafleiding Nominum interpretatio (niet etymologia!)

Een woord afleiden van... (van hem, die een nieuw woord schept) Vocabulum, verbum, nomen ducere ab, ex

(Verbum derivare beteekent slechts: van gebruikelijke woorden nieuwe vormen, b.v. door achtervoegsels, als van Atreus Atrides)

Een woord afleiden (van hem, die een woord uitlegt) Verbum ductum esse a ... putare / Originem verbi repetere a ...

De afstamming der woorden in 't licht stellen, onderzoeken, de woorden etymologisch verklaren,

navorschen Nomina enodare of verborum origines quaerere, indagare

Het woord amicitia is ontleend aan amare Nomen amicitiae (of alleen amicitia) dicitur ab amando

VAN iets gezegd of gebruikt worden IN aliqua re dici

Wat beteekent dit woord? Welke beteekenis wordt aan dit woord gehecht? Quid significat haec vox? Quae est vis huius verbi? Quae notio of sententia subiecta est huic voci?

De oorspronkelijke, eerste beteekenis van een woord Vis et notio verbi, vocabuli

Het woord carere heeft de beteekenis van... Vox, nomen carendi of alleen carere hoc significat

Wat verstaan wij door een wijze? Quem intellegimus sapientem?

Wat verstaat men door deugd? Quae intellegitur virtus? / Quid est virtus?

Hetzelfde beteekenen Idem valere, significare, declarare

Gelijkbeteekenende woorden, synoniemen Vocabula idem declarantia

De beteekenis van het woord strekt zich verder uit Vocabulum latius patet.

Het woord heeft eene meer beperkte beteekenis Vocabulum angustius valet

De oploopendheid bepaalt men: eene hartstochtelijke begeerte om zich te wreken Iracundiam sic (ita) definiunt, ut ulciscendi libidinem esse dicant of ut u. libido sit of iracundiam sic definiunt: ulc. libidinem

Iets in goeden, in kwaden zin nemen; ten goede, ten kwade uitleggen In bonam, malam partem accipere aliquid

Het woord aemulatio wordt in dubbelen zin, zoowel ten goede als ten kwade gebruikt Aemulatio dupliciter dicitur, ut et in laude et in vitio hoc nomen sit

Zich aan de letter (eener wet) houden Verba ac litteras of scriptum (legis) sequi (tgst. sententiam den zin, den geest)

Dit woord is van het onzijdig geslacht Hoc vocabulum generis neutri (niet neutrius!) est

De volgorde der woorden, woordschikking Ordo verborum

Het eigenlijke, juiste woord, de echte uitdrukking Vocabulum proprium

De troop Verborum immutatio

De overdrachtelijke uitdrukking Verbum translatum

De metaphoor Translatio

De allegorie Continua translatio

De ironie Dissimulatio

Eene vergelijking gebruiken Simili uti

't Is een, oud gezegde, oude spreuk, dat... Vetus (verbum) est (c. Acc. c. Inf.)

Gelijk het spreekwoord zegt Ut of quod of quomodo aiunt, ut of quemadmodum dicitur / Ut est in proverbio

Een spreekwoord worden In proverbii consuetudinem of enkel in proverbium venire

Een spreekwoord geworden zijn Proverbii locum obtinere

Dit is bij de Grieken een spreekwoord Hoc est Graecis hominibus in proverbio

Treffend is de les van dat Grieksche spreekwoord Bene illo Graecorum proverbio praecipitur

Een oud spreekwoord verbiedt ons Vetamur vetere proverbio

Een oud, alom bekend spreekwoord Proverbium vetustate (sermone) tritum

Eene lettergreep, eene letter lang uitspreken Syllabam, litteram producere (tgst. corripere)

Dit woord gaat uit op eene lange lettergreep Haec vox longa syllaba terminatur in longam syllabam cadit, exit

Een woordenzifter, woordenvitter Syllabarum auceps

Woordenzifterij, -- vitterij Verborum aucupium of captatio

De letters duidelijk uitspreken Litteras exprimere (tgst. obscurare)

Letterlijk Ad litteram, litterate

Het alphabet Litterae, elementa

Alphabetisch rangschikken Ad litteram of litterarum ordine digerere

3. SCHRIFT. SCHRIJVER. BOEK

Iets opschrijven, opteekenen, op het papier brengen, te boek stellen Litteris mandare of consignare aliquid

Iets schriftelijk behandelen Litteris persequi aliquid

De schrijver, de auteur Striptor (niet auctor = zegsman)

Schrijven (= boeken enz. vervaardigen) Scribere

Schrijver worden, zich op het schrijven toeleggen, zijn zin op het schrijven zetten Ad scribendum of ad scribendi studium se conferre / Animum ad scribendum appellere, applicare

Een boek schrijven Librum scribere, conscribere

Een boek bewerken, samenstellen Librum conficere, componere

Een boek uitgeven Librum edere

Een boek openslaan, openen Librum evolvere / Volumen explicare

Aan iemand een boek opdragen Librum mittere ad aliquem

De titel van een boek Index, inscriptio libri

(Niet titulus, dat beteekent 1) opschrift (op standbeelden, grafzerken enz.) en 2) een bordje aan een huis dat te koop of te huur staat)

Het boek heeft tot titel, de titel van het boek is Laelius Liber inscribitur Laelius

Er bestaat een werk over... Liber est de...

Het boek bestaat nog Exstat liber (niet liber exstat!)

Het boek dat op iemands naam gaat Liber, qui fertur alicuius

Het boek gaat door voor het werk van een onbekende Liber refertur ad nescio quem scriptorem

Het boek handelt over de vriendschap Hic liber est de amicitia (niet agit!) of hoc libro agitur de amicitia

Het boek behelst, bevat iets, in het boek komt iets voor Libro continetur aliquid (niet liber continet aliquid!) / Libro scriptor complexus est aliquid

Aan, op het einde van het boek In extremo libro

Het boek onder handen hebben, daaraan werken Liber mihi est in manibus / Librum in manibus habere

Het boek, de redevoering is overal verspreid, overal te krijgen Liber, oratio in manibus est

Een boek ter hand nemen, gaan lezen Librum in manus sumere

Een boek uit de handen leggen Librum de manibus ponere

Een boek, een werk fijn beschaven, polijsten, gladslijpen Perpolire, limare diligenter librum, opus

De laatste hand wordt aan een werk gelegd Extrema manus accēdit operi (actief: extremam manum imponere operi)

Een grondig geschreven boek Liber accurate, diligenter scriptus

Een uittreksel maken uit Cicero's werken Aliquid, multa ex Ciceronis libris excerpere

Iets in zijn aanteekenboek opschrijven Aliquid in commentarios suos referre

Een boek met aanmerkingen, leesteekens voorzien Librum annotare, distinguere

Zich in zijne bibliotheek begraven Se abdere in bibliothecam suam

Plato lezen Platonem legere

Eene plaats uit Plato aanhalen (citeeren) Locum Platonis afferre, proferre, laudare (niet citare!)

Onze schrijver zegt hier Scriptor (zonder noster) hoc loco dicit

Plato bestudeeren Platonem legere et cognoscere

Iets vluchtig doorlezen, doorloopen Legendo percurrere aliquid

IN Plato lezen wij, dat. Apud Platonem scriptum videmus, scriptum est of alleen est

(Legere wordt in deze verbinding slechts in het perfectum gebruikt)

IN de Phaedon van Plato lezen wij IN Platonis Phaedone scriptum est

De tekst van den schrijver Verba, oratio, exemplum (niet textus!) scriptoris

De lezers Legentes, ii qui legunt

(Niet lector = een (vaste) voorlezer, getrouwe lezer, ook iemand, die zich nogal met lezen bezig houdt. Zoo beteekenen de woorden op tor, trix niet iemand, die ééne handeling verricht, maar die eene gewoonte heeft, die dikwijls handelt b.v. mercator = groothandelaar, structor = metselaar, calumniator = die dikwijls lastert, enz.; zij kunnen echter ook een persoon beteekenen, die door ééne handeling vermaard is, b.v. creator huins urbis, Romulus; servator Graeciae (Themistocles) enz. Spreekt men van ééne handeling, zoo zegge men dus niet auditores, maar audientes, of ii qui audiunt)

Den lezer vervelen Languorem, molestiam legentium animis afferre

Een boeiend, onderhoudend boek Liber plenus delectationis

Iemands geest ademt, leeft, spreekt in zijne geschriften Alicuius mens in scriptis spirat

Schrijffout Mendum (scripturae)

Vol schrijffouten Mendose scriptum

Zich verschrijven Labi in scribendo

1) Zich dikwijls verschrijven, 2) vol fouten zijn (van een geschrift) Mendosum esse

Een woord doorhalen, doorstrijken, uitstrijken Inducere verbum

4. DE BRIEF

Aan iemand een brief schrijven Epistulam (litteras) dare, scribere, mittere ad aliquem

Een brief aan Atticus Epistula ad Atticum data, scripta, missa of quae ad A. scripta est

Iemand een brief ter bezorging geven Epistulam dare alicui

Iemand een brief ter hand stellen bezorgen (van den biievenbesteller) Epistulam reddere alicui

Briefwisseling Epistularum commercium; litterae missae et allatae

Met iemand in briefwisseling zijn of briefwisseling houden Colloqui cum aliquo per litteras

In briefwisseling zijn Litteras inter se dare et accipere

Een brief ergens heenbrengen Litteras perferre aliquo

Een brief zegelen, verzegelen Epistulam signare, obsignare

Een brief openbreken, openmaken, openen Epistulam solvere, aperire, resignare (ook linum incīdere = den draad stuksnijden)

Een brief onderscheppen Epistulam intercipere

Een brief in beslag nemen Epistulam deprehendere

Een schrijven voorlezen Litteras recitare

Een schrijven, dat luidt als volgt Litterae hoc exemplo

Het schrijven is van den volgenden inhoud Litterae in hanc sententiam of his verbis scriptae sunt

Rome, den 1 Januari Kalendis Ianuariis Romā

De datum Dies

Geliefde vader Pater optime of carissime! mi pater!

(Amatus en dilectus mogen niet gebruikt worden, omdat het eerste in het geheel niet, het laatste slechts bij dichters en latere schrijvers als adjectivum voorkomt)

III. Gemoed en hart.

I. GEMOEDSSTEMMING, GEMOEDSAANDOENING IN HET ALGEMEEN

De gemoedsstemming Animi aflectio of habitus

In zulke gemoedsstemming zijn Ita animo affectum esse

(Maar niet magno, abiecto, laeto enz. animo affectum esse of affici)

De stemming, de gezindheid trachten te ontdekken Animos tentare

(Animum tentare beteekent ook 1) iemands gezindheid op de proef stellen 2) iemand (tot iets kwaads) aanzetten)

Iemands gemoed buigen, hem anders stemmen; zijne gezindheid veranderen Animum alicuius of alleen aliquem flectere

De gemoedsaandoening Animi motus, commotio, permotio

Iets maakt indruk op iemand, werkt op zijn gemoed Aliqua re moveri, commoveri

Iemands hart bewegen of roeren, treffen Alicuius animum commovere, pellere

Het gevoel opwekken Motus excitare in animo (tgst. sedare, exstinguere)

Aangedaan, bewogen zijn, in gevoel zijn Commotum of concitatum esse

Hevig bewogen, ontroerd, geschokt zijn Commotum perturbatumque esse.

Iemand in verwarring brengen, ontstellen Alicuius mentem turbare, conturbare, perturbare

Hoe zijt gij te moede? Quid tibi animi est?

2. VREUGDE. SMART

Iemand verblijden, iemand genoegen doen Afficere aliquem gaudio, laetitia / Afferre alicui laetitiam

Vreugde, vermaak scheppen in iets, zich in iets verblijden, zijn lust in iets vinden Laetitiam capere of percipere ex aliqua re / Delectari aliqua re

Zich in stilte verheugen; in het vuistje lachen In sinu gaudere

Met vreugde vervuld worden Gaudio perfundi

(Gaudio compleri wordt bij Cicero een enkel maal, gaudio impleri volstrekt niet gevonden. In het algemeen verbinde men complere, implere, replere nooit met substantiva, die eene gemoedsaandoening te kennen geven)

Iemands vreugde ten top voeren Cumulum gaudii alicui afferre

Van vreugde juichen, jubelen Gaudio, laetitia exsultare

Uitgelaten zijn van vreugde Laetitia gestire

De uitgelaten vreugde Effusa laetitia / Laetitia gestiens

(Men zegt ook: effusa fuga = wilde vlucht, effusi sumptus, overdreven, dwaze uitgaven)

Buiten zich zelf van vreugde zijn Gaudio, laetitia efferri

Iemands hart tot blijdschap stemmen Animum alicuius ad laetitiam excitare

Van al te groote blijdschap bijna het verstand verliezen Nimio gaudio paene desipere

Het smart, bedroeft mij, doet mij leed, ik ben bedroefd, verdrietig, misnoegd over iets Doleo aliquid, aliqua re, de en ex aliqua re / Aegre, graviter, moleste fero aliquid (met Acc. c. Inf. of met

quod)

Gij doet mij in de ziel leed, ik ben om uwentwil bedroefd Tuam vicem doleo

(Zoo staat vicem cum gen. of met een pronomen possessivum in de beteekenis van wegens, met betrekking tot, vooral bij de werkwoorden die eene gemoedsaandoening uitdrukken (doleo, timeo, irascor)

Gevoelig, pijnlijk, smartelijk aangedaan worden Dolore affici

Smart gevoelen over iets Dolorem capere (percipere) ex aliqua re

Groote pijnen, hevige smarten lijden Doloribus premi, angi, ardere, cruciari, distineri et divelli

Iemand smart veroorzaken Dolorem alicui facere, afferre, commovere

Iemand eene gevoelige, bittere smart veroorzaken Acerbum dolorem alicui inurere

De pijn is zeer hevig Acer morsus doloris est

Zijne smart door tranen lucht geven, verlichten, daarin uitstorten Dolorem in lacrimas effundere

De smart woont in de ziel Dolor infixus animo haeret

Van smart wegkwijnen, vergaan Dolore confici, tabescere

De pijnen verminderen, bedaren Dolores remittunt, relaxant

Tegen de pijn harden, daarvoor gevoelloos maken Callum obducere dolori

(Zoo zegt men: consuetudo callum obduxit stomacho meo, de gewoonte heeft mij ongevoelig gemaakt. Callum is eigenlijk = eelt)

Ik ben voor het lijden gevoelloos geworden Animus meus ad dolorem obduruit

De smart verbannen, de kwellende gedachte van zich afzetten niet langer daaraan toegeven Dolorem abicere, deponere, depellere

Iemands smart wegnemen, hem daarvan verlossen Dolorem alicui eripere

Tot mijne groote smart Cum magno meo dolore

3. KOMMER. ZORG. ONBEZORGDHEID. TEVREDENHEID. ROUW.

Kommer of zorgen hebben, bekommerd of bezorgd zijn In aegritudine, sollicitudine esse / Aegritudine, sollicitudine affici / Sollicitum esse

Zich om iets niet bekommeren, zich over iets geen grijze haren laten wassen Non laborare de aliqua re

Iets baart mij zorg, kommer Aliquid me sollicitat, me solliciturn habet, mihi sollicitudini est, mihi sollicitudinem affert

De kommer knaagt aan het hart en mergelt geheel en al uit Aegritudo exest animum planeque conficit

Door kommer, door zorgen uitgemergeld, verteerd worden Aegritudine, curis confici

Onder den kommer gebukt, gekromd gaan, daardoor terneergeslagen, ontmoedigd zijn Aegritudine afflictum, debilitatum esse, iacēre

Iemands kommer lenigen, verzachten Aegritudinem alicuius elevare / Aliquem aegritudine levare

Rustig, kalm, onbekommerd, onbezorgd blijven Quieto, tranquillo, securo animo esse

Met zijn lot tevreden zijn Rebus suis, sorte sua contentum esse

Het is mij voldoende, genoeg te... Satis habeo, satis mihi est c. Inf.

Met weinig tevreden zijn Paucis, parvo contentum esse

Ik ben met mijn lot ontevreden Fortunae meae me paenitet

Ik ben over mijne vorderingen niet ontevreden Non me paenitet quantum profecerim

In den rouw zijn In luctu esse

In zwaren rouw zijn; in zak en asch zitten In sordibus luctuque iacēre.

De dood van iemand heeft mij in rouw gedompeld Mors alicuius luctum mihi attulit

In (zwaren) rouw gedompeld worden In maximos luctus incidere / Magnum luctum haurire (zonder ex) / Luctum percipere ex aliqua re

Allen rouw doen verdwijnen, verbannen Omnem luctum plane abstergere

Den rouw afleggen Luctum deponere

De tijd doet allengskens zelfs den zwaarsten rouw slijten Vel maximos luctus vetustate tollit diuturnitas

4. VREES. SCHRIK. ANGST

Iemand vrees inboezemen, schrik aanjagen Timorem, terrorem alicui inicere, sterker incutere

De vrees maakt zich van iemand meester Timor aliquem occupat

In vrees verkeeren In timore esse, versari

Bevreesd worden, door vrees bevangen worden In timorem venire, pervenire

De vrees brengt hem buiten zich zelven, berooft hem van het verstand Metus aliquem exanimat

Door vrees overmand, overweldigd zijn Metu fractum et debilitatum, perculsum esse

De vrees laten varen, afleggen Abicere, omittere timorem

Ruimer ademhalen A metu respirare

Van de vrees bekomen Ex metu se recreare, se colligere

De schrik bevangt, overvalt iemand, valt hem op het lijf Terror incidit alicui / Terror invadit in aliquem (zelden alicui, sedert Livins aliquem)

Iemand den schrik op het lijf jagen In terrorem conicere aliquem

Zich angstig, bezorgd, ongerust maken (Animo) angi

De zorg kwelt en verontrust iemand Cura sollicitat angitque aliquem

Door angst benauwd, beklemd worden Angoribus premi

In groote benauwdheid zijn, doodsangst uitstaan Angoribus confici

5. MOED. MOEDELOOSHEID. KLEINMOEDIGHEID. OPGEBLAZENHEID. HOOGMOED. OVERMOEDIGHEID. AANMATIGING. TROTSCHHEID

Goeden moed hebben Bono animo esse / Bonum animum habere

Moed vatten, scheppen Animus alicui accedit / Animum capere, colligere

Weder moed scheppen, nieuwen moed krijgen Animum recipere

Moed hebben Animo forti esse

Toon u moedig, geef bewijs van moed Fortem te praebe

Vroolijk en wel te moede zijn Alacri et erecto animo esse

Iemand moed geven, inboezemen Animum facere, addere alicui

Iemand aanmoedigen, zijn moed versterken Animum alicuius confirmare

Iemands moed verhoogen Animum alicui augere

Iemand weder moed geven, nieuwen moed inboezemen Animum alicuius redintegrare

De moed verflauwt, wordt verlamd, nedergeslagen Animus frangitur, affligitur, percellitur, debilitatur

De moed ontzinkt, zinkt Animi cadunt

Den moed laten zinken, verliezen; versagen Animo cadere, deficere / Animum demittere

Iemand bemoedigen of opbeuren Erigere animum of aliquem

Den moedelooze en ternedergeslagene weder opbeuren (tgst.den moed nederslaan) Excitare animum iacentem et afflictum (tgst. frangere animum)

Kleinmoedig, mismoedig, ontmoedigd, moedeloos zijn Animo esse humili, demisso (sterker. animo esse fracto, perculso et abiecto)

Trotsch, verwaand door iets geworden zijn, op iets zijn Inflatum, elatum esse aliqua re

Opgeblazen zijn Superbia infiatum esse

Hoogmoedig zijn Magnos spiritus sibi sumere

Iemands hoogmoed fnuiken Spiritus alicuius reprimere

Zich overmoedig, laatdunkend gedragen Insolentius se efferre

Zich trotsch, verwaand gedragen Elatius se gerere

Zich iets aanmatigen Sibi sumere aliquid

Zich trotsch aanstellen Contumacius se gerere

De rondborstige, edele fierheid of trots van Socrates (voor de rechters) Libera contumacia Socratis

6. TEGENWOORDIGHEID VAN GEEST. GELIJKMOEDIGHEID. BERADENHEID. VERTWIJFELING.

Tegenwoordigheid van geest hebben Praesenti animo uti

Met (groote) gelijkmoedigheid, gemoedskalmte iets verdragen Aequo (aequissimo) animo ferre aliquid

Met gelatenheid, bedaardheid, kalmte iets dragen Humane, modice, moderate, sapienter, constanter ferre aliquid

Op iets voorbereid zijn (Animo) paratum esse ad aliquid

Bereid zijn om alles te verduren Omnia perpeti paratum esse

Zich op alle gebeurlijkheden voorbereiden Ad omnes casus se comparare

Iemand zijne kalmte, de kalmte van zijn geest doen verliezen, van zijn stuk brengen Animum alicuius de statu, de gradu demovere (sterker depellere, deturbare)

Zijne kalmte, de kalmte van zijn geest verliezen, zich van zijn stuk laten brengen De statu suo of mentis deici / De gradu deici, ut dicitur; perturbari (animo)

(De uitdrukkingen zijn aan het gevecht ontleend)

Niet bij zinnen, zich zelven geen meester, buiten zich zelven zijn Sui (mentis) compŏtem non esse / Non esse apud se

Nauwelijks bij zijne zinnen zijn, zich ternauwernood meester blijven Mente vix constare

Kalm en moedig zijn Animo adesse (zie bl. 110)

Tot zich zelven komen, tot bezinning komen Ad se redire

Zijne bedaardheid bewaren, kalm blijven Constantiam servare / Mente consistere

Aan zijn toestand wanhopen Desperare suis rebus

(Desperare wordt met de geconstrueerd, met den accusativus in de beteekenis: niet meer op iets rekenen b.v. reditum, pacem, of ook met den dativus, bijzonder met sibi, suis rebus, saluti, fortunae suae. Desperatus = vertwijfeld, hopeloos)

In (de grootste) vertwijfeling geraken, tot wanhoop vervallen, gebracht worden Ad (summam) desperationem pervenire, adduci

Hopelooze toestand, volslagen wanhoop Desperatio rerum (omnium)

Wat zal er van mij worden of wat zal mijn lot zijn? Quid (de) me fiet?

Het is met mij gedaan! Actum est DE me!

7. HOOP. VERWACHTING

Hoop hebben, voeden, koesteren Spem habere / Spe duci, niti

Ik koester groote hoop, dat... Magna me spes tenet (met Acc. c. Inf.)

Ik vlei mij met de hoop Sperare videor

Goede, de beste hoop van iemand hebben Bene, optime (meliora) sperare de aliquo

Hoop opvatten, krijgen In spem venire, ingredi, adduci / Spem concipere animo

Op nieuw hoop krijgen Spem redintegrare

Iemand hoop geven, met hoop bezielen Spem alicui facere, afferre, inicere

De hoop in iemand doen herleven of wekken, verlevendigen Ad spem aliquem excitare, erigere

De beste hoop in iemand levendig maken In maximam spem aliquem adducere

Iemands hoop opbeuren, betere verwachtingen bij hem opwekken In meliorem spem cogitationem aliquem inducere

Iemand het vooruitzicht op iets openen Spem alicuius rei alicui proponere

Een straal of flikkering van hoop blinkt Spes affulget

Iemand ijdele hoop geven, iets ijdels voorspiegelen Spem falsam alicui ostendere

Iemand de hoop benemen Spem alicui adimere, tollere, auferre, eripere

De hoop afsnijden Spem praecīdere

De hoop verliezen Spem perdere / Spe deici

De hoop faalt of mislukt, wordt teleurgesteld of verijdeld Spes ad irritum cadit, ad irritum redigitur

De hoop opgeven, laten varen Spem abicere, deponere

Zich door ijdele, valsche hoop laten leiden, verleiden of verlokken Inani, falsa spe duci, induci

Iemand ziet zich in zijne hoop teleurgesteld, bedrogen Spes aliquem frustratur

De hoop vervliegt allengskens Spes extenuatur et evanescit

Iemand in zijne hoop teleurstellen Spem alicuius fallere

Iemands hoop verminderen, verzwakken Spem. alicui of alicuius minnere

Iemand in zijne hoop versterken, bevestigen Spem alicuius confirmare

Iemands hoop voedsel geven Spem alicuius alere

Zijne hoop op iemand stellen, vestigen Spem habere in aliquo / Spem suam ponere, collocare in aliquo

Tusschen hoop en vrees dobberen Inter spem metumque suspensum animi esse.

Buiten verwachting Praeter speur; exspectationem

1) Maken, dat men verwacht wordt, 2) verwachting van zich geven of de verwachting spannen Exspectationem sui facere, commovere

De verwachtingen vervullen Exspectationem explere

Aan de verwachtingen voldoen, beantwoorden Exspectationi satisfacere, respondere

Over iets in bange verwachting zijn Exspectatione alicuius rei pendēre (animi)

Door pijnlijke verwachting geslingerd, gefolterd worden Exspectatione torqueri, cruciari

In gespannen verwachting zijn Suspenso animo exspectare aliquid

Iemands verwachting zeer hoog of ten hoogste spannen Aliquem in summam exspectationem adducere

8. MEDELIJDEN. TOEGEEFLIJKHEID. VERGIFFENIS. GEVOELLOOSHEID. WREEDHEID.

Iemands medelijden opwekken Misericordiam alicui commovere / Misericordiam alicuius concitare

Iemand tot medelijden stemmen Ad misericordiam aliquem allicere, adducere

Door medelijden bewogen, getroffen worden Misericordia moveri, capi

Het medelijden inroepen Misericordiam implorare

Iemands gebreken door de vingers zien, daarvoor toegeeflijk zijn Indulgere vitiis alicuius

Iemand vergiffenis schenken Alicui veniam dare (alicuius rei)

Alle menschelijk gevoel afgelegd, verloren hebben, geheel gevoelloos zijn, geen hart hebben Omnem humanitatem exuisse, abiecisse / Omnem humanitatis sensum amisisse

Van alle menschelijk gevoel ontbloot, verstoken zijn Omnis humanitatis expertem esse

Alle menschelijk gevoel in zijn hart verstikken Omnem humanitatem ex animo exstirpare

Geen sprankje gevoel hebben Nullam partem sensus habere

Zich wreedaardig gedragen, zich wreedheid veroorloven Crudelitate uti

Iemand wreedaardig behandelen, wreedheid aan hem plegen Crudelitatem exercere in aliquo / Crudelitatem adhibere in aliquem

9. LIEFDE. VERLANGEN. BEWONDERING. GEESTDRIFT

Iemand liefhebben Carum habere aliquem / In amore habere aliquem / Amore prosequi, amplecti aliquem

Iemand dierbaar zijn Carum esse alicui / Carum atque iucundum esse alicui

Liefde voor iemand opgevat hebben, hem zijne liefde geschonken hebben Adamasse aliquem (gewoonlijk in Perf. en Plqpf.)

Iemand met geheel zijn hart, uit geheel het hart, van ganscher harte beminnen Aliquem toto pectore, ut dicitur, amare

(Pectus wordt slechts hier en daar in enkele verbindingen figuurlijk aangetroffen (b.v. toto pectore cogitare = met gespannen geest denken, toto pectore tremere = tot in het diepste van zijn hart sidderen). Daarom vervange men het door animus)

Iemand hartelijk beminnen Aliquem ex animo of ex animi sententia amare

Door liefde tot de deugd getroffen, in liefde ontstoken, ontvlamd zijn, van liefde branden Amore virtutis captum, incensum, inflammatum esse, ardere

De liefde uit het hart verbannen Amorem ex animo eicere

Iemands lieveling Amores et deliciae alicuius

Iemands lieveling zijn In amore et deliciis esse alicui (act. in deliciis habere aliquem)

Iemand innig liefhebben Aliquem in sinu gestare (aliquis est in sinu alicuius)

Ik stel levendig belang in iemand, in iets; iets gaat mij ter harte (in den zin van: er is mij veel aan gelegen) Aliquis, aliquid mihi curae of cordi est

(Cor wordt slechts in deze zegswijze overdrachtelijk gebruikt; in de plaats. treedt animus)

Voor iets zorg dragen, zich aan iets laten gelegen zijn of gelegen liggen Curae habere aliquid (zonder sibi!)

Niets gaat mij zoo na aan het hart of aan niets is mij meer gelegen, dan dat... Nihil antiquius of prins habeo, quam ut (nihil mihi antiquius of potins est, quam ut)

Reikhalzen, een vurig verlangen naar iets hebben Desiderio alicuius rei teneri, affici (sterker flagrare, incensum esse)

In vurig verlangen ontbranden, daardoor aangegrepen worden Desiderio exardescere

Bewonderd worden Admirationi esse / Admiratione affici / Admirationem habere

(Admiratione affici beteekent ook: van bewondering vervuld worden)

Iemand wordt zeer bewonderd Magna est admiratio alicuius

Iemands verwondering of verbazing wekken Admirationem alicui movere

Vol bewondering, van bewondering vervuld zijn Admiratione incensum esse

Wonderspreukige of schijnbaar tegenstrijdige stellingen, paradoxen Admirabilia (= παράδοξα)

Voor iemand of voor iets in geestdrift ontstoken zijn (zoodat men tot daden geprikkeld wordt) Studio ardere alicuius of alicuius rei

Bij iemand de geestdrift voor iets opwekken, ontvonken (en daardoor tot daden brengen) Studio alicuius rei aliquem incendere

De geestdrift uitdooven Ardorem animi restinguere

De geestdrift is bekoeld Ardor animi resēdit

10. GELOOF. GELOOFWAARDIGHEID. VERTROUWEN. TROUW. BELOFTE. BORGSTELLING. BESCHERMING.

Iemand GELOOF schenken. Fidem habere alicui

(De hoofdbeteekenissen van fides zijn: A. 1) het GELOOF, dat men schenkt of bij anderen vindt; 2) datgene, waarop het geloof steunt: a) de geloofwaardigheid, oprechtheid, verzekering van iemand, b) de betrouwbaarheid of geloofwaardigheid van iets; B. 1) het VERTROUWEN, het krediet, dat men schenkt of geniet; 2) datgene, waarop het vertrouwen steunt: a) de eigenschappen van iemand: trouw, eerlijkheid, plichtsbetrachting, nauwgezetheid, b) het gegeven woord, de belofte, het vrijgeleide, de waarborg; C. de bescherming, de bijstand, die men bij iemand hoopt of vertrouwt te zullen vinden)

Aan iets geloof slaan, hechten Fidem tribuere, adiungere alicui rei

Iemand iets doen gelooven, hem overtuigen Fidem alicuius rei facere .alicui

Iemands GELOOFWAARDIGHEID verminderen, verzwakken Fidem alicuius imminuere, infirmare (tgst. confirmare)

Iemand de geloofwaardigheid outzeggen Fidem abrogare, derogare alicui

Iets BEKRACHTIGEN, verzekeren Fidem addere alicui rei

Iets is GELOOFBAAR, betrouwbaar Aliquid fidem habet

Iets geloofbaar, geloofwaardig maken Fidem facere, afferre alicui rei, (tgst. demere, ab-, derogare fidem)

Iemand door misbruik van VERTROUWEN bedriegen Per fidem fallere, decipere aliquem

Zijn vol vertrouwen op iemand stellen Fiduciam in aliquo ponere, collocare / Confidere alicui

Zijn vol vertrouwen in iets stellen, zich op iets verlaten Fiduciam alicuius rei habere

Het zelfvertrouwen Fiducia sui

Iemand iets toevertrouwen Committere aliquid alicui of alicuius fidei

Zich ter vrije beschikking van iemand stellen Totum se committere, tradere alicui

Van GETROUWHEID aan iemand blijk geven Fidem praestare alicui

Aan plichten, verbintenissen enz. getrouw zijn Fidem colere, servare

Getrouw blijven In fide manere

De trouw verzaken, ontrouw worden Fidem laedere, violare, frangere

Iemands trouw, eerlijkheid aan het wankelen brengen Fidem alicuius labefactare

Iemand tot ontrouw, oneerlijkheid verleiden De fide deducere of a fide abducere aliquem

Na wederzijdsche belofte van trouw Fide data et accepta

Iemand eene BELOFTE doen, zijn WOORD geven Fidem dare alicui (tgst. accipere) (c. acc. c. inf.)

Zijn woord houden Fidem servare (tgst. fallere) (niet tenere!)

Zijne belofte vervullen. Fidem persolvere / Fidem (promissum) praestare

Zijn woord verpanden, in pand geven Fidem interponere

Zijne belofte nakomen, houden Promisso stare

Zijn woord breken Fidem frangere

Door zijn woord gebonden zijn Fide obstrictum teneri

Belofte van persoonlijke zekerheid, VRIJGELEIDE van staatswege geven, vorderen, daarvoor instaan Fidem publicam dare, postulare, interponere

Zich door plechtige belofte verbinden (van twee partijen) Sponsionem facere

Zich borg stellen voor iemand Spondere pro aliquo

Voor iemand borg blijven Sponsorem esse pro aliquo

Iemand borg stellen, dat... Dare aliquem, qui spondeat (acc. c. inf.)

Voor iemand, voor iets borg zijn, instaan, zich verantwoordelijk stellen Praestare aliquem, aliquid of de aliqua re, ook acc. c. inf.

Zich onder iemands HOEDE, bescherming stellen Se conferre, se tradere, se permittere in alicuius fidem

Zijne toevlucht tot iemand nemen Confugere ad aliquem, ad fidem alicuius

Iemand onder zijne hoede, in bescherming, onder zijne bescherming nemen In fidem recipere aliquem

Iemands bescherming inroepen, afsmeeken. Over krediet zie bl. 83 Fidem alicuius obsecrare, implorare

11. ACHTERDOCHT. VERDENKING. VERMOEDEN. VOORGEVOEL

Iemand achterdocht, kwaad vermoeden inboezemen, iemands argwaan wekken Suspicionem movere, excitare, inicere, dare alicui

Achterdocht, argwaan van iemand koesteren, hem verdenken of verdacht houden Suspicionem habere de aliquo

Van iets verdacht zijn Suspicionem alicuius rei habere

Het vermoeden, de verdenking valt op iemand Suspicio (alicuius rei) cadit in aliquem, pertinet ad aliquem

Iemand in verdenking brengen (bij iemand), verdacht maken Aliquem in suspicionem adducere (alicui), aliquem suspectum reddere

In verdenking komen In suspicionem vocari, cadere

Bij iemand in verdenking komen In suspicionem alicui venire

De verdenking, het kwaad vermoeden van zich afweren, zich daarvan zuiveren Suspicionem a se removere, depellere, propulsare

De argwaan, het kwaad vermoeden bij iemand wegnemen Suspicionem ex animo delere

In iemands hart woont argwaan Suspicio insidet in animo alicuius

De lichtste verdenking, het nietigste vermoeden Suspicio tenuissima, minima

Ik heb een voorgevoel van een ongeluk Animus praesāgit malum / Animo praesagire malum

12. HAAT. NIJD. AFGUNST

Door iemand gehaat worden, bij iemand gehaat zijn Invisum esse alicui / Odio, invidiae esse alicui / In invidia esse alicui / In odio esse apud aliquem

(Odium is de haat, dien men iemand toedraagt wegens eene ware of vermeende beleediging; invidia is 1) afgunst, nijd; 2) haat, vooral wanneer hij uit afgunst, wangunst enz. ontstaat)

Zeer gehaat zijn, door den haat vervolgd worden Invidiā flagrare, premi

Het voorwerp van iemands haat worden In odium, in invidiam venire alicui

Zich (bij iemand) gehaat maken, zich (iemands) 'haat op den hals halen (door iets) Invidiam colligere (aliqua re) / Alicuius odium subire, suscipere, in se convertere, sibi conflare / In alicuius odium incurrere

Afgunst, nijd, haat tegen iemand opwekken, hem (bij iemand) gehaat maken In invidiam, odium (alicuius) vocare aliquem / In invidiam adducere aliquem / Invidiam alicui conflare / Invidiam, odium ex-, concitare alicui, in aliquem

Iemand een doodelijken haat toedragen Capitali odio dissidere ab aliquo

Zijn haat of wrok door (in) iets koelen, bot vieren Odium explere aliqua re

Een onverzoenlijken haat tegen iemand opvatten Odium implacabile suscipere in aliquem

1) Van haat tegen iemand gloeien, 2) door den gloeienden haat van iemand vervolgd worden Invidia alicuius ardere

Een ingewortelden haat tegen iemand koesteren, dragen Odium inveteratum habere in aliquem

Van gloeienden haat vervuld zijn Odio inflammatum esse (niet impletum zie bl. 133 noot)

Het vuur van den haat in iemand aanstoken Odium alicuius inflammare

Den haat uitdooven Odium restinguere, exstinguere

13. MISNOEGDHEID. TOORN. WRAAK. WOEDE

Over iets misnoegd, verdrietig zijn, iets ten kwade duiden Aegre, graviter, moleste, indigne ferre aliquid

Het stuitende, de laagheid van eene daad Indignitas, atrocitas rei

Welk eene laagheid! het is afschuwelijk! O facinus indignum!

In hevigen toom ontstoken, ontvlamd zijn Ira incensum esse / Iracundia inflammatum esse / Ira ardere

Opstuiven, opvliegen Iracundia exardescere, effervescere

Zich door gramschap laten vervoeren Iracundia efferri

De gramschap bedaart, heeft bijna uitgewoed Ira defervescit

Zijn toorn op iemand uitstorten, zijne gal op of tegen iemand spuwen, uitspuwen, braken, uitbraken Virus acerbitatis suae effundere in aliquem / Iram, bilem evomere in aliquem

Den teugel aan zijne gramschap vieren, zijn toorn bot vieren Irae indulgere

Zijn toorn tegen iemand luchten Iram in aliquem effundere

Tot gramschap geneigd zijn Praecipitem in iram esse

Zijn gemoed koelen Animum explere

Zijn toom bedwingen, inhouden, onderdrukken Iracundiam continere, cohibere, reprimere

Zijn toorn doen bedaren, kalmeeren Iram restinguere, sedare

Iemand beletten, tegenhouden zich aan de gramschap over te geven Animum alicuius ab iracundia revocare

Iemands gramschap opwekken, zijne gal wekken of ontsteken Stomachum, bilem alicui movere

Zich op iemand wreken, op hem wraak nemen Ulcisci aliquem, poenas expetere ab aliquo

(Ulcisci aliquem beteekent ook: iemand (een beleedigde) wreken, voor iemand wraak nemen, iemand voldoening (= genoegdoening) verschaffen)

Zich over iets wreken Ulcisci aliquid, poenas alicuius rei expetere

Iemand op iemand wreken, zich op iemand over iets wreken Ulcisci aliquem pro aliquo en pro aliqua re / Poenas alicuius en alicuius rei repetere ab aliquo

Beleedigingen wreken Iniurias persequi

Iemand woedend maken Impellere aliquem in furorem

Woedend worden Furore inflammari, incendi

In woede ontstoken Furore incensus, abreptus

IV. Deugden en gebreken

1. DEUGD. ZEDELIJKHEID

Een deugdzaam -- onzedelijk leven Vita honesta -- turpis

Naar het (zedelijk) goede streven -- het onzedelijke vermijden Honesta expetere -- turpia fugere

Deugdzaam zijn Virtute praeditum, ornatum esse (tgst. vitiis obrŭtum esse)

De deugd (gerechtigheid, vroomheid) oefenen, betrachten Virtutem (iustitiam, pietatem) colere

Het pad der deugd inslaan, betreden, bewandelen Viam virtutis ingredi

Bij alle gedachten en handelingen de deugd tot richtsnoer nemen, daarbij de beginselen der deugd op den voorgrond stellen Omnia consilia et facta ad virtutem referre

Naar deugd streven, trachten Virtutem sequi, virtutis studiosum esse

Een volmaakt, deugdzaam leven leiden Virtutis perfectae perfecto munere fungi

Zijn vroegeren deugdzamen levenswandel voortzetten, in de deugd niet verflauwen, verslappen Virtutem pristĭnam retinere / Nihil ex pristina virtute remittere

Het hoogste goed in de deugd stellen Summum bonum in virtute ponere

(Men zegt finis bonorum et mnalorum, het hoogste goed en het grootste kwaad)

De deugd heeft dit eigenaardigs, het is der deugd eigen te... Virtus hoc habet, ut...

Van het pad der deugd, van den rechten weg afwijken, afdwalen A virtute discedere of deficere / Honestatem deserere

Van de deugd der voorvaderen ontaarden A maiorum virtute degenerare, desciscere, deflectere

Uit den aard slaan A parentibus degenerare

(Zedelijk) verleid, bedorven worden Corrumpi, depravari

Iemand tot deugd aansporen Excitare aliquem ad virtutem

De goedhartigheid, goedaardigheid Bonitas

Aangeboren goedheid, goede geaardheid Naturae bonitas

De gaven, de voorrechten der natuur Naturae bona

2. GEBREK. ONDEUGD. MISDAAD

Zonder gebreken zijn Omni vitio carere

Gebreken verraden, openbaren zich eensklaps Vitia erumpunt (in aliquem)

Zich aan de ondeugd overgeven Animum vitiis dedere

Zich met misdaden bezoedelen Vitiis, sceleribus contaminari of se contaminare

Met misdaden bezoedeld, een slecht mensch zijn Vitiis, sceleribus inquinatum, contaminatum, obrutum esse

Ondeugden met wortel en tak uitroeien Vitia exstirpare et funditus tollere

Een zeer slecht, schandelijk leven Vita omnibus flagitiis dedita / Vita omnibus flagitiis inquinata

Zich in den maalstroom, den afgrond der ondeugden storten Se ingurgitare in flagitia

Van natuur tot het kwade geneigd zijn Natura proclivem esse ad vitia

Op misdaden zinnen, misdadige plannen smeden, beramen Scelera moliri

Eene misdaad bedrijven, begaan Scelus facere, committere

Eene euveldaad, een snoode daad plegen Facinus facere

Zich aan eene misdaad schuldig maken SceIere se devincire, se obstringere, astringi / Scelus (in se) concipere, suscipere

Een misdrijf tegen iemand plegen Scelus edere in aliquem

Misdaad op misdaad stapelen Scelus scelere cumulare

Eene misdaad door straf boeten Scelus supplicio expiare

3. BEGEERTE. HARTSTOCHT. ZELFBEHEERSCHING

Van begeerte, verlangen naar iets ontstoken, ontvlamd zijn Cupiditate alicuius rei accensum, inflammatum esse

Naar iets branden van verlangen Cupiditate alicuius rei ardere, flagrare

In iemand den lust, het verlangen opwekken, hem van verlangen doen branden Cupiditatem alicuius accendere / Aliquem ad cupiditatem incitare / Aliquem cupiditate inflammare

Zich door zijne hartstochten laten verblinden Cupiditatibus occaecari

Zich door hartstocht laten vervoeren, medesleepen Libidine ferri

Zich geheel aan zijne lusten overgeven Se (totum) libidinibus dedere

Een slaaf van zijne hartstochten zijn Cupiditatibus servire, parēre

Zich blindelings door iets laten medesleepen Praecipitem ferri aliqua re.

Iemand, die zich niet beheerschen kan, zonder zelfbeheersching Homo impotens sui / Homo effrenatus, intemperans

Zich beheerschen Sibi imperare of continere et coërcere se ipsum

Zich paal en perk weten te stellen, zich bedwingen Animum regere, coërcere, cohibere

Zich overwinnen Animum vincere

Zijne driften, hartstochten beheerschen Imperare cupiditatibus / Coërcere, cohibere, continere, domitas habere cupiditates

Zijne driften beteugelen, betoomen Refrenare cupiditates, libidines

Teugellooze driften Effrenatae cupiditates

Zijne driften voldoen, bevredigen Cupiditates explere, satiare

De hartstochten zijn verkoeld Cupiditates deferbuerunt

De hartstochten dooden Animi perturbationes exstirpare

4. ONRECHT. BELEEDIGING. BESCHIMPING. SMAAD. AANSTOOT

Iemand onrecht doen, iemand beleedigen Iniuriam inferre, facere alicui / Iniuria afficere aliquem

Iemand door eene beleediging tergen, het eerst beleedigen Iniuria lacessere aliquem

Zich van onrecht onthouden Iniuria abstinere

Onrecht lijden Iniuriam accipere

Onrecht, eene beleediging verdragen, verduwen Iniuriam ferre, pati

Beleedigingen afkeeren of afwenden, afweren Iniurias defendere, propulsare

Beleedigingen ongestraft laten, ongemerkt laten voorbijgaan Iniurias neglegere

Iemand tegen beleediging beschermen Ab iniuria aliquem defendere

Iemand voor beleedigingen voldoening geven Satisfacere alicui de iniuriis

Iemand beschimpen, smadelijk bejegenen Contumelia aliquem afficere

Beleedigende uitdrukkingen, schimp-, smaadredenen Voces (verba) contumeliosae / Verborum contumeliae

Iemand smaadwoorden naar het hoofd werpen, achternazenden Contumeliosis vocibus prosequi aliquem

Iemand met scheldwoorden, met smaad overladen Maledictis aliquem onerare, lacerare

Iemand aanstoot geven, hem beleedigen Offendere aliquem, alicuius animum / Offendere apud aliquem / In offensionem alicuius incurrere

Zich door iets gestooten, gekwetst, beleedigd gevoelen Offendi aliqua re (animus offenditur)

In iemand een steen des aanstoots vinden, zich over iemand ergeren Offendere in aliquo

In iets aanstoot geven, een misslag begaan Offendere in aliqua re

(Men zegt ook: offendere caput, pedem, zich het hoofd, den voet enz. stooten, zich daaraan bezeeren; pedem offendere ad lapadem, den voet aan een steen stooten; offendere aliquem imparatum, iemand aantreffen, die daarop niet voorbereid is)

Een steen des aanstoots, aanstootelijk, stootend zijn Offensionem habere

De zaak heeft iets stootends, ergerlijks Res habet aliquid offensionis

5. GEWELD. HINDERLAAG. BEDREIGING

Tegen iemand geweld gebruiken Vim adhibere, facere alicui

Iemand geweld aandoen Vim inferre alicui

Tegen iemand gewelddadigheden plegen, hem gewelddadig dooden Vim et manus afferre alicui

Geweld met geweld keeren, te keer gaan, van het recht van zelfverdediging gebruik maken Vim vi depellere / Vi vim illatam defendere

Eene hinderlaag leggen Insidias collocare, locare

Iemand eene hinderlaag leggen, lagen leggen, hem belagen Insidias alicui parare, facere,struere, instruere, tendere

Iemand in hinderlaag leggen Aliquem in insidiis Iocare, collocare, ponere

Iemand in eene hinderlaag lokken Aliquem in insidias elicere, inducere

Zich in hinderlaag leggen Subsidĕre in insidiis

Iemand met den dood, met het kruis en de foltering, met oorlog bedreigen Minitari (minari) alicui mortem, crucem et tormenta, bellum

Iemand met vuur en zwaard bedreigen Minitari alicui igni ferroque

Met oorlog, moord dreigen Denuntiare bellum, caedem

(Maar dreigen = nabij zijn, voor de deur staan is in pendēre, imminere, instare b.v. bellum imminet. Dreigen = zich laten aanzien is videri met den Inf. fut, (gewoonlijk zonder esse), b.v. coniuratio rem publicam perversura videtur, de samenzwering dreigt den staat omver te werpen of het laat zich aanzien, dat de samenzwering enz.)

Bedreigingen uiten Minas iacĕre, iactare / Minis uti

6. SCHIJN. VEINZERIJ. HUICHELARIJ. LIST. LEUGEN. SPOT

Den schijn van iets hebben Speciem alicuius rei habere

Den (uiterlijken) schijn van iets aannemen of zich voordoen Speciem alicuius rei praebere / Speciem prae se ferre

(Het woord UITERLIJK wordt in het Latijn slechts dan vertaald, wanneer het tegenover innerlijk (interior, intestinus, domesticus) staat. Zoo is uiterlijk voordeel enkel utilitas, uiterlijke vormen (= beleefdheden) urbanitas, uiterlijke eer honor, uiterlijke welstand fortuna. Evenzoo is innerlijke vreugde enkel gaudium, innerlijke droefheid maeror, enz.)

(Prae se ferre met acc. c. infin. is openlijk te kennen geven)

Onder den schijn Specie / Per speciem (alicuius rei)

Onder het voorwendsel, onder het voorgeven van iets Per simulationem, simulatione alicuius rei

Zich ziek veinzen, houden Simulare morbum

Eene ziekte ontveinzen Dissimulare morbum

(Simulare = doen alsof, maar dissimulare, doen alsof niet. Quae non sunt, simulo, quae sunt, ea dissimulantur)

Iemand hangt den vrome uit, is een huichelaar Aliquis simulat pium of se esse pium

Anders denken dan spreken Aliter sentire ac loqui (aliud sentire, aliud loqui)

Op listige wijze Per dolum

Door list en bedrog Dolis et fallaciis

Zonder te misleiden, onbewimpeld, zonder er doekjes om te winden Sine fuco ac fallaciis

Iemand met ijdele beloften (en in het algemeen met woorden) bedriegen, verschalken, om den tuin leiden Verba dare alicui

Onwaarheid spreken of eene leugen vertellen Mendacium dicere / Falsa (pro veris) dicere

Zich over iemand vroolijk maken, den draak met hem steken, den spot met hem drijven Ludere, irridere, deridere aliquem / Illudere alicui of in aliquem (beter dan aliquem)

Het voorwerp van iemands spot, zijn speelbal zijn Ludibrio esse alicui

Het voorwerp van spot, de speelbal worden In ludibrium verti

Op alle wijzen den gek met iemand scheren of steken, met hem spotten Omnibus artibus aliquem ludificari, eludere

Spotswijze Per ludibrium

7. PLICHT. NEIGING

Zijnen plicht doen, betrachten, vervullen Officium suum facere, servare, colere, tueri, exsequi, praestare / Officio suo satisfacere / Officio suo fungi

Zijn plicht volkomen, in alle opzichten volbrengen Omnes officii partes exsequi / Nullam officii partem deserere

Nauwgezet of stipt zijn in de vervulling zijner plichten Diligentem esse in retinendis officiis

Zijn plicht niet doen, niet volbrengen, verzuimen, verzaken Officium suum deserere, neglegere / Ab officio discedere / De, ab officio decedere / Officio suo deesse

Tot zijn plicht terugkeeren Ad officium redire

Aan zijn plicht getrouw blijven In officio manere

Het is tegen of in strijd met den plicht te... Contra officium est c. Inf.

Zich van zijn plicht laten aftrekken Ab officio abduci, avocari

Behoudens den plicht, zonder aan den plicht te kort te doen Salvo officio

(Let tevens op salvis legibus zonder eenige wetschending, salva fide behoudens het gegeven woord)

Wij hebben vele en groote verplichtingen jegens elkander, wij hebben wederkeerig vele en zware plichten te vervullen Multa et magna inter nos officia intercedunt

(Officium beteekent A. elke zedelijke verplichting of plicht, die de menschen JEGENS ELKANDER te vervullen hebben, alsmede de getrouwheid daaraan. Dientengevolge is officium 1) tegenover de overheid: onderdanigheid, dienstvaardigheid, gedienstigheid, eerbewijzing; 2) tegenover de medeburgers zijn het beleefdheden, hoffelijkheden, liefdediensten, B. het ambt, de bediening, waarvan men de plichten te vervullen heeft, b.v. officium maritimum = zeedienst

Iemand beleefdheden, hoffelijkheden, diensten bewijzen Aliquem officiis suis complecti, prosequi

Voorkomend, dienstvaardig, gedienstig jegens iemand zijn Officiosum esse in aliquem

Een zeer hoffelijke, voorkomende brief Litterae officii of humanitatis plenae

Neiging tot iets hebben (tgst. geen zin voor, afkeer van iets hebben) Studere alicui rei, studiosum esse alicuius rei / Studio alicuius rei teneri / Propensum, proclivem esse ad aliquid (tgst. alienum, aversum esse, abhorrere ab aliqua re)

Zijne neigingen involgen Studiis suis obsequi

Volgens zijne luim, zijne nukken handelen, daaraan toegeven Sibi of ingenio suo indulgere

8. REDE. GEWETEN

Met rede begaafd zijn Rationis participem (tgst. expertem) esse / Ratione praeditum esse

Verstandig handelen (tgst. onbedachtzaam, onberaden, onbezonnen) Prudenter, considerate, consilio agere (tgst. temere, nullo consilio, nulla ratione)

Verstandig zijn Sapere

Tot andere (betere) gedachten komen of zijne onbezonnenheid afleggen Ad sanitatem reverti, redire / Ad bonam frugem se recipere

Iemand weer tot rede brengen Ad sanitatem adducere, revocare aliquem

Zijt gij wel bij uwe zinnen? Satin (= satisne) sanus es?

Met de rede in strijd zijn, daartegen aandruischen Rationi repugnare

Een goed geweten Conscientia recta, recte facti (factorum), virtutis, bene actae vitae, rectae voluntatis / Mens bene sibi conscia

Een kwaad geweten Conscientia mala of peccatorum, culpae, sceleris, delicti / Animus male sibi conscius

Zich van geene schuld bewust zijn Nullius culpae sibi conscium esse

De knaging van het geweten gevoelen Conscientia morderi

Het kwaad geweten Iaat iemand rust noch duur Conscientiae maleficiorum stimulant aliquem

Door gewetenswroegingen gefolterd worden Conscientia mala angi, excruciari / (Mens scelerum furiis agitatur)

Door zijn goed geweten opgebeurd, gesterkt worden Conscientia recte factorum erigi

De Furiën jagen en pijnigen iemand Furiae agitant et vexant aliquem

9. MAAT. MAATSTAF. GRENS. GEMATIGDHEID. MIDDELWEG

Maat houden, binnen de. perken blijven Modum tenere, retinere, servare, adhibere

In alles maat houden Omnia modice agere

Iets beperken, paal en perk aan iets stellen Modum facere, statuere, constituere alicui rei of alicuius rei

De maat of de palen te buiten gaan, te ver gaan, de grenzen overschrijden Modum transire / Extra modum prodire / Ultra modum progredi

(Eerst bij Livius en de lateren vindt men modum excedere en supra modum)

Iets tot maatstaf nemen van iets, iets naar een maatstaf beoordeelen Metiri, ponderare, aestimare, iudicare aliquid (ex) aliqua re / Dirigere of referre aliquid ad aliquam rem

Bepaalde grenzen stellen Fines certos terminosque constituere

Iets binnen grenzen besluiten, de grenzen van iets afbakenen Terminis circumscribere aliquid

Matig zijn, zich gematigd toonen Moderatum, continentem esse / Moderatum se praebere / Temperantia uti

Gematigdheid in iets toonen, aan den dag leggen Moderationem, modum adhibere in aliqua re / Moderari aliquid

Met wijze gematigdheid Modice ac sapienter

Zonder maat of gematigdheid, in onbeperkte mate Sine modo; nullo modo adhibito

Bovenmate Extra, praeter modum

Den middelweg houden, het juiste midden bewaren Mediocritatem tenere

10. ZEDEN. ZEDELOOSHEID. ZEDENBEDERF. BEGINSELEN. KARAKTER

Een man van goede (slechte) zeden Homo bene (male) moratus

Een zedeloos, bedorven mensch Homo perditus

De voorschriften der zedenleer of zedenkunde Praecepta de moribus of de virtute

Zedelijke voorschriften, zedenlessen, leefregels (van gedrag) geven Morum praecepta tradere alicui / De virtute praecipere alicui

Zedenbederf, zedenverbastering Mores corrupti of perditi (niet corruptela morum!)

Bij zoo groot zedenbederf Tam perditis of corruptis moribus

De zedeloosheid neemt hand over hand toe Mores in dies magis labuntur (ook met ad, b.v. mores labuntur ad mollitiem)

Een streng zedenvoogd, bestraffer der zeden Severus morum castigator

Iets strookt niet met, is vreemd aan mijne gewoonten, dat ligt niet in mijn karakter Aliquid abhorret a meis moribus (tgst. insitum (atque innatum) est animo of in animo alicuius)

Denk- en handelwijze Consilia et facta

Aan zijn beginselen getrouw blijven Institutum tenere

Uit beginsel Ratione; animi quodam iudicio

Een wijze gedragsregel, gedragslijn Vitae ratio bene ac sapienter instituta

De grondbeginselen, die ik van mijne intrede in het openbare leven gevolgd heb Meae vitae rationes ab ineunte aetate susceptae

Volgens vaste beginselen handelen Certas rationes in agendo sequi

(Zoo mag agere in de beteekenis van: eene handeling doen zonder voorwerp of bijwoord slechts in infin. en gerundium gebruikt worden)

Geene beginselen hebben, zonder beginselen handelen Omnia temere agere; nullo iudicio uti / Caeco impetu ferri

Het karakter Natura et mores; vita moresque; indoles animi ingeniique; of alleen ingenium, indoles, natura, mores

Een man van karakter, vast van karakter (tgst. onstandvastig, lichtzinnig) Vir constans, gravis (tgst. homo inconstans, levis)

Vast van karakter, zich gelijk blijvend (in denken, in handelen) of consequent zijn Sibi constare, constantem esse

Veranderlijk, wispelturig, wuft zijn Animo mobili esse

Iets is een karaktertrek van iemand Aliquid est proprium alicuius

V. Godsdienst en eeredienst

I. GOD. GODSVEREERING

De besturende macht der godheid Numen (deorum) divinum

De genegen, gunstige goden Dei propitii (tgst. irati)

De goden des hemels of hemelgoden -- de goden der onderwereld of onderaardsche goden Superi -- inferi

De onderwereld, het schimmenrijk, doodenrijk Inferi (Orcus en Tartarus slechts dichterlijk)

In de onderwereld nederdalen Ad inferos descendere

In de onderwereld zijn Apud inferos esse

Iemand van de dooden opwekken, uit de onderwereld oproepen Aliquem ab inferis of a mortuis excitare (passief ab inferis exsistere)

De goden vroom vereeren Deos sancte, pie venerari

God volgens gebruik (met innige godsvrucht) eeren Deum rite (summa religione) colere

De dienst, de vereering van den god (inwendig of uitwendig) Cultus dei, deorum

Uiterlijke godsvereering, eeredienst Sacra, res divinae, religiones, caerimoniae

Aan de godsdienstoefeningen deelnemen (van priesters) Rebus divinis interesse

De godsdienstoefeningen bijwonen (van leeken) Sacris adesse

In een geheimen dienst van den god ingewijd worden Sacris initiari

Biddend naar de tempels der goden gaan Templa deorum adire

Iemand onder de goden opnemen, plaatsen Aliquem in deorum numerum referre

Iemand onder de goden tellen Aliquem in deorum numero referre

Iemand goddelijke eer bewijzen Aliquem divino honore colere / Alicui divinos honores tribuere, habere

De goden nabij komen Propius ad deos accedere

Het hemelsche -- het aardsche Supera et caelestia -- humana et citeriora

Door of onder goddelijke ingeving, met voorspellenden geest, (dikwijls enkel voortreffelijk, uitstekend) Divinitus

Als door een wonder, door goddelijke beschikking gebeurde het Divinitus accidit

2. GODSDIENST. GODSDIENSTIGE BEZWAREN. EED

De harten met de vreeze Gods vervullen Imbuere pectora religione

(Religio beteekent SUBJECTIEF eerbied voor, liefde tot, gehechtheid aan het heilige, godsvrucht, godvreezendheid, godsvereering, eeredienst, en bijzonderlijk teederheid en nauwgezetheid van geweten, gemoedsbezwaar; OBJECTIEF is religie het voorwerp van godsdienstige vereering of afkeer, dus zoowel het heilige, het heiligdom, de heilige plaats, als het onheilige, de zonde, de vloek, vooral hetgeen het geweten bindt, b.v. verplichting, eed)

De toehoorders met godsvrucht vervullen Audientium animos religione perfundere

De liefde tot den godsdienst in de harten uitdooven Religionem ex animis extrahere

Den godsdienstigen zin of de godsdienstigheid geheel vernietigen Omnem religionem tollere, delere

Het gebouw van den godsdienst ondermijnen Religionem labefactare (zie bl. 51 aanm.)

Het volk door den godsdienst in zijne macht houden Religione obstrictos habere multitudinis animos

Iemands geweten in twijfel brengen, een gemoedsbezwaar bij iemand doen ontstaan Religionem alicui afferre, inicere, incutere

Een gewetenszaak, een gemoedsbezwaar van iets maken, in iets vinden Aliquid religioni habere of in religionem vertere

Iemands geweten vindt bezwaar in iets Aliquid in religionem alicui venit

Gewetenloosheid Nulla religio

Een vreemden (= uitheemschen) eeredienst, godsdienst aannemen Religionem externam suscipere

Een nieuwen godsdienst invoeren Novas religiones instituere

Een godsdienstoorlog Bellum pro religionibus susceptum

De overtreding der godsdienstige gebruiken verbieden, op straffe van door een vloek getroffen te worden, die door geene boete kan weggenomen worden Violatas caerimonias inexpiabili religione sancire

Bij iemand een eed afleggen Iusiurandum dare alicui

(Sacramentum dicere alicui en apud aliquem, voor iemand of in iemands handen den krijgseed afleggen (van soldaten))

Ik zweer volgens plicht en geweten, naar mijn beste weten Ex animi mei sententia iuro

Iemand onder eede verplichten Iureiurando aliquem astringere

Zich onder eede verplichten te... Iureiurando ac fide se obstringere, ut...

Door een eed gebonden zijn Iureiurando teneri

Den eed houden Iusiurandum (religionem) servare, conservare

Een meineed, valschen eed doen Periurium facere; peierare

3. GELOOF. ONGELOOF. BIJGELOOF

Wij gelooven aan God, aan het bestaan van God Deum esse credimus

Ingeschapen begrippen der Godheid hebben Insitas (innatas) Dei cognitiones habere

Allen is het geloof aan God ingeschapen Omnibus innatum est et in animo quasi insculptum esse Deum

De natuur heeft in de harten gegrift, dat er een God bestaat Natura in omnium animis notionem Dei impressit

Het ongeloof Impietas

De godloochenaar Qui Deum esse negat

Het bijgeloof heeft zich van de gemoederen meester gemaakt Superstitio mentes occupavit

Bijgeloovig of vol bijgeloof zijn Superstitione imbutum esse

In de strikken van het bijgeloof verward zijn Superstitione teneri, constrictum esse

Het bijgeloof geheel uitroeien Superstitionem funditus tollere

Het bijgeloof met wortel en tak uitroeien Superstitionem radicitus of penitus evellere

De schrikbeelden Formidines

4. GEBED. HEILBEDE. GELOFTE

Bidden, gebeden storten Preces facere (meer dicht. fundere)

Tot God bidden Adhibere Deo preces / Precari Deum of ad Deum

Voor God geknield bidden, God smeeken Deo supplicare (pro aliquo)

God om iets bidden Precari aliquid a Deo / Precari a Deo, ut

Het formulier of vastgestelde gebed voorzeggen (opdat anderen het zouden volgen of nazeggen) Praeire verba (carmen)

De handen ten hemel verheffen (in deze houding bad men) (Supinas manus) ad caelum tendere

(Supinus = ὕπτιος is achterovergebogen. Vandaar zijn supinae manus handen met de palmen naar den hemel gewend)

Bewaart een eerbiedig stilzwijgen (eigenlijk: spreekt geen onheilig of onheilspellend woord) Favete ore, linguis = εὐφημεῖτε

De onsterfelijke goden danken, prijzen Grates, laudes agere dis immortalibus

De goden tot getuigen roepen, nemen Testari deos

Goden en menschen tot getuigen roepen Contestari deos hominesque

Met de hulp der goden Dis bene iuvantibus

De Hemel, God schenke daaraan zijn zegen! Quod Deus bene vertat!

De Hemel keere het! Quod di immortales omen avertant!

Dat verhoede God! (dat zij verre!) Quod abominor! (procul absit!)

God behoede, beware ons! Di prohibeant, di meliora!

De Hemel schenke zijn zegen! Quod bonum, faustum, felix fortunatumque sit

Iemand zegenen (verwenschen), iemand geluk (rampen) wenschen, toewenschen Precari alicui bene (male) of omnia bona (mala), salutem

Geloften doen Vota facere, nuncupare, suscipere, concipere

Zich van zijne geloften kwijten, ze vervullen Vota solvere, persolvere, reddere

Tot de vervulling van zijne gelofte verplicht worden, zijn wensch in vervulling zien gaan (en daarom gehouden de gelofte gestand te doen) Voti damnari, compŏtem fieri

5. OFFERS. FEESTEN

Offeren Sacra, sacrificium facere (ἱερὰ ῥέζειν), sacrificare / Rem divinam facere (dis)

Met wierook en reukwerken Ture et odoribus incensis

Na het offer (met de gebruikelijke plechtigheden) gebracht te hebben Rebus divinis (rite) perpetratis

Een offer, dat op bepaalden tijd (jaarlijks) regelmatig gebracht wordt Sacrificium statum (sollemne)

De offers ontheiligen Sacra polluere

Offerdieren slachten Victimas (runderen), hostias (kleinere dieren, vooral schapen) immolare, securi ferire, caedere, mactare

De goden verzoenen Deos placare

Voor de zielen der afgestorvenen of de schimmen offeren Manes expiare

Op het graf van ouders en verwanten offeren Parentare

Drankoffers plengen, plengoffers brengen Libare

Een feest vieren Diem festum agere / Diem festum celebrare (van eene groote menigte)

Een dankfeest bij alle rustbanken der goden (= in alle tempels) aankondigen Supplicationem indicere ad omnia pulvinaria

(Pulvīnar is een rustbed met kostbare kussens, waarop de goden werden geplaatst, en hun spijzen werden voorgezet (= lectisternium))

Tot een dankfeest van veertien dagen besluiten Supplicationem quindecim dierum decernere

Een dankfeest vieren Supplicationem habere

Een godenmaal houden Lectistemium facere, habere

Rustdag hebben Ferias habere, agere

6. ORAKEL. WONDERTEEKENS. WICHELARIJ. VOORTEEKEN

Een orakel raadplegen Oraculum consulere

Zich eene godspraak of een orakel laten geven Oraculum petere (ab aliquo)

Eene godspraak, orakelspreuk geven Oraculum dare, edere / Responsum dare, respondere

(Responsum dare (= een antwoord geven) wordt slechts gebruikt van een antwoord of advies dat ambtshalve gegeven wordt, b.v. door het orakel, door rechtsgeleerden)

Eene godspraak van het Delphische orakel (Apollo Pythius) Oraculum Pythium (Pythicum) / Vox Pythia (Pythica)

De vervulling der ongunstige wonderteekenen (door offers, boete enz.) afwenden Prodigia procurare

De sibyllijnsche boeken naslaan, raadplegen Libros Sibyllinos adire, consulere, inspicere

Auspiciën houden of nemen, de vogelvlucht (of hun gezang) waarnemen Augurium agere, auspicari

(Niet auspicia habere = het recht hebben van auspiciën te houden)

Den hemel gadeslaan (d.i. op bliksem, weerlicht, donder acht slaan) De caelo servare

De vogels geven iemand een goedkeurend teeken Aves (alites, oscines) addīcunt alicui (tgst. abdicunt aliquid)

(De alites gaven den wil der goden te kennen door de hoogte, de richting en de wijze hunner vlucht, de oscines (van os en cano) door den toon der stem en de plaats waar zij zich lieten hooren)

De vogelwichelaars verklaren een voorteeken ongunstig Augures obnuntiant (consuli)

Na het nemen der auspiciën Auspicato (rem gerere, urbem condere)

Iets als voorteeken aannemen, als gunstig voorteeken aanzien, laten gelden Omen accipere (tgst. improbare)

(Het stond namelijk vrij hetgeen men toevallig hoorde of zag als een omen aan te nemen of onopgemerkt te laten voorbijgaan; door het aannemen werd het voorteeken)

Iets als een voorteeken uitleggen Accipere, vertere aliquid in omen

Onder gelukkige voorteekenen Faustis ominibus

Een kwaad, ongunstig voorteeken Omen infaustum, triste

DERDE AFDEELING.

I. Wetenschap. Kunst.

1. WETENSCHAP IN HET ALGEMEEN. LETTERKUNDE

Wetenschappen, kunsten Optima studia, bonae, optimae, liberales, ingenuae artes, disciplinae

(Ars beteekent 1) het stelsel der wetenschap, de theorie of de regelen der kunst; 2) de vaardigheid in de toepassing der theorie; 3) eene afzonderlijke wetenschap of kunst)

De toelegging op, de beoefening der wetenschappen Litterarum studium of tractatio

(Littera = een letter, b.v. litteram nullam reliquit, ad me misit. Litterae = 1) letters; 2) het schrijven, de brief; 3) boeken, geschriften, Graecae de philosophia litterae; 4) het schrijven van boeken; 5) letterkunde, Graecas litteras discere; 6) wetenschappen; 7) wetenschappelijke ontwikkeling, erant in ea plurimae litterae)

Mannen van wetenschap, van studie Homines litterarum studiosi / Homines docti

De wetenschappen bloeien Artium studia of artes vigent (niet florent)

(Florere is overdrachtelijk schitteren, uitblinken, b.v. familia viris fortissimis floruit)

De wetenschappen zijn in verval, kwijnen Litterae iacent, neglectae iacent

(Zoo wordt iacēre figuurlijk gebruikt, niet slechts van hetgeen verwaarloosd is of veronachtzaamd wordt, maar ook, evenals frigēre, van personen, die in den staat alle macht en invloed verloren hebben)

De wetenschappen beoefenen Litteras colere

Met liefde, met lust de wetenschappen beoefenen Litteras amplecti

Liefde voor de wetenschap opgevat, gekregen hebben Litteras adamasse (gewoonlijk slechts in perf. en plqpf.)

Zich met de wetenschappen bezighouden In studio litterarum versari

Zich op eenig vak van wetenschap toeleggen, op het gebied, terrein eener wetenschap bezig zijn In aliquo litterarum genere versari

Met allen ijver studeeren Summo studio in litteris versari

Zich geheel aan de wetenschappen toewijden Se totum litteris tradere, dedere

Zich geheel in de studiën, in de wetenschappen verdiepen Se totum in litteras of se litteris abdere

Zich met inspanning op de wetenschap toeleggen In litteris elaborare

In de wetenschap rust en verkwikking vinden (zie bl. 62 aanm.) In litteris acquiescere

Zijn leven aan de wetenschap wijden Aetatem in litteris ducere, agere

Al zijn (beschikbaren) tijd aan de wetenschap schenken, wijden Omne (otiosum) tempus in litteris consumere

Alle vlijt aan de wetenschap besteden Omne studium in litteris collocare, ad litteras conferre

Lust, liefhebberij, liefde voor de wetenschap hebben Optimarum artium studio incensum esse

Zich tot de wetenschap getrokken gevoelen, de wetenschap heeft aantrekkelijkheid voor iemand Litterarum studio trahi / Trahi, ferri ad litteras

In de studiën nalatig worden, zijn ijver laten bekoelen Litterarum studia remittere

De gestaakte studiën hervatten Intermissa studia revocare

Slechts oppervlakkige kennis van iets opdoen, aan de oppervlakte blijven hangen Primis (ut dicitur) of primoribus labris gustare of attingere litteras

Letterkunde, gedenkstukken der letterkunde Litterae, litterae ac monumenta of alleen monumenta

Romeinsche letterkunde Litterae Latinae

(Latinus heeft betrekking op taal en letterkunde, Romanus op nationaliteit)

Heldere sterren aan den letterkundigen hemel Clarissima litterarum lumina

De Grieksche letterkunde bestudeeren Graecis litteris studere

Zich veel (slechts weinig) met de Grieksche letterkunde bezighouden Multum (mediocriter) in Graecis litteris versari

2. GELEERDHEID. KENNIS

Een geleerde, een geletterde Vir of homo doctus, litteratus

Een groot geleerde Vir doctissimus

Een degelijk, grondig geleerde Vir perfecte planeque eruditus

Een man van uitgebreide, veelzijdige kennis Vir omni doctrina eruditus

Vele geleerden Multi viri docti of multi et ii docti (niet multi docti!)

Alle geleerden Omnes docti, quivis doctus, doctissimus quisque

Geen geleerde Nemo doctus

Niemand, die slechts eenigermate geleerd is Nemo mediocriter doctus

Een kenner der Latijnsche taal, in het Latijn ervaren Latinis litteris of Latine doctus (niet cognitor!)

Zeer geleerd zijn Doctrina abundare

Met grondige kennis toegerust, verrijkt zijn (A) doctrina instructum esse

Slechts weinig geleerd zijn A doctrina mediocriter instructum esse

Degelijke, grondige geleerdheid Doctrina exquisita, subtilis, elegans (niet solida!)

(Solidus oorspronkelijk = vast en dicht, massief, gedegen, b.v. marmor solidum = massief marmer, terra solida = vaste aarde, dan overdrachtelijk = duurzaam, blijvend, echt of onvervalscht, b.v. solida laus, utilitas)

Diepe geleerdheid Doctrina recondita

Diepgeleerde, wetenschappelijke studiën Studia, quae in reconditis artibus versantur

Zijne geleerdheid luchten, te luchten hangen, uitstallen, ten toon spreiden Magnam doctrinae speciem prae se ferre

Het afgezonderd, teruggetrokken, bespiegelend leven van den geleerde Vita umbratilis (zie aanm. bl. 168)

Wetenschappelijke kennis hebben Litterarum scientiam (slechts in sing.!) habere

Kennis van iets verkrijgen, in iets verwerven Scientiam alicuius rei consequi / Scientia comprehendere aliquid

Grondige kennis van iets verkrijgen, iets door en door begrijpen Penitus percipere et comprehendere aliquid

(Niet in sucum et sanguinum convertere, omdat sucus et sanguis overdrachtelijk zooveel als ons "kracht en leven" uitdrukt, b.v. omnem sucum et sanguinem amisisse)

Iemands kennis verrijken Scientia augere aliquem

Rijk aan kennis zijn, uitgebreide, veelomvattende kennis hebben Multa cognita, percepta habere, multa dicidisse / Multarum rerum cognitione imbutum esse (tgst. litterarum of eruditionis expertem esse of (rerum) rudem esse)

3. VORMING. ONTWIKKELING BESCHAVING

Den geest vormen, veredelen Animum, ingenium excolere (niet colere!)

De vorming van den geest, de beschaving Animi, ingenii cultus (niet cultura, ook niet enkel cultus!)

Wetenschappelijk gevormd zijn Optimis studiis of artibus, optimarum artium studiis eruditum esse / Litteras scire

Eene hoogere wetenschappelijke vorming, ontwikkeling Litterae interiores et reconditae, artes reconditae

Hij is voor een Romein zeer wetenschappelijk gevormd, ontwikkeld Sunt in illo, ut in homine Romano, multae litterae

Oppervlakkig gevormd zijn Litteris leviter imbutum of tinctum esse

Op een hoogen trap van beschaving staan Omni vita atque victu excultum atque expolitum esse

Op een lagen trap van beschaving staan Omnis cultus et humanitatis expertem esse / Ab omni cultu et humanitate longe abesse

(Niet incultum esse, dat alleen op het uiterlijke betrekking heeft)

De menschen, een volk beschaven Homines, gentem a fera agrestique vita ad humanum cultum civilemque deducere

4. OPVOEDING. ONDERRICHT. SCHOOL. AANLEG. BEROEP

Een goede opvoeding genieten Liberaliter, ingenue, bene educari

(Niet frui, dat slechts gebezigd wordt, wanneer er werkelijk spraak is van genot, behagen en bevrediging, b.v. voluptate, otio frui)

Streng opgevoed worden Severa disciplina contineri

Iemand een beschaafde opleiding, opvoeding geven Aliquem ad humanitatem informare of instituere

Iemand verbeteren Mores alicuius corrigere (zie bl. 65 aanm.)

Iemand op den rechten weg terugbrengen In viam reducere aliquem

Tot den rechten weg terugkeeren In viam redire

Door iemand in de wetenschappen onderwezen worden Litteras discere ab aliquo

Onderricht van iemand ontvangen Institui of erudiri ab aliquo / Disciplina alicuius uti, magistro aliquo uti

In iemands school gevormd zijn E disciplina alicuius profectum esse

Een knaap bij iemand op school doen, hem een leermeester geven Puerum alicui erudiendum of in disciplinam tradere

Zich aan een leeraar aansluiten, zich aan zijne leiding overgeven Operam dare of alleen se dare alicui, se tradere in disciplinam alicuius, se conferre, se applicare ad aliquem

Veel met iemand omgaan, verkeeren (vooral van leermeester en leerling) Multum esse cum aliquo

De lagere school Ludus (discendi of litterarum)

De hoogere, wetenschappelijke school Schola

De school bezoeken Scholam frequentare

Het onderwijs voor kinderen Disciplina (institutio) puerilis (niet liberorum!)

De knapen in de (eerste) beginselen onderwijzen Pueros elementa (prima) docere

Het eerste wetenschappelijk onderricht, onderwijs ontvangen Primis litterarum elementis imbui

De wetenschappen, waarin de jeugd gewoonlijk onderwezen wordt, die tot eene beschaafde opvoeding behooren Doctrinae, quibus aetas puerilis impertiri solet / Artes, quibus aetas puerilis ad humanitatem informari solet

Iemand in de wetenschappen onderwijzen Erudire aliquem artibus, litteris (maar erudire aliquem IN iure civili, IN re militari)

Als geboren zijn tot iets (om te) Natum, factum esse ad aliquid (faciendum)

Zonder aanleg, geschiktheid iets doen Adversante et repugnante natura of invitā Minervā (ut aiunt) aliquid facere

Met zijn ruw, ongevormd (maar gezond) verstand Crassa of pingui Minerva spreekw..

(De verbinding van crassus (= dik, plomp) met Minerva (= de Wijsheid) is een ὀξύμωρον of schijnbare dwaasheid, maar waardoor aan het natuurlijk, gezond verstand met scherper ironie de voorrang boven onverstandige geleerdheid wordt toegekend)

Iemand aansporen Calcaria alicui adhibere, admovere / Stimulos alicui admovere

Iemand intoomen of matigen Frenos adhibere alicui

Aanleg hebben, begaafd zijn Bona indole (altijd in sing.!) praeditum esse (niet zonder abl.!) / Ingenio valere

Gelukkig begaafd, met groote natuurgaven bedeeld zijn Summo ingenio praeditum esse

Vorderingen in iets maken In aliqua re progressus facere, proficere, progredi

Een jongeling belooft veel voor de toekomst Adulescens alios bene de se sperare iubet, bonam spem ostendit of alii de adulescente bene sperare possunt

Een veelbelovend jongmensch Adulescens bonae (egregiae) spei

Men verwacht veel van uwe talenten Magna est exspectatio ingenii tui

Zich tusschen de stille muren eener school aftobben Desudare in scholae umbra of umbraculis

(Zoo beteekent umbra, umbracula, orum en het adjectivum umbratĭlis (vgl. bl. 165 vita umbratilis) de teruggetrokkenheid waarin de mannen van studie leven, in tegenstelling van sol, lux fori of forensis, die van hun openbaar optreden gebezigd worden, b.v. procedere in solem)

Een beroep kiezen Genus vitae (vivendi) of aetatis degendae deligere

Zijne loopbaan beginnen Viam vitae ingredi

Wijsgeer, geneesheer van beroep zijn Philosophiam, medicinam profiteri / Se philosophum, medicum (esse) profiteri

Mannen van het vak, deskundigen Qui ista profitentur

5. VOORBEELD. VOORSCHRIFT

Een goed, voortreffelijk, helder, schitterend voorbeeld Exemplum clarum, praeclarum, luculentum, illustre

(Bonum exemplum beteekent alleen een goed voorbeeld als toonbeeld voor ons gedrag)

Een gewichtig voorbeeld Exemplum magnum, grande

Een voorbeeld aanhalen, aanvoeren Exemplum afferre / Exemplo uti

Iemand (iets) als voorbeeld aanhalen Aliquem (aliquid) exempli causa ponere, proferre, nominare, commemorare

(Het Nederlandsche: bij voorbeeld moet niet vertaald worden door exempli causa, dat slechts in verbinding met een verbum (ponere, afferre, proferre, nominare enz.) voorkomt (= bij wijze van voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen iets aanhalen, noemen enz.). Verbi causa (gratia) wordt slechts gebruikt, wanneer men tot veraanschouwelijking van een algemeen geval één enkel willekeurig gekozen voorbeeld aanvoert)

Iets door voorbeelden staven, voorbeelden voor iets aanhalen Aliquid exemplis probare, comprobare, confirmare

Iets door voorbeelden aantoonen Aliquid exemplis ostendere

Voorbeelden aan de geschiedenis ontleenen Exempla petere, repetere a rerum gestarum memoria of historiarum (annalium, rerum gestarum) monumentis

Voorbeelden uit de Romeinsche (Grieksche) geschiedenis Exempla a rerum Romanarum (Graecarum) memoria petita

Eene menigte voorbeelden bijbrengen Multa exempla in unum (locum) colligere

Uit eene groote menigte voorbeelden er slechts één (weinige) nemen, één voorbeeld uit vele, uit duizende kiezen Ex infinita exemplorum copia unum (pauca) sumere, decerpere, eligere

Socrates als een toonbeeld, model van deugd aanhalen A Socrate exemplumvirtutis petere, repetere

Om dit voorbeeld te gebruiken Ut hoc utar, hoc afferam

Dergelijke, soortgelijke gevallen aanhalen Similitudines afferre

Het gezag van een geloofwaardig schrijver (zegsman enz.) voor iets hebben Auctore aliquo uti ad aliquid / Auctorem aliquem habere alicuius rei

Iemands voorbeeld volgen Auctoritatem alicuius sequi

Het voorbeeld van een groot man; een voorbeeld, dat tot maatstaf dient, tot richtsnoer genomen wordt Auctoritas et exemplum

Zich iemands voorbeeld ter navolging voor oogen stellen Sibi exemplum alicuius (of enkel sibi aliquem) proponere ad imitandum

Aan iemand een voorbeeld nemen Sibi exemplum sumere ab aliquo / Exemplum capere (petere) ab (ex) aliquo

Een voorbeeld geven Exemplum edere, prodere (niet dare!)

Ten voorbeeld strekken Exemplo esse

Iemand gestreng straffen tot een waarschuwend, afschrikkend voorbeeld Exemplum in aliquo of in aliquem statuere / Exemplum (severitatis) edere in aliquo

Iemand goede (slechte) voorschriften geven Bene (male) praecipere alicui

Voorschriften over iets geven Praecepta dare, tradere de aliqua re

In den leerenden, onderwijzenden toon vervallen Ad praecipiendi rationem delābi

Iets is diep in het hart geprent, gegrift Aliquid in animo haeret, penitus insedit of infixum est

Iets vast in den geest prenten Aliquid animo mentique penitus mandare

Iets ter harte nemen (een voorschrift, waarschuwing, enz) Demittere aliquid in pectus of in pectus animumque suum

6. DE WIJSBEGEERTE

Zich aan de wijsbegeerte, aan de studie der wijsbegeerte wijden Se conferre ad philosophiam, ad philosophiae of sapientiae studium

Zich op de wijsbegeerte toeleggen Animum appellere of se applicare ad philosophiam

Veel houden van, liefhebberij hebben voor de wijsbegeerte Philosophiae of sapientiae studio teneri

Zijn heil in de studie der wijsbegeerte zoeken, tot de wijsbegeerte zijne toevlucht nemen In portum philosophiae confugere

Tot de studie der wijsbegeerte gedreven worden In sinum philosophiae compelli

De wijsbegeerte wordt verwaarloosd, geringgeschat Philosophia (neglecta) iacet (Zie bl. 163 noot 4)

Over de wijsbegeerte (b.v. van Socrates) in het Latijn een helder licht verspreiden, haar in het L. met veel helderheid overbrengen Philosophiam Latinis litteris illustrare

De leerstellingen, stellingen, meeningen der wijsgeeren Decreta, inventa philosophorum

Met de leer, de voorschriften der wijsgeeren goed bekend, vertrouwd zijn, daarin bedreven zijn Praecepta philosophorum (penitus) percepta habere

Dit is geen alledaagsch, maar een wijsgeerig woord Hoc non est vulgi verbum, sed philosophorum

(Het adject. wijsgeerig ontbreekt in het Latijn; in de plaats staat de genet. philosophiae, philosophorum of philosophandi of wel in, de philosophia)

Wijsgeerige onderwerpen Quae in philosophia tractantur

De wijsgeerige werken van Cicero Ciceronis de philosophia libri

Die gevoelens, meeningen zijn verdwenen, worden niet meer gevolgd Illae sententiae evanuerunt

Die gevoelens zijn reeds voorlang verworpen Illae sententiae iam pridem explosae et eiectae sunt

De philosophische school, sekte Schola, disciplina, familia, secta

Volgeling, aanhanger van iemand zijn Sectam alicuius sequi / Disciplinam alicuius profiteri

Aanhangers, volgelingen van Plato Qui sunt a Platone of a Platonis disciplina; qui profecti sunt a Platone; Platonici

Solon, een der zeven wijzen Solo, unus de septem (illis)

De leer van Pythagoras was wijd en zijd verbreid Pythagorae doctrina longe lateque fluxit

(Wijsgeerige) voordrachten houden, colleges houden Scholas habere, explicare

De voordrachten bijwonen, colleges aanhooren Scholis interesse

Leeren of doceeren Tradere (aliquid de aliqua re)

Hoorder (leerling) van Plato zijn Audire Platonem, auditorem esse Platonis

7. DE DEELEN DER WIJSBEGEERTE (Philosophia in tres partes est tributa, in naturae obscuritatem, in disserendi subtilitatem, in vitam atque mores. Cic. de or. 1, 15, 68)

De natuurkunde, de natuurphilosophie Physica, orum; philosophia naturalis

De logica of redeneerkunde, disputeerkunst Dialectica, ae of orum (zuiver Latijn disserendi ratio et scientia)

De redeneerkunde leeren of doceeren Disserendi praecepta tradere

Logische juistheid Disserendi elegantia

Logische scherpzinnigheid Disserendi subtilitas

Spitsvondigheden (in het onderscheiden) Disserendi spinae

In de logica bedreven Disserendi peritus et artifex / Homo in dialecticis versatissimus

Van logica geen begrip hebben, niet weten wat logica is Disserendi artem nullam habere

De eerste beginselen der logica niet eens kennen Dialecticis ne imbutum quidem esse

(Imbuere is eigenlijk bevochtigen, b.v. gladii sanguine imbuti. Overdrachtelijk is het 1) vervullen met iets, b.v. religione, pietate, superstitione, crudelitate; 2) onderwijzen, met iets bekend maken, b.v. animurn honestis artibus, inzonderheid van hen, die slechts eene geringe of oppervlakkige kennis verkregen hebben)

Streng logisch, naar de strenge eischen der logica iets schikken, ordenen Ratione, eleganter (tgst. nulla ratione, ineleganter, confuse) disponere aliquid

De moraalphilosophie, ethiek of wetenschappelijke zedenleer Philosophia, quae est de vita et

moribus / Philosophia, in qua de bonis rebus et malis, deque hominum vita et moribus disputatur

De theoretische, bespiegelende wijsbegeerte Philosophia, quae in rerum contemplatione versatur, of quae artis praeceptis continetur

De practische wijsbegeerte Philosophia; quae in actione versatur

8. STELSEL. METHODE. BEGINSEL

Het stelsel, systeem Ratio; disciplina; ratio et discipline; ars

Tot een stelsel brengen, in systeem of in wetenschappelijken vorm brengen Ad artem redigere aliquid / Ad rationem, ad artem et praecepta revocare aliquid

Tot een stelsel gebracht zijn Arte conclusum esse

De consequentie (het zich zelf gelijk blijven) van een stelsel Perpetuitas et constantia

Echt wetenschappelijke kennis (op beginselen, op een systeem gebouwd) Ratio et doctrina

Iets stelselmatig doceeren of leeren Artificio et via tradere aliquid

Iets stelselmatig, volgens een stelsel schikken, ordenen Artificiose redigere aliquid

Iets stelselmatig behandelen Ad rationis praecepta accommodare aliquid

Het geheele stelsel omverwerpen Totam rationem evertere (passief iacet tota ratio)

Methodisch, volgens bepaalde orde te werk gaan, redetwisten Ratione et via, via et ratione progredi, disputare

Eene nieuwe methode kiezen, een nieuwen weg inslaan Novam rationem ingredi

Van een zeker, onfeilbaar beginsel uitgaan A certa ratione proficisci

Van valsche beginselen uitgaan A falsis principiis proficisci

Iets volgens wijsgeerige beginselen behandelen Ad philosophorum of philosophandi rationes revocare aliquid

9. GESLACHT. SOORT. BEPALING. ORDE. VERBAND

De soorten zijn aan de geslachten ondergeschikt Partes generibus subiectae sunt

Het geslacht in de bepaalde soorten verdeelen Genus universum in species certas partiri et dividere

Naar den aard, de hoedanigheid der zaak (qualitatief), niet naar hare hoeveelheid, menigte, grootte (quantitatief) bepaald worden Genere, non numero of magnitudine cerni

Spitsvondige verdeeling en bepaling Spinae partiendi et definiendi

Iets bepalen ;of eene bepaling van iets geven Rem (res) definire

Een duister begrip door de bepaling duidelijk maken, ophelderen Involutae rei notitiam definiendo aperire

Onder het begrip van vrees vallen, daartoe behooren, gebracht worden Sub metum subiectum esse

Den aard en de hoedanigheid van het punt van onderzoek bepalen Constituere quid et quale sit, de quo disputetur

Iets in de juiste orde, volgorde schikken In ordinem redigere aliquid

In nauw verband staan Conexum et aptum esse inter se

Met iets in verband staan Cohaerere, coniunctum esse cum aliqua re

In het nauwste verband staan Arte (artissime) coniunctum esse / Apte (aptissime) cohaerere

Stelselmatig, systematisch verband Continuatio seriesque rerum, ut alia ex alia nexa et omnes inter se aptae colligataeque sint

Geen samenhang, onderling verband hebben Diffusum, dissipatum esse

Verward zijn Confusum, perturbatum esse

Gescheidene dingen in onderling verband brengen, verbinden Rem dissolutam conglutinare, coagmentare

10. BEWIJS. WEDERLEGGING

Een sterk, afdoend of doorslaand bewijs Argumentum firmum, magnum

Een bewijs bijbrengen, aanvoeren Argumentum afferre

Een bewijs voor de onsterfelijkheid aanvoeren Argumentum immortalitatis afferre (niet pro immortalitate!)

Een bewijs voor de onsterfelijkheid der ziel aanvoeren Argumentum afferre, quo animos immortales esse demonstratur

Tot bewijs strekt, dat... Argumento (huic rei) est, quod

Iets duidelijk maken, duidelijk bewijzen Aliquid planum facere

Iemand iets aannemelijk maken, hem voor zijn gevoelen winnen Aliquid alicui probare (of c. acc. c. inf.)

Iets met bewijzen staven; iets onomstootelijk of onwederlegbaar bewijzen Argumentis confirmare, comprobare, evincere aliquid (of c. acc. c. inf.)

Een bewijs aan iets ontleenen, uit iets nemen of putten Argumentum ducere, sumere ex aliqua re of petere ab aliqua re

Een bewijs aandringen, de volle kracht daarvan laten uitkomen, zich daaraan vasthouden Argumentum premere (niet urgere!)

De bronnen der bewijzen Loci (τόποι) argumentorum

Bewijzen wederleggen Argumenta refellere, confutare

Een bewijsgrond aanvoeren Rationem afferre

(Argumentum is een bewijs uit feiten, ratio een bewijs uit de rede alleen)

11. BESLUIT. AANNEMING. GEVOLGTREKKING

Een besluit uit iets trekken, een gevolg uit iets afleiden Concludere, colligere, efficere, cogere ex aliqua re

Scherpzinnig besluiten of eene scherpzinnige gevolgtrekking afleiden Acute, subtiliter concludere

De gevolgtrekking bewijst, toont aan Ratio of rationis conclusio efficit

Het syllogisme of de sluitrede Ratiocinatio, ratio

De premissen of eerste stellingen -- de gevolgtrekkingen Prima (superiora) -- consequentia

(Het kunstwoord voor een der termen van het syllogisme is propositio, en in het bijzonder heet de eerste term of de algemeene waarheid propositio maior, de toepassing daarvan of minderterm propositio minor, het gevolg conclusio)

De drogreden, bedrieglijke redeneering, het sophisme Conclusiuncula fallax of captio

Als zeker zij vooropgesteld Positum sit a nobis primum (c. acc. c. inf.)

Dit als zeker vooropgesteld Hoc posito

Uit het bewezene volgt Hoc probato consequens est

Daaruit volgt, dat... Sequitur (niet ex quo seq.!) ut / Ex quo, ita efficitur ut of acc. c. inf.

12. REDETWIST. STRIJD. STRIJDVRAAG

Over een punt wetenschappelijk redetwisten, redeneeren, een vertoog houden Disputare (de aliqua re, ad aliquid)

(Disputare wordt bijna uitsluitend van wijsgeeren gebruikt, terwijl disserere iets uiteenzetten, ontwikkelen, zoowel van den wijsgeer als van den redenaar geldt. Het niet klassieke dissertatio worde door disputatio vervangen)

Grondig, degelijk redetwisten Subtiliter disputare

De bewijzen voor en tegen, bewijzen en tegenbewijzen aanvoeren, ontwikkelen, onderzoeken In utramque partem, in contrarias partes disputare

Noch het voor noch het tegen aanvoeren, er niet voor en niet tegen strijden In nullam partem disputare

Ik heb er niets tegen, ik bestrijd het niet Non repugno

Gelijk willen hebben in den redetwist, stijf en strak volhouden Pertinacem (tgst. clementem) esse in disputando

Iets gewonnen geven of toegeven Dare, concedere aliquid

Iets voor zeker aannemen (om er iets uit af te leiden) Sumere (tgst. reicere) aliquid

Zich aan iets houden, daarbij blijven Tenere aliquid; stare in aliqua re

Gelijk krijgen in iets, het veld behouden Obtinere aliquid

Geschilpunt, strijdvraag zijn, betwist worden In controversia esse, versari / In controversiam cadere

Iets tot een geschilpunt maken, in geschil trekken In controversiam vocare, adducere aliquid

Geschilpunt worden In controversiam venire, vocari, adduci

Het geschil onbeslist laten of het over iets niet eens worden In controversia relinquere aliquid

Geschil, strijd met iemand hebben Controversiam (contentionem) habere cum aliquo

Het is eene strijdvraag, eene betwiste vraag. of -- dan of In contentione ponitur, utrum -- an

Het betwiste punt Id, de quo agitur, of id quod cadit in controversiam

Een geschil beslechten, vereffenen, bijleggen Controversiam sedare, dirimere, componere

Eene strijdvraag beslissen Controversiam diiudicare

Iets met iemand afmaken Transigere aliquid cum aliquo

Ik heb met u te doen Res mihi tecum est

Onbetwist, onbetwistbaar, buiten kijf Sine (ulla) controversia

Dit pleit voor mij Hoc est a (pro) me

De zaak zelf pleit daarvoor Res ipsa docet

De zaak pleit voor zich zelf (voor mij bij u), behoeft geen betoog Res ipsa (pro me apud te) loquitur

De (betwiste) zaak is afgedaan Res confecta est

13. OVEREENSTE&MING. OVEREENKOMST. CONSEQUENTIE. TEGENSPRAAK

Met iemand overeenstemmen of het eens zijn Consentire, idem sentire cum aliquo

Niet met iemand overeenstemmen of het oneens zijn Dissentire, dissidere ab of cum aliquo

Allen komen of stemmen daarin overeen Omnes (uno ore) in hac re consentiunt

Daarover zijn het allen volkomen eens, er is maar ééne stem daarover Una et consentiens vox est

Eenparig, eenstemmig Una voce; uno ore / Uno, communi, summo of omnium consensu

In de zaak, niet in de woorden overeenstemmen Re concinere, verbis discrepare

Daarin zijn wij overeengekomen of het eens geworden Hoc convēnit inter nos

Daarin ben ik met u overeengekomen, het eens geworden Hoc mihi tecum convēnit

Hoe rijmt het met elkander? Hoe het te rijmen, overeen te brengen? Qui convĕnit?

Er heerscht onder de geleerden de grootste overeenstemming Summa est virorum doctissimorum consensio (tgst. dissensio)

De consequentie (het blijven oordeelen of handelen volgens zijne beginselen) Constantia (tgst. inconstantia)

Strijdig, onvereenigbaar zijn, elkander uitsluiten Inter se pugnare of repugnare

Met zich zelf in tegenspraak zijn, zich zelven tegenspreken Secum pugnare; sibi repugnare (dit laatste van zaken) / A se dissidere of sibi non constare (van personen)

Met zich zelf in tegenspraak komen Pugnantia loqui

Daartegenspreken, tegenpleiter zijn Contra dicere

Iemand, iets wederspreken; tegen iemand, iets pleiten Dicere contra aliquem of aliquid (niet contradicere alicui!)

14.. AFZONDERLIJKE WETENSCHAPPEN. (GESCHIEDENIS. FABELLEER. TIJDREKENKUNDE. AARDRIJKSKUNDE. WISKUNDE. NATUURKUNDE. STERRENKUNDE.)

De Romeinsche geschiedenis (= de feiten zelf, waaruit de geschiedenis bestaat) Res Romanae / Res gestae Romanorum

(Daarentegen res Romana = het Romeinsche staatsbestuur, de Romeinsche staat)

De geschiedenis (= het verhaal zelf der feiten of het werk zelf) Historia

De Romeinsche geschiedenis (= het verhaal, de behandeling der feiten) Historia Romana of rerum Romanorum historia

De Romeinsche geschiedenis (zoover zij op de overlevering of op het geheugen steunt) Memoria rerum Romanorum

Een geschiedkundig werk schrijven Historiam(as) scribere

De Romeinsche geschiedenis schrijven Res populi Romani perscribere

Geschiedschrijver Rerum striptor, historicus / Rerum auctor (als bron, waaruit men put)

(Historicus beteekent ook geschiedkundige, kenner der geschiedenis. Als adjectivum gebruikt het Cicero slechts in tegenstelling met oratorius, b.v. genus historicum, de historische stijl)

De geschiedboeken openslaan Evolvere historias, litterarum (veterum annalium) monumenta

Het is ons overgeleverd, wij weten uit de overlevering of uit de historie Memoriae traditum est, memoriae (memoria) proditum est (zonder nobis!) / Accepimus

(Scimus, cognovimus worden niet gebruikt van historische kennis)

Men verhaalt Tradunt, dicunt, ferunt

De geschiedenis heeft opgeteekend, verhaalt ons Historiae prodiderunt (zonder nobis!)

In de geschiedenis lezen wij Apud rerum scriptores scriptum est, scriptum videmus, scriptum lēgimus (zie noot bl. 130)

De oude geschiedenis Memoria vetus / Veterum annales / Veterum annalium monumenta / Antiquitatis memoria

De nieuwere geschiedenis Recentioris aetatis memoria

De geschiedenis van onzen tijd, de hedendaagsche geschiedenis Memoria huius aetatis (horum temporum) / Nostra memoria

De algemeene geschiedenis Omnis memoria, omnis memoria aetatum, temporum, civitatum of omnium rerum, gentium, temporum, saeculorum memoria

De geschiedenis naslaan, raadplegen Memoriam annalium of temporum replicare

De heldentijd (tijdvak der heroën) Aeras heroica / Tempora heroica

(Daarentegen herōus episch, benevens epicus, b.v. versus herōus = de dactylische hexameter, pes herōus, de dactylus, carmen epicum enz.)

De fabelleer, mythologie Fabulae, historia fabularis (niet mythologia!)

Teruggaan of opklimmen tot, beginnen bij, afleiden van de grijze oudheid Repetere ab ultima (extrema, prisca) antiquitate (vetustate), ab heroicis temporibus

Om van het voorhistorisch tijdperk op historisch terrein te komen Ut a fabulis ad facta veniamus

De historische tijd Historicorum fide contestata memoria

Historische juistheid, waarheid Historiae of rerum fides

Iets met historische juistheid verhalen Narrare aliquid ad fidem historiae

Een feit door de geschiedenis bevestigd Res historiae fide comprobata

De onvervalschte waarheid der feiten Incorrupta rerum fides

Zich op het schrijven van geschiedenis gaan toeleggen Ad historiam (scribendam) se conferre of se applicare

Een nauwkeurig geschiedvorscher Homo in historia diligens

In de (Romeinsche) geschiedenis bedreven zijn Memoriam rerum gestarum (rerum Romanarum) tenere

De vaderlandsche geschiedenis (die van andere landen) kennen Domestica (externa) nosse

De tijdrekenkunde, de tijdrekening, tijdbeschrijving, tijdsorde Temporum ratio, descriptio, ordo

Zich aan de tijdsorde houden Temporum ordinem servare

De gebeurtenissen volgens de tijdsorde verhalen Res temporum ordine servato narrare

Zich in de tijdrekening vergissen Temporibus errare

Iets chronologisch of tijdrekenkundig berekenen Ad temporum rationem aliquid revocare

Nauwkeurig zijn in de tijdberekening Diligentem esse in exquirendis temporibus

De aardrijkskunde Terrarum of regionum descriptio (geographia)

De wiskunde Mathematica (ae), geometria (ae), geometrica (orum)

Iets met wiskundige zekerheid besluiten Mathematicorum ratione concludere aliquid

Meetkunstige figuren teekenen Formas (niet figuras!) geometricas describere

Zich aan natuurkundige onderzoekingen wijden Se conferre ad naturae investigationem

De sterrenkunde Astrologia (zuiver Lat. sidera, caelestia)

De sterrenkundige Spectator siderum, rerum caelestium of astrologus

(Bij lateren kreeg astrologus, astrologia de beteekenis van sterrenwichelaar, sterrenwichelarij, en werd astronomia, astronomus voor sterrenkunde, sterrenkundige gekozen. Ter vermijding van dubbelzinnigheid mag dit gebruik gevolgd worden)

15. VOLMAAKTHEID. IDEAAL. KUNST IN HET ALGEMEEN

In hooge mate volmaakt Absolutus et perfectus

In alle opzichten volmaakt Omnibus numeris absolutus

De volmaaktheid bereiken Ad perfectionem, ad summum pervenire

De hoogste volmaaktheid of het ideaal der volmaaktheid Absolutio et perfectio (niet summa perfectio!)

Het ideaal Species optima of eximia, specimen, ook alleen species, forma

Een ideaal hebben Comprehensam quandam animo speciem (alicuius rei) habere

Een ideaal opvatten, scheppen Singularem quandam perfectionis imaginem animo concipere

Het ideaal van een redenaar schetsen, ontwerpen Imaginem perfecti oratoris adumbrare (zie noot bl. 112)

De ideale staat van Plato Civitas optima, perfecta Platonis / Illa civitas Platonis commenticia / Illa civitas, quam Plato finxit

Het kunstwerk, kunststuk Artis opus; opus arte factum of perfectum

Het meesterstuk Opus summo artificio factum / Opus omnibus numeris absolutum

Eene kunst beoefenen Artem exercere

Eene kunst leeren of onderricht daarin geven Artem tradere, docere

Eene kunst uitoefenen of tot beroep hebben, zich voor kunstenaar uitgeven Artem profiteri

Liefhebberij voor de kunst Artium (liberalium) studium, ook alleen studium

De regelen der kunst Artis praecepta of alleen ars

Kunstkenner (Artis, artium) intellegens, peritus (tgst. idiota de leek in de kunst)

Een (bekwaam, oordeelkundig, scherpzinnig) kunstrechter, criticus Existimator (doctus, intellegens, acerrimus)

Voor de vierschaar der critiek verschijnen In existimantium arbitrium venire

Critiek oefenen, critiseeren, beoordeelen Iudicium facere

Smaak hebben Sensum, iudicium habere

Een fijne; zuivere smaak Iudicium subtile, elegans, exquisitum, intellegens

Den smaak vormen, het oordeel scherpen Iudicium acuere

Geen smaak in de kunsten vinden Abhorrere ab artibus (tgst. delectari artibus)

1) De natuur getrouw weergeven, daarnaar teekenen (van den kunstenaar). 2) De natuur getrouw weergeven, daarnaar geteekend zijn (van het kunstwerk) Veritatem imitari

(Veritas beteekent niet alleen waarheid (tgst. mendacium), maar ook werkelijkheid (tgst. opinio, imitatio). Vandaar wordt dikwijls verbonden res et veritas ipsa, natura rerum et ipsa veritas)

Iets naar de natuur teekenen, de natuur weten te treffen Aliquid ad verum exprimere

Een welgetroffen beeld van het leven, eene karakterschildering Morum ac vitae imitatio

Iets is uit het leven gegrepen Aliquid e vita ductum est

16. DICHTKUNST. MUZIEK. SCHILDERKUNST. BEELDHOUWKUNST

Dichten Poëma condere, facere, componere / Versus facere, scribere

Met bezieling dichten Carmina, versus fundere

De dramatische dichtkunst Poësis scaenica

De tooneeldichter Poëta scaenicus

De treurspel-, blijspeldichter Scriptor tragoediarum, comoediarum, ook (poëta) tragicus, comicus

(Tragicus, comicus als adjectiva beteekenen: in het treurspel, blijspel voorkomend, b.v. Orestes tragicus, Orestes in het treurspel, senex comicus, de oude in het blijspel. Een grappenmaker, lachebek heet (homo) ridiculus, comisch, kluchtig ridiculus)

De fabeldichter Scriptor fabularum (niet fabulator, nog minder fabulista!)

In dichterlijke vervoering, verrukking komen Divino quodam instinctu concitari, ferri

Bezield, verrukt Divino quodam spiritu inflatus of tactus

Een gedicht, een vers met de passende gebaren voordragen Carmen, versum agere

Een gedicht luid en nauwkeurig of met uitdrukking voorlezen Carmen recitare (zie noot bl. 192)

Een gedicht voordragen (met uitdrukking in de stem) Carmen pronuntiare (zie noot bl. 192)

Een gedicht zonder kunst, een onbeschaafd, onhebbelijk gedicht Carmen incondītum

Zich aan de dichtkunst wijden Se conferre ad poësis studium

Zich als dichter onderscheiden, als zoodanig uitmunten Poëtica laude florere (zie noot bl. 163)

Iemand bezingen, in verzen verheerlijken Alicuius laudes versibus persequi / Alicuius laudes (virtutes) canere (niet canere aliquem!)

Iemands daden in verzen verheerlijken, verheffen Alicuius res gestas versibus ornare, celebrare

Zooals Homerus zingt Ut ait Homerus (niet canit!)

Dichterlijke rhythmus of klankmaat Numerus poëtice vinctus

Muziek leeren (= zich daarin bekwamen), beoefenen Artem musicam discere, tractare

Instrumentale muziek Nervorum et tibiarum cantus

Vocale en instrumentale muziek Vocum et fidium cantus

Iemand een snareninstrument leeren spelen Docere aliquem fidibus

Een snareninstrument leeren bespelen Fidibus discere

Op de citer spelen Fidibus canere

De snaren der citer tokkelen Pellere nervos in fidibus

Op de fluit blazen Tibias inflare / Tibiis of tibiā canere

Onder begeleiding der fluit zingen Ad tibiam of ad tibicinem canere

Een muzikant (die in het orkest medespeelt) (Homo) symphoniacus

Het orkest, de kapel speelt Symphōnĭa canit

Een virtuoos, meester in de kunst Acroāma

De melodie Modi

Componeeren Modos facere

De maat, de rhythmus Numerus, numeri

De schilderkunst Ars pingendi, pictura

De beeldhouwkunst Ars fingendi

Beelden en schilderijen Signa et tabulae (pictae)

Een beeld uit marmer vervaardigen Simulacrum e marmore facere

Opschriften op standbeelden plaatsen Statuas inscribere

(Statuae wordt niet van de beelden der goden gebruikt, simulacra zoowel van goden als menschen, signa bijna uitsluitend van goden)

17. TOONEEL. SPELEN

De tooneelspeelkunst Ars ludicra

Het tooneelstuk, drama Fabula, ludus scaenicus

Het onderwerp van het stuk Argumentum

Den tooneelspeler oefenen, leiden Fabulam docere (διδάσκειν) (taak van den dichter zelf) (tgst. fabulam discere = een stuk bestudeeren, van den tooneelspeler)

Een stuk spelen, uitvoeren Fabulam agere (van den tooneelspeler)

Een stuk ten tooneele brengen, laten spelen Fabulam edere (van den directeur) / Fabulam dare (van den dichter)

Iemand (een schouwspeler) laten optreden In scaenam producere aliquem

Optreden of op het tooneel treden In scaenam prodire

Wederom optreden In scaenam redire

Van het tooneel aftreden (nadat de rol afgespeeld is) Abire

Het tooneel vaarwelzeggen De scaena decedere

Iets op het tooneel brengen, vertoonen In scaenam aliquid inducere

Het tooneelgezelschap Familia, grex, caterva histrionum

De directeur van het gezelschap Dominus gregis

De schouwburg, de toeschouwers of het publiek Theatrum

(Ook overdrachtelijk: de schouwplaats, de werkkring, b.v. theatrum magnum habet ista provincia)

Een genegen, welwillend publiek hebben Populum facilem, aequum habere

In de handen klappen, bijval schenken Plaudere (niet applaudere!) / Plausum dare (alicui)

Luide bijvalsbetuigingen, toejuichingen (aan de vergadering) ontlokken Clamores (coronae) facere, excitare

Bij iets "da capo" roepen Revocare aliquid

Een stuk uitfluiten Fabulam exigere

Een stuk mishaagt, maakt fiasco Fabula cadit

Een speler, acteur uitfluiten Histrionem exsibilare, explodere, eicere, exigere

Een tooneelist onder het spelen woorden van afkeuring toeroepen Histrioni acclamare

Iemands rol spelen Partes agere alicuius

(Ook figuurlijk van de rol, die iemand in het leven speelt; hetzelfde geldt van partes suscipere, sustinere, dare, tribuere alicui, defendere of tueri (volhouden). Men kan ook persona (eigenlijk masker, momaangezicht) gebruiken, b.v. personam alicuius gerere, ferre, tenere, sustinere iemands rol spelen, hem voorstellen, personam suscipere of inducere, eene rol op zich nemen, personam tueri eene rol volhouden, personam alicni imponere, iemand eene rol laten spelen. Vandaar beteekent persona overdrachtelijk de persoonlijkheid, het eigen karakter van iemand, of concreet een persoon van bepaalden stand of rang. Nooit staat het eenvoudig voor ons woord persoon, wanneer getallen worden opgegeven b.v. drie personen waren aangewezen = tres (homines) aderant)

Voor slaaf spelen Agere servum

Een tooneelist, die de eerste, tweede, derde rol speelt Actor primarum, secundarum, tertiarum partium

Het koor van het treurspel Caterva, chorus

Het koor = de koorzang Carmen chori, canticum

De dialoog of samenspraak Diverbium

De monoloog of alleenspraak Canticum

De spelen in de renbaan, tooneelspelen of tooneelvertooningen Ludi circenses, scaenici

Spelen aanleggen, daartoe aanstalten maken Ludos apparare

Spelen geven, houden, vieren Ludos facere, edere (Iovi)

Spelen hernieuwen, herhalen Ludos instaurare

Een wedstrijd van zwaardvechters geven Munus gladiatorium edere, dare (ook enkel munus edere, dare)

De troep zwaardvechters (die een lanista of schermmeester toebehooren) Familia gladiatoria

(Vandaar familiam ducere figuurlijk: aan het hoofd staan, de voornaamste zijn b.v. in iure civili)

De zwaardvechtersschool Ludus gladiatorius

Bij de zwaardvechtersspelen Gladiatoribus

Sterk bezochte spelen Celebritas ludorum

Prachtig aangelegde spelen Magnificentia ludorum / Ludi apparatissimi

De Olympische, Pythische spelen Ludi Olympia (niet ludi Olympici!), Pythia

In de Olympische spelen de overwinning behalen Olympia vincere (Ὀλύμπια νικᾶν)

Gymnastische spelen Ludi gymnici / Certamina gymnica

In de renbaan loopen Stadium currere

II. Redekunst en Stijlleer

1. DE REDE IN HET ALGEMEEN

De redekunst, rhetorica, leer der welsprekendheid Ars dicendi

De redekunst of de welsprekendheid gaan beoefenen Ad dicendum se conferre.

In de redekunst of in de welsprekendheid onderricht geven Dicendi praecepta tradere

De leeraar der redekunst of der welsprekendheid Rhetor, dicendi magister

Het redenaarstalent Facultas dicendi

Een geboren redenaar zijn Natum, factum esse ad dicendum

Veel gemak hebben van spreken, een geoefend spreker zijn Facilem et expeditum esse ad dicendum

Ongeoefend zijn in het spreken Insolentem (tgst. exercitatum) esse in dicendo

Welbespraakt of wel ter tale zijn Disertum esse

In den waren zin redenaar zijn, welsprekend zijn Eloquentem esse

Een groot redenaar zijn Eloquentia valere / Dicendi arte florere

Zich als redenaar onderscheiden Eloquentiae laude florere

De zeggingskracht Vis dicendi

Een machtig redenaar zijn Multum dicendo valere, posse

De grootste, voornaamste redenaar zijn Eloquentiae principatum tenere / Primum of principem inter oratores locum obtinere

Eene redevoering opstellen, maken Orationem conficere

Zich tot eene redevoering voorbereiden Orationem commentari

Eene goed doordachte, bestudeerde redevoering Oratio meditata

Voor de vuist of onvoorbereid spreken Subito, ex tempore (tgst. ex praeparato) dicere

Eene voor de vuist uitgesproken redevoering Oratio subita

Eene doorloopende rede (door vragen en antwoorden niet afgebroken) Oratio perpetua

Eene zorgvuldig bewerkte redevoering Oratio accurata

(Accuratus wordt slechts van zaken, niet van personen gebruikt)

Eene goed geschikte redevoering Oratio composita

De heftige, hartstochtelijke, bezielde rede ; de heftige, bezielde toon Contentio (tgst. sermo)

Met grooten rijkdom van woorden en gedachten spreken Copiose dicere

Sierlijk spreken Ornate dicere

Vrijmoedig spreken Libere dicere

Rechtuit, openhartig spreken Plane, aperte dicere

Met duidelijke, uitdrukkelijke woorden iets zeggen Perspicue, diserte dicere

Zonder omhaal van woorden, kort en bondig spreken Missis ambagibus dicere

Met overredingskracht spreken Accommodate ad persuadendum dicere

Gaan (= zich gereed maken, beginnen) spreken, als redenaar optreden Aggredi ad dicendum

(Surgere ad dicendum kan slechts hij, die inderdaad gezeten is)

In de volksvergadering als redenaar optreden Verba facere apud populum, in contione

(Dicere apud populum, milites enz., wanneer het volk enz. officieel, coram populo enz., wanneer het toevallig vergaderd is)

Het redenaarsgestoelte beklimmen In contionem (in rostra) ascendere of escendere

Eene redevoering houden Orationem habere

Beginnen te spreken Initium dicendi facere

Eindigen met spreken Finem dicendi facere

1) De redevoering besluiten of de slotrede houden (van het laatste gedeelte der redevoering), 2) het laatste pleidooi, de laatste redevoering houden (in een proces waarin verscheidene sprekers zijn opgetreden) Perorare

Indruk maken op de toehoorders, hen in geestdrift brengen Animos audientium permovere, inflammare

Boeien Animos tenere

Zich gehoor verschaffen of maken, dat men aandachtig luistert Audientiam sibi (orationi) facere

Strijdvaardig zijn Lingua promptum esse

Vaardigheid in het antwoorden Celeritas in respondendo

Goede longen hebben Bonis lateribus esse

2. STIJL. BEHANDELING. UITDRUKKING

De stijl Genus dicendi (scribendi); oratio

(Niet stilus = de schrijfstift der ouden (vandaar stilum vertere = het geschrevene uitstrijken); overdrachtelijk beteekent het 1) het schrijven, het stellen b.v. stilus optimus est et praestantissimus dicendi effector et magister het schrijven is de beste oefening voor den redenaar, 2) de pen of het eigenaardige karakter van den stijl eens schrijvers, dus de stijl hem alleen eigen)

De verhevene, gematigde, eenvoudige stijl Genus dicendi grave of grande, medium, tenue

(Naar den inhoud behooren de redevoeringen tot het genus deliberativunn (συμβουλευτικόν), tot het genus iudiciale (δικανικόν) of tot het genus demonstrativum (ἐπιδεικτικόν)

Een vloeiende stijl Fusum orationis genus

Een ruwe, onbeschaafde stijl Incondĭtum dicendi genus

Een gezwollen, hoogdravende stijl Inflatum orationis genus / Oratio altius exaggerata

De verheffing, de hooge vlucht der taal Elatio atque altitudo orationis

Zich verheffen, hooger stijgen, eene hoogere vlucht nemen (vooral van dichters en redenaars) Exsurgere altius of incitatius ferri

1) In weidsche taal, plechtig spreken, 2) in opgesmukte, pronkende taal spreken Magnifice loqui

Een gemakkelijke, vloeiende stijl Expedita et facile currens oratio

Een gelijkmatige stijl Oratio aequabiliter fluens

De breed ontwikkelde rede Flumen orationis

(Daarentegen oratio fluit 1) de taal is zonder kernachtigheid, 2) zonder welluidendheid)

De eenvoudige stijl Siccitas, sanitas orationis / Verborum tenuitas, oratio subtilis

De dorre, droge stijl Oratio exilis, ieiuna, arida, exsanguis

Sierlijke stijl Ornatus orationis, verborum

Bevallige, smaakvolle stijl Elegantia orationis

Zuivere; keurige stijl Oratio pura, pura et emendata

De zuiverheid van stijl Integritas, sinceritas orationis (niet puritas!)

Ongekuischte stijl Oratio inquinata (niet impura!)

De redevoeringen van Cato klinken ouderwets Orationes Catonis antiquitatem redolent

Het proza Oratio soluta (niet prosa!) of alleen oratio

De stijl heeft welluidendheid Oratio numerose cadit

Den stijl welluidendheid geven Numeris orationem astringere, vincire

Schitterende sieraden, bloemen in den stijl Lumina, flores dicendi

Zijne gedachten ontvouwen, blootleggen Sententias (verbis) explicare, aperire (zie bl. 113)

Diepe gedachten Sententiae reconditae et exquisitae

De groote rijkdom van den stijl Ubertas (niet divitiae!) et copia orationis

Rijkdom van gedachten Crebritas of copia (tgst. inopia) sententiarum of alleen copia

Rijk aan gedachten Sententiis abundans of creber (tgst. sententiis inanis)

(Niet dives, dat door Cicero bijna nooit overdrachtelijk en anders dan van personen gebruikt wordt)

Eene vluchtige schets van iets leveren, iets in losse hoofdtrekken voorstellen, teekenen Adumbrare aliquid (zie bl. 112 noot)

Iets levendig, aanschouwelijk voorstellen Exprimere aliquid verbis of oratione (zie bl. 112 noot)

Iets schriftelijk of mondelijk uiteenzetten, behandelen Exponere aliquid of de aliqua re

De samenhang Sententiae inter se nexae / Perpetuitas verborum / Contextus orationis (niet nexus sententiarum!)

Het verband der gedachten Ratio sententiarum / Ratio, qua sententiae inter se excipiunt

Eene levensbeschrijving van iemand geven, zijn levensloop beschrijven Vitam alicuius exponere (niet curriculum vitae!)

Iemands leven schilderen of schilderachtig beschrijven Vitam alicuius depingere

Eene beschrijving van iemands karakter geven De ingenio moribusque alicuius exponere

Iets met de levendigste kleuren, met sprekende verven schilderen, afschilderen Summo colore aliquid illustrare

Iets levendig voor oogen stellen, een tafereel van iets ophangen Ante oculos ponere aliquid

Iets zoo levendig voor oogen stellen, dat men het als 't ware ziet gebeuren Oculis of sub oculos, sub aspectum subicere aliquid

De veraanschouwelijking, het aanschouwelijk tafereel Rerum sub aspectum paene subiectio

Iets dramatisch behandelen Sic exponere aliquid, quasi agatur res (non quasi narretur)

Iemand sprekende invoeren Aliquem disputantem facere, inducere, fingere (est aliquis apud aliquem disputans)

Een overzicht van iets geven In uno conspectu ponere aliquid / Sub unum aspectum subicere aliquid

Een beknopt overzicht van iets geven In brevi conspectu ponere aliquid

Een algemeen overzicht of een overzicht van het geheel hebben Uno conspectu videre aliquid

Iets even aanroeren, in het voorbijgaan of terloops gewag van iets maken Breviter, leviter, strictim (niet obiter!) tangere, attingere aliquid / Breviter, leviter, celeriter perstringere aliquid / In transitu, quasi praeteriens attingere aliquid

Slechts de hoofdpunten aanroeren, beknopt behandelen Res summas attingere / Summatim aliquid exponere

Iets wijdloopig, langdradig behandelen, over iets uitweiden Multa verba facere / Multum, nimium esse (in aliqua re)

Nader in bijzonderheden treden, uitvoeriger behandelen Pluribus verbis, copiosius explicare, persequi aliquid

(Zoo wordt persequi meermalen gebruikt in den zin van: iets mondeling of schriftelijk nauwkeurig behandelen, beschrijven b.v. alicuius vitam, alicuius laudes versibus, res Hannibalis)

Uitvoeriger over iets spreken Fusius, uberius, copiosius disputare, dicere de aliqua re

Iets kort, met weinige woorden behandelen Breviter, paucis (niet paucis verbis!) explicare aliquid / Rem paucis absolvere

De stijl komt met de zaken overeen, de taal beantwoordt aan de stof Rebus ipsis par est oratio / Rebus verba respondent

Ik heb mijn geheelen voorraad van voorbeelden uitgeput, al de voorbeelden, die ik ken, heb ik gebruikt Copiam quam potui exemplorum persecutus sum

Niet alles uitvoerig kunnen behandelen Verbis non omnia exsequi posse

Iets op het tapijt, ter tafel, te berde, ter sprake brengen In medium proferre aliquid

Iets stilzwijgend voorbijgaan Praetermittere (niet silentio praetermittere!), silentio praeterire aliquid

Op iemand, op iets zinspelen Significare aliquem of aliquid (niet alludere!) / Significatione appellare aliquem / Describere aliquem

Iets even aanduiden Leviter significare aliquid

De geheele toedracht der zaak verhalen Ordine narrare, quomodo res gesta sit

Iets in sierlijke taal uitdrukken Dicendo ornare aliquid

Iets met de sieraden, waarover de redenaar, de treurspeldichter beschikt, opsmukken of eene oratorische, tragische kleur aan iets geven Rhetorice, tragice ornare aliquid

Episode Digressio, egressio / Quod ornandi causa additum est

Iets in de rede inlasschen Includere in orationem aliquid / Inserere orationi aliquid / Interponere aliquid

Iets (met woorden) verheffen of opluisteren Dicendo augere, amplificare aliquid (tgst. dicendo extenuare aliquid)

Iets overdrijven, grooter maken dan het is In maius ferre, in maius extollere aliquid

Zich aan eene uitweiding toegeven of buiten zijn onderwerp uitweiden (met opzet), van zijn onderwerp afdwalen (ongemerkt) Digredi (a proposito)

De voorliefde voor, de vooringenomenheid met iets heeft mij te ver gevoerd Studio alicuius rei provectus sum

Hoog(er) opklimmen of ophalen Longe (ius), alte (ius), repetere (ab aliqua re)

Eene rede, die de zaken van hooger ophaalt, tot de beginselen der zaken opklimt Oratio longius repetita

Dicht bij de taal van het dagelijksche leven komen Accedere ad cotidiani sermonis genus

Zich populair uitdrukken (zie bl. 111) Ad vulgarem sensum of ad communem opinionem orationem accommodare

3. VOORDRACHT. STEM

De voordracht (met gebaren) Actio

De kunstmatige voordracht, de declamatie (met betrekking tot de stem) Pronuntiatio c. Gen. (zie bl. 182)

(Niet declamatie = voordracht in de scholen der rhetors tot oefening in de welsprekendheid. Zoo ook pronuntiare aliquid = iets volgens de regels der kunst voordragen, maar declamare = zich in de voordracht oefenen)

De voordracht is, gaat eenigszins gebrekkig Actio paulum claudicat

(Claudicare wordt meermalen figuurlijk gebruikt = op losse schroeven staan, geen steek houden, b.v. amicitia claudicat, aliquid in oratione claudicat)

Geen woorden of ook nauwelijks iets kunnen uitbrengen, stamelen (uit onwetendheid of van verlegenheid) Haerere, haesitare

Door vrees bevangen worden Perturbari, commoveri

Eene redevoering van het papier lezen De scripto orationem habere, dicere (tgst. sine scripto, ex memoria)

(Daarentegen eene redevoering voor zich zelven lezen, of ook aan anderen enkel voorlezen orationem legere, luid en nauwkeurig lezen recitare)

Iemand in de rede vallen Interpellare aliquem (dicentem)

Eene luide, heldere stem Vox magna, clara

Eene zware, hooge stem Vox gravis, acuta

Eene welluidende stem Vox canōra

Eene zachte of halfluide, doffe of gesmoorde stem Vox lenis (tgst. acer clamor), suppressa, summissa

De stem laten hooren, geluid geven of uitbrengen Vocem mittere (sonitum reddere van zaken)

De stem laten dalen Vocem summittere

De verheffing, daling der stem Contentio, remissio vocis

De smart beneemt de stem Dolor intercludit vocem

Geen woord kwam over zijne lippen Nulla vox est ab eo audita

Hard, luid roepen Magna voce clamare

Een geschreeuw aanheffen Clamorem tollere

Gebaren maken Gestum (altijd in sing.) agere

4. STOF. ONDERWERP

Ik heb geen stof om te schrijven, ik heb niets te schrijven Non habeo argumentum scribendi / Deest mihi argumentum ad scribendum / Non habeo, non est quod scribam

Ik heb stof genoeg Res (tgst. verba) mihi suppetit

De stof groeit onder mijne handen aan Materia mihi crescit

De stof in orde schikken en verdeelen Res componere ac digerere

De schikking der stof Dispositio rerum

Eene zeer rijke stof Materia rerum et copia uberrima / Infinita et immensa materia

Die dood biedt eene stof aan, die schitterend kan bewerkt worden Mors illa materiem ad ornatum praebet

Het onderwerp, dat men wil bespreken, het thema Id quod (alicui) propositum est / Res proposita / Institutum of id quod aliquis instituit

Het punt van onderzoek Id quod quaerimus (quaeritur)

Van het punt van onderzoek, van den tekst afdwalen, van het onderwerp afwijken A proposito aberrare, declinare, deflectere

Tot het onderwerp terugkeeren Ad propositum reverti, redire

Doch keeren wij terug tot het onderwerp, waarvan wij zijn afgedwaald, doch keeren wij tot ons onderwerp terug Sed ad id, unde digressi sumus, revertamur / Verum ad id, unde digressa est oratio, revertamur / Sed redeat, unde aberravit oratio

Ik heb mij tot taak gesteld te... Mihi propositum est c. Inf. (niet mihi proposui c. Inf.!)

Een thema, onderwerp aangeven, bepalen Ponere

Iemand een punt, een onderwerp ter behandeling, ter bespreking aangeven, bepalen Ponere alicui, de quo disputet

Zich een onderwerp ter bespreking laten aangeven, voorleggen Ponere iubere, qua de re quis audire velit

5. VRAAG. ANTWOORD

Eene vraag opperen, stellen, voorstellen, opwerpen Quaestionem ponere, proponere

Zich eene vraag laten voorleggen Quaestionem poscere

Hier ontstaat de vraag Hoc loco existit quaestio, quaeritur

Thans is het de vraag Nunc id quaeritur, agitur

De zaak in quaestie, de vraag, die behandeld wordt Res, de qua nunc quaerimus, quaeritur

Het is een gewichtig, moeilijk vraagstuk Magna quaestio est (met afhankelijke vraag)

De vraag is bij mij opgekomen, gerezen Quaerendum esse mihi visum est

Eene vraag oplossen Quaestionem solvere

De vraag is afgehandeld of tot eene beslissing gebracht Quaestio ad exitum venit

Vragen beantwoorden Ad interrogata respondere

(Men zegt respondere ad aliquid of alicui rei, doch immer alicui; dicere alicui (niet ad aliquem!) tot, aan iemand zeggen; scribere ad aliquem (min gewoon alicui) aan iemand schrijven

Op iemands goed, behendig gestelde vragen antwoorden Bene interroganti respondere

Iemand geen antwoord schuldig blijven of geene vraag onbeantwoord laten Percontanti non deesse

Een antwoord van iemand krijgen, ontvangen Responsum ab aliquo ferre, auferre

In dezen zin antwoorden, antwoord geven Respondere in hanc sententiam (zie bl. 162 noot 1)

6. SCHERTS. GEESTIGHEID. VROOLIJKHEID. ERNST

Schertsen Ioco uti

Dit heb ik schertsenderwijs, voor de aardigheid gezegd Haec iocatus sum, per iocum dixi

Altijd geneigd zijn tot schertsen Animo prompto esse ad iocandum

Scherts ter zijde Extra iocum, remoto ioco

Zich aardig, geestig uitdrukken Facete dicere

Aardig zijn, geestige invallen hebben Facetiis uti, facetum esse

Juist ter snee iets aardigs, geestigs zeggen Facete et commode aliquid dicere

Een kort snedig gezegde Breviter et commode dictum

Eene aardigheid, geestigheid, een kwinkslag Facete dictum

Eene gezochte aardigheid, geestigheid Arcessitum dictum

Ten koste van iemand geestig zijn, eene geestigheid op iemand zeggen Dicta dicere in aliquem

Geestigheden door de rede weven, er invlechten Aspergere sales orationi

Een geestig, aardig, koddig man (Homo) ridiculus

Fijne, geestige scherts; humor Lepos in iocando

In vroolijke, opgeruimde, prettige stemming zijn Iucunde esse

Zich aan de vroolijkheid overgeven Se dare iucunditati

Lief en leed met iemand deelen Ioca atque seria cum aliquo agere

In ernst zeggen Serio dicere

Ernst toonen Severitatem adhibere

Zeggen, doen wat geen pas geeft; geen tact hebben Ineptum esse

Al te stipt zien, te nauwziend zijn, te veel op de fijne puntjes letten Nimium diligentem esse

III. De Staat.

I. STAATSREGELING. BESTUUR. STAATSLEVEN

De staatsregeling Forma rei publicae / Descriptio civitatis / Instituta et leges

Den staat regelen, eene staatsregeling invoeren Rem publicam. constituere / Rem publicam legibus et institutis temperare / Civitati leges, iudicia, iura describere

("Constituere rem publicam dicuntur, qui legibus aliisque rationibus malis rei publicae ingravescentibus medentur." Ernesti clav. Cic. Vgl. tres viri rei publicae constituendae)

Eene eigene wetgeving, staatsregeling hebben Suis legibus uti

Geen staatsregeling hebben Nullam habere rem publicam

De voormalige staatsregeling weder invoeren, den staat weder op den ouden voet regelen Rem publicam in pristĭnum statum restituere

Ten tijde der beste staatsregeling Optima rei publica

De republiek Libera res publica

Den staat besturen, regeeren Rem publicam gerere, administrare, regere

De teugels der regeering in handen hebben, het bewind voeren Rei publicae praeesse

Aan het roer van den staat zitten, het roer van staat in handen hebben Ad gubernacula (fig. slechts in plur.) rei publicae sedere / Clavum rei publicae tenere

De eerste man in den staat zijn Principem civitatis esse

Den eersten rang in den staat bekleeden Principem in re publica locum obtinere

Staatszaken, aangelegenheden van staat Negotia publica

Het werkzame leven van een staatsman Vita occupata

Zich aan den dienst van den staat verbinden, de staatkundige loopbaan gaan beginnen Accedere, se conferre ad rem publicam / Rem publicam capessere

In aangelegenheden van staat werkzaam zijn, een staatsambt waarnemen In re publica of in rebus publicis versari

Den staat zijne hulp, zijne diensten onttrekken Rei publicae deesse (tgst. adesse)

Zich aan de staatszaken onttrekken of de staatkundige loopbaan vaarwelzeggen A negotiis publicis se removere / A re publica recedere

Tot het ambteloos leven terugkeeren, stil gaan leven In otium se referre

Het ambteloos leven Vita privata

Vermijden zich in het openbaar te vertoonen Publico carere, forum ac lucem fugere

Den staat beveiligen, voor den val behoeden (eig. = bestendigen) Rem publicam tueri, stabilire

De staat,het gemeenebest houdt zich nog staande (tgst. is niet meer) Res publica stat (tgst. iacet)

Den staat groot, sterk maken Rem publicam augere, amplificare

Het welzijn van den staat bevorderen Saluti rei publicae non deesse

Om redenen van staat, om politieke redenen Rei publicae causa

Tot voordeel, in het belang van den staat E re publica (tgst. contra remp.)

Het staatsbelang Commoda publica of rei publicae rationes

Het staatsbelang bevorderen Rei publicae rationibus of alleen rei publicae consulere

Iets uit een staatkundig oogpunt, van staatkundig standpunt beschouwen Ad rei publicae rationes aliquid referre

Al zijne gedachten en zorgen aan den staat wijden In rem publicam omni cogitatione curaque incumbere / Omnes curas et cogitationes in rem publicam conferre

Al zijne zorgen aan het welzijn van den staat wijden Omnes curas in rei publicae salute defigere

Al zijne ziels- en lichaamskrachten aan het welzijn van den staat wijden Totum et animo et corpore in salutem rei publicae se conferre

Het heil van den staat willen Bene, optime sentire de re publica / Omnia de re publica praeclara atque egregia sentire

De bestuurder, het hoofd van den staat Rector civitatis

Staatkundigen, staatslieden Viri rerum civilium, rei publicae gerendae periti of viri in re publica prudentes / Auctores consilii publici / Principes rem publicam administrantes of enkel principes

Staatkunde, politiek inzicht Prudentia (civilis)

Een ervaren staatkundige Homo in re publica exercitatus

Een scherperen, dieperen blik in de staatkunde hebben Plus in re publica videre

De komende politieke gebeurtenissen ver vooruit zien Longe prospicere futuros casus rei publicae

De strekking van iemands staatkunde, van zijn staatkundig stelsel is te... Alicuius in re publica of capessendae rei publicae consilia eo spectant ut...

Uit de staatkundige werkzaamheid verwijderd, daarvan beroofd Rei publicae muneribus orbatus

2. BURGERRECHT. STAND

Iemand het burgerrecht schenken Civitate donare aliquem

Onder de burgers opnemen In civitatem recipere, ascribere, asciscere aliquem

Iemand het burgerrecht verleenen Civitatem alicui dare, tribuere, impertire

Burger van een anderen staat worden Civitatem mutare

Van ouden, grijzen adel zijn Generis antiquitate florere

Een vriend van den adel zijn Nobilitati favere / Nobilitatis fautorem, studiosum esse

Iemand van jongen, nieuwen adel (uit een geslacht, waarvan niemand voor hem een curulisch ambt d.i. het consulaat, de praetuur, censuur, dictatuur enz. bekleed heeft) Homo novus

1) De rang van senator; 2) de senaat (= de gezamenlijke senatoren, als een afzonderlijken stand uitmakende, in tegenstelling van andere standen) Ordo senatorius (amplissimus)

De ridderstand Ordo equester (splendidissimus)

Van zeer voornamen stand of afkomst Summo loco natus

Van adellijke, voorname, aanzienlijke geboorte Nobili, honesto, illustri loco of genere natus

Van geringe of lage geboorte, afkomst Humili, obscuro loco natus / Humilibus (obscuris) parentibus natus

Uit den laagsten stand Infimo loco natus

Uit den ridderstand Equestri loco natus of ortus

De aanzienlijksten en de geringsten Summi (et) infimi

Lieden van elken stand Homines omnis generis

Lieden van elken stand en ouderdom Homines omnium ordinum et aetatum

Een man uit het volk, gering man Homo plebeius, de plebe

Zich onder het plebs laten opnemen Traduci ad plebem

De overgang (uit den patricischen) tot den plebejischer stand Transitio ad plebem

Een uit den grooten hoop Unus de of e multis

De heffe des volks, het grauw Faex populi, plebis

De allerlaagste stand is die der slaven Infima fortuna of condicio servorum est

3. WAARDIGHEID. EERAMBTEN. VOORRANG (Zie ook bl. 61 n°. 17)

Zijne waardigheid bewaren, ophouden, handhaven Dignitatem suam tueri, defendere, retinere, obtinere

Voor zijne waardigheid zorgen Dignitati suae servire, consulere

Iemand tot de hoogste waardigheid verheffen Aliquem ad summam dignitatem perducere

Den eersten, tweeden rang in den staat bekleeden Principem (primum), secundum locum dignitatis obtinere

Een zeer hoogen rang in den staat bekleeden In altissimo dignitatis gradu collocatum, locatum, positum esse

(Zoo wordt gradus dikwijls overdrachtelijk gebruikt, b.v. gradus honoris, gloriae, aetatis enz., en wordt ook met de werkwoorden verbonden, die in het beeld van trap, ladder passen, als ascendere, efferri, collocari, consequi, pervenire, praecipitari enz. Nochtans noemt men den hoogsten trap (= het toppunt) van aanzien slechts summa auctoritas)

Iemand van den hoogen trap zijner waardigheid nederstorten Aliquem ex altissimo dignitatis gradu praecipitare

1) Iemand uit zijne stelling verdringen, werpen (in de krijgskunde); 2) iemand uit zijne waardigheid, aanzienlijke betrekking verdringen Aliquem de (dignitatis) gradu demovere (zie bl. 138 noot 1) / Aliquem gradu movere, depellere of de gradu (statu) deicere

Tot een (hoogenen) rang, waardigheid opklimmen (Altiorem) dignitatis gradum ascendere

Tot eerambten, eereposten opklimmen Ad honores ascendere

De hoogste eerambten, waardigheden verwerven, verkrijgen, het zoover brengen Amplissimos honorum gradus assequi, adipisci

Tot de hoogste eerambten geraken Ad summos honores pervenire

Iemand die alle waardigheden (tot en met het consulaat) doorloopen heeft Vir defunctus honoribus

Den hoogsten rang, de hoogste plaats bekleeden Principatum tenere, obtinere

Den voorrang of eersten rang aan iemand geven Principatum alicui of ad aliquem deferre

Met iemand om den eersten rang strijden Contendere cum aliquo de principatu

Den voorrang of eersten rang (b.v. in wijsheid) aan iemand toekennen Primas (of is er van tweeën spraak priores) (b.v. sapientiae) alicui deferre, tribuere, concedere

4. VERGADERINGEN. STEMMING

Eene volksvergadering bijeenroepen, beroepen, beleggen Convocare populi consilium en populum ad concilium / Contionem advocare

Een voorstel aan het volk doen, aan zijne beslissing onderwerpen (van den magistraat) Agere cum populo

Eene vergadering aanzeggen, houden, sluiten Concilium indicere, habere, dimittere

Volksvergaderingen houden Comitia habere

(Concilium populi = eene volksvergadering in het algemeen; contio = eene vergadering om het voorstel (wetsontwerp enz.) van den magistraat te hooren, zonder daarover te beslissen; de redevoeringen, voor of tegen het voorstel gehouden, zijn contiones; comitia = de vergadering van het geheele Romeinsche volk, om door hunne stem of over eene wet te beslissen, of de magistraten te kiezen, of over eene hoofdmisdaad het oordeel uit te spreken)

Vergaderingen tot het kiezen der magistraten Comitia magistratibus creandis

Ter verkiezing vergaderen of samenkomen Comitiis (Abl.) convenire

In de kiesvergadering tot consul gekozen worden Comitiis consulem creari

Zijne stem uitbrengen (in de volksvergadering) Suffragium ferre (zie bl. 113 noot 3 over sententiam dicere)

De beslissing eener zaak aan de kiezers overlaten Multitudinis suffragiis rem permittere

5. WET. WETSVOORSTEL

Een wetsontwerp (gedurende drie marktdagen aanslaan (om het voorloopig aan het volk bekend

te maken) Legem promulgare

(Trinum nundinum sc. tempus (van novem en dies) = 17 dagen lang

Het wetsvoorstel aan het volk doen, om... Legem ferre of enkel ferre AD populum, ut...

Voor de wet spreken, haar aanbevelen Legem suadere (tgst. dissuadere)

De meening, beslissing van het volk over een wetsvoorstel (officieel) vragen Legem rogare of rogare populum

Eene wet doorkrijgen (van den magistraat) Legem perferre

Eene wet gaat door Lex perfertur

Een wetsontwerp verwerpen, niet aannemen Legem antiquare (tgst. accipere, iubere)

Voor eene wet stemmen Legem sciscere

Een wetsontwerp goedkeuren of aannemen (van het volk) Legem iubere

Aan eene wet verbindende kracht geven, ze bekrachtigen (van volk en senaat) Legem sancire

Iets door eene wet bepalen, vaststellen Lege sancire aliquid

Eene (bestaande) wet door eene nieuwe geheel afschaffen Legem abrogare

(Legi of de lege derogare eene wet gedeeltelijk opheffen; legem obrogare, eene wet stilzwijgend geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen, door eene andere wet aan te nemen, die met de eerste in strijd is; multarn, poenam alicui irrogare iemand met goedkeuring van het volk eene geldboete opleggen; pecuniam erogare met goedkeuring van het volk geld uitgeven (ex aerario in classern))

Eene wet opheffen Legem tollere

Tegen een wetsvoorstel opkomen, zich verzetten (van het veto der volkstribunen) Legi intercedere

Eene wet aan het volk bekendmaken Legem proponere in publicum

Een edict openlijk bekendmaken, afkondigen Edictum proponere

Eene wet in de metalen tafels griffelen Legem in aes incīdere

Eene wet is geldig Lex rata est (tgst. irrita)

Eene wet geldig verklaren Legem ratam esse iubere

Eene wet overtreden A lege discedere

Zonder de wetten te schenden Salvis legibus (zie bl. 153 noot)

De wet beveelt, verbiedt (uitdrukkelijk) Lex iubet, vetat (dilucide, planissime)

(Zoo wordt lex dikwijls met werkwoorden verbonden, die aan menschelijke handelingen ontleend zijn)

Er staat in de wet, de wet zegt In lege scriptum est of enkel est

Wetten maken, geven (aan het Romeinsche volk) Leges scribere, condere, constituere (niet dare!)

(Leges dare doet de overheidspersoon (veldheer enz.) krachtens zijn ambt)

De wetgever Legum scriptor, conditor, inventor / Qui leges scribit (niet legum lator!)

Getrouwheid aan de wet zweren In legem iurare

Door eene wet gebonden zijn Lege teneri

Onder beding of voorwaarde, bij de wet bepaald, van... Ea lege, ut...

Iets is tegen de wet Aliquid contra legem est

Wetten, verordeningen of bepalingen der magistraten ongeldig verklaren Acta rescindere, dissolvere

6. VOLKSGUNST. INVLOED. IMPOPULARITEIT (Zie ook bl. 57)

De volksgunst Populi favor, gratia popularis / Aura popularis

(In zoover zij ongestadig is, licht gewonnen en licht verbeurd wordt. Oorspronkelijk is aura de zacht waaiende wind)

Op de gunst van het volk jacht maken, ze najagen Auram popularem captare

Naar de volksgunst streven, zich bij het volk trachten bemind te maken Gratiam populi quaerere

Naar de gunst van het volk streven Ventum popularem quendam (in aliqua re) quaerere

(zie noot bij volksgunst)

Bemind, invloedrijk zijn Gratiosum esse (tgst. invisum esse)

Politieke invloed Opes

Veel invloed hebben Opibus, gratia, auctoritate valere, florere

Invloed verkrijgen, verwerven Opes, gratiam, potentiam consequi

Bij, op iemand invloed krijgen Gratiam inire apud aliquem, ab aliquo

Iemands invloed verzwakken Gratiam, opes alicuius imminuere (tgst. augere)

Zich verheffen of vooruitkomen door den val van iemand Crescere ex aliquo

Geen politieke macht of politieken invloed hebben, eene nul in het cijfer zijn Iacēre (zie bl. 163 noot)

De openbare meening Existimatio populi, hominum

Om de openbare meening veel geven Multum communi hominum opinioni tribuere

Impopulariteit of het niet gezien zijn bij het volk Invidia

Ongunst bij het volk Offensio populi, popularis / Offensa populi voluntas

De haat tegen den dictator Invidia dictatoria

Zich de impopulariteit van iemand ten nutte maken, om zich populair of bemind te maken Ex invidia alicuius auram popularem petere

7. PARTIJ. ONZIJDIGHEID. POLITIEK. ARISTOCRATIE. DEMOCRATIE

De partij Partes (meestal van het volk / Factio (van de grooten)

Partijgeest, partijzucht Partium studium, ook enkel studia

Vol partijzucht zijn Partium studiosum esse

Strijd der partijen Certamen partium

Twist der partijen Contentio partium

Door partijschappen verdeeld, verscheurd zijn Partium studiis divisum esse

Politieke medestander Consiliorum in re publica socius

Iemands partij kiezen, zich bij iemands partij aansluiten Alicuius partes (causam) of alleen aliquem sequi

Iemands partij voorstaan Alicuius partibus studere

Aan iemands zijde staan of tot zijne partij behooren Ab (cum) aliquo stare (niet ab alicuius partibus!)

Iemands aanhanger zijn Alicuius studiosum esse

Het met iemand houden of zijne partij houden Cum aliquo facere

Onzijdig, neutraal zijn Nullius, of neutrius (van twee partijen) partis esse / In neutris partibus esse / Neutram partem sequi / Medium esse

Onzijdig blijven Medium se gerere

Dezelfde politieke meeningen, inzichten hebben Idem de re publica sentire

(Daar het Latijn geen bijvoegelijk naamw. voor POLITIEK heeft, moet het met res publica of met civilis omschreven worden. (Zie bl. 198))

Een andere politieke meening toegedaan zijn Ab aliquo in re publica dissentire

Ingevolge verschil van politieke meening Ex rei publicae dissensione

Zich in twee partijen splitsen In duas partes discedere

Zich met hartstocht aan de politiek toewijden Studio ad rem publicam ferri

Zich op de woelige baren van het staatsleven wagen Se civilibus fluctibus committere

Monarchie of alleenheerschappij Imperium singulare, unius dominatus, regium imperium

Aristocratie of adelregeering Optimatium dominatus

Een staat, die de adelregeering, aristocratie tot regeeringsvorm heeft Civitas, quae optimatium arbitrio regitur

De aristocratische (= de conservatieve of behoudende) partij Boni cives, optimi, optimates, ook enkel boni (tgst. improbi); illi, qui optimatium causam agunt

De hooggeplaatste, aanzienlijkste mannen, de grooten Principes of primores

De adel (als stand in de maatschappij) Nobiles; nobilitas; qui nobilitate generis excellunt

Adeltrots (van de patriciërs) Spiritus patricii

De democraat Homo popularis

Een ware volksvriend, een echte volksman Homo vere popularis

Een leider der volkspartij Homo florens in populari ratione

De democratie Imperium populi of populare, civitas of res publica popularis

De zaak van het volk, democratische beginselen verdedigen Causam popularem suscipere of defendere

Zich de zaak van het volk aantrekken, haar verdedigen Populi causam agere

Een (groot) vaderlander zijn Patriae amantem (amantissimum) esse

Wereldburger, cosmopoliet Mundanus, mundi civis et incola

8. DEMAGOGIE. OMWENTELING. OPSTAND. REGEERINGLOOSHEID.

Demagoog of volksleider, volksmenner Plebis dux, vulgi turbator, civis turbulentus, civis rerurn novarum cupidus

De vertooning door iemand gemaakt, om aan het volk te behagen Iactatio popularis

De oproerige volksbeweging Concitatio popularis

De kunstgrepen der volksmenners Artes populares

Als een demagoog te werk gaan (door het volk te vleien of door oproer te verwekken) Populariter agere

Verregaande wederspannigheid Abrupta confumacia (test. deforme obsequium slaafschheid)

Revolutie, staatsomwenteling Conversio rerum publicarum

Revolutionnairen of omwentelingsgezinden, oproerigen Homines seditiosi, turbulenti of novarum rerum cupidi

Oproerig gezind, omwentelingsgezind zijn Novis rebus studere / Novarum rerum cupidum esse

Het op de omverwerping der bestaande orde toeleggen Novas res moliri

Omwentelingsplannen koesteren Contra rem publicam sentire

Eene daad bedrijven, die gevaarlijk is voor den staat Aliquid contra rem publicam facere

Verklaren, dat hoogverraad gepleegd is (van den senaat) Aliquid contra rem publicam factum esse decernere

Den staat afvallig, ontrouw worden A re publica deficere

Het lage volk opruien, ophitsen Plebem concitare, sollicitare

Een oproer stichten, verwekken Seditionem facere, concitare

Een oproer breekt uit Seditio erumpit

(Maar de oorlog breekt uit, de toorn barst los = bellum, ira exardescit)

Samenzweren Coniurare (inter se) ut of de c. Gerund. / Coniurationem facere

Een komplot smeden Conspirare cum aliquo (contra aliquem)

Het staatsgebouw aan het wankelen brengen Rem publicam labefactare

Den staat in beroering brengen Rem publicam perturbare

Den staat op zijne grondslagen schokken, den welstand van den staat in gevaar brengen Statum rei publicae convellere

In den staat onrust stoken, hem teisteren Rem publicam vexare

Den staat, (de staatsregeling) geheel omverwerpen Rem publicam funditus evertere

De geheele staatsregeling onderstboven werpen, omkeeren Omnes leges confundere

Alles in de schromelijkste ver warring brengen Omnia turbare ac miscere

Algemeene wanorde, regeeringloosheid Perturbatio omnium rerum

Er ontstaat volslagen regeeringloosheid Omnia divina humanaque iura permiscentur

Wetteloosheid, anarchie Leges nullae, iudicia nulla

Het gaat naar eene tusschenregeering heen Res fluit ad interregnum

Een oproer dempen, stillen Tumultum sedare

De opgewonden menigte doen bedaren Concitatam multitudinem reprimere

Het gemeene volk in bedwang houden Plebem continere

9. VOGELVRIJVERKLARING. VERBEURDVERKLARING. VERBANNING. AMNESTIE

Iemand in den rijksban doen, vogelvrij verklaren Proscribere aliquem / Aqua et igni interdicere alicui

Iemand van zijne goederen vervallen verklaren Proscribere aliquem of alicuius bona

Iemand op de lijst der vogelvrijverklaarden plaatsen In proscriptorum numerum referre aliquem

Iemands naam van de lijst der vogelvrijverklaarden schrappen E proscriptorum numero eximere aliquem

Iemands goederen aan den staat vervallen verklaren, verbeurdverklaren Bona alicuius publicare

De verbeurdverklaarde goederen aan iemand teruggeven Bona alicui restituere

Iemand verbannen, in ballingschap zenden In exilium eicere of expellere aliquem (niet in exilium mittere!) / Ex urbe (civitate) expellere, pellere aliquem / De, e civitate aliquem eicere

Iemand uit de stad, uit het land jagen, verdrijven Exterminare (ex) urbe, de civitate aliquem

Iemand uit het vaderland verbannen E patria exire iubere aliquem

Geen vaderland meer hebben, den geboortegrond niet mogen betreden Patria carere

Iemand verbieden nog een voet in Italië te zetten Interdicere alicui Italiā

Iemand met ballingschap straffen Aliquem exilio afficere, multare

In ballingschap gaan In exilium ire, proficisci / Exulatum ire of abire

Het land verlaten, den geboortegrond vaarwelzeggen (slechts van verbannenen) Solum vertere, mutare

In ballingschap leven Exulare / In exilio esse, exulem esse

Een balling terugroepen Aliquem (in patriam) restituere

Uit de ballingschap terugkeeren In patriam redire

Amnestie (ἀμνηστία) (genade voor politieke misdrijven aan velen geschonken) Ante actarum (praeteritarum) rerum oblivio of alleen oblivio

Eene algemeene amnestie verleenen Omnem memoriam discordiarum oblivione sempiterna delere

10. HEERSCHAPPIJ. ALLEENHEERSCHAPPIJ. KONINGSCHAP.

Iemand het oppergebied, de heerschappij opdragen Imperium, rerum summam deferre alicui

(Deferre = iemand iets aanbieden, opdragen wordt ook met ad, deferre = iemand iets ter kennis brengen, bij iemand aangeven wordt altijd met ad geconstrueerd)

Iemand (in den staat) onbeperkte macht, onbeperkt gezag geven Rem publicam alicui permittere

Heerschappij, gebied voeren; (over iemand) gebieden, (hem) te bevelen hebben Imperium tenere (in aliquem)

De heerschappij, macht handhaven, in handen houden Imperium obtinere

Het oppergebied, den eersten rang, de hegemonie verliezen Principatu deici

Onbeperkte macht hebben (zie ook bl. 89) CUM imperio esse

Een hoog staatsambt bekleeden IN imperio esse

De macht, het opperbevel een jaar verlengen Imperium in annum prorogare

Het gezag, opperbevel nederleggen Imperium deponere

De alleenheerschappij, alleenheersching Imperium singulare

Als meester gebieden, heer en meester zijn, den meester spelen over iemand Dominari in aliquem

Zich van de alleenheerschappij meester maken, zich tot alleenheerscher opwerpen Imperium, regnum, tyrannidem occupare

1) Zich van het oppergezag meester maken; 2) de hoogste macht bezitten, in handen hebben Rerum potiri

Naar de alleenheerschappij streven Tyrannidem concupiscere

De alleenhejrschappij door iets verkrijgen Tyrannidem sibi parĕre aliqua re

Naar het koningschap streven Regnum appetere

De koninklijke waardigheid in handen krijgen Regnum adipisci

Iemand de koninklijke waardigheid opdragen Alicui regnum deferre, tradere

Iemand tot koning, tot alleenheerscher aanstellen Aliquem regem, tyrannum constituere

(De Woorden tyrannus, tyrannis, tyrannicus, tyrannice worden zelden, gelijk in het Grieksch, in den zin van onwettig heerscher, koning enz. gebruikt, maar wel in de latere, ook bij ons gewone beteekenis van despoot of dwingeland, despotisme, despotisch; gebruikelijker zijn echter de echt Latijnsche woorden rex, dominus, dominatio, imperium, regius, of zoo op de wreedheid klem gelegd wordt, dominus saevus, crudelis et superba dominatio)

Iemand op den troon herstellen Aliquem in regnum restituere (niet in solium!)

Iemand van den troon stooten, bonzen Aliquem regno spoliare of expellere

Eigenmachtig, willekeurig, despotisch beginnen te regeeren, den hoogen toon van den despoot aanslaan Regios spiritus sumere

11. SLAVERNIJ. VRIJHEID

In slavernij zuchten Servitute premi

Een vrij volk in slavernij brengen Liberum populum servitute afficere

Iemand slaaf maken Aliquem in servitutem redigere

Iemand het juk der slavernij opleggen Alicui servitutem iniungere, imponere

De burgerij in slaafsche onderworpenheid houden Civitatem servitute oppressam tenere

Het volk van de vrijheid berooven Libertatem populo eripere

Aan het volk de vrijheid laten, niet ontnemen Populum liberum esse, libertate uti, sui iuris esse pati

Iemand ter slavernij wegvoeren Aliquem in servitutem abducere

Een krijgsgevangene als slaaf verkoopen Aliquem sub corona vendere

Den hals onder het slavenjuk buigen Iugum servitutis accipere

De vrijheidszin Libertas, libertatis studium

Een tirannisch bestuur aanvallen, omverwerpen Imperium oppugnare, percellere

Om vrijheid roepen Ad libertatem conclamare

Te wapen! roepen Ad arma conclamare

De boeien, banden verbreken Vincula rumpere

Het juk der slavernij afwerpen, van de schouders (den nek, den hals) afschudden Iugum servile excutere / Servitutem exuere / Iugum servile a cervicibus deicere

Iemand van het slavenjuk bevrijden Iugum servile a cervicibus alicuius deicere / Iugum servile alicui demere / Ab aliquo servitutem of servitutis iugum depellere

Aan de dwingelandij den schepter ontwringen, den despotischen hoogmoed fnuiken Dominationem of dominatum refringere / Regios spiritus reprimere

De vrijheid terugkrijgen Libertatem recuperare

Den staat van de dwingelandij bevrijden Rem publicam in libertatem vindicare a of ex dominatione

12. BELASTINGEN. KOLONIËN. WERKKRING. PROVINCIËN

De belastingen, staatsinkomsten pachten Vectigalia redimere; conducere

De belastingen beheeren, laten innen Vectigalia exercere (zie noot bl. 52)

De belastingen (met hardvochtigheid) innen Vectigalia exigere (acerbe)

Geld van de gemeenten invorderen Pecuniam cogere a civitatibus

De belastingen opbrengen of betalen Vectigalia, tributa pendĕre

(Vectīgal is indirecte belasting; soorten daarvan zijn: decumae, de tienden van het veldgewas, scriptura, weigeld, portorium, havengeld enz. Tributum is directe belasting of inkomstenbelasting)

Vrij van belasting Immunis (tributorum)

Vrijstelling van alle belasting genieten Immunitatem omnium rerum habere

Iemand belastingen opleggen Vectigalia, tributa alicui imponere

Onder den druk der belastingen zuchten, gebukt gaan Tributorum multitudine premi

Staatsdomein Ager publicus

Landerijen toewijzen, uitdeelen (bijv. aan kolonisten) Agros assignare

De inkomsten van den staat uit de bergwerken (nl. uit de mijnen, uit de steengroeven (Iautumiae),

krijtgroeven (cretifodinae), zoutpannen (salinae)) Pecunia publica, quae ex metallis redit

Geld verduisteren Avertere pecuniam

's Lands penningen ontvreemden Peculatum facere

Zich ten koste van den staat weten te verrijken Rem publicam quaestui habere (zie bl. 81)

Kolonisten ergens heen overvoeren, eene volkplanting ergens aanleggen Coloniam deducere in aliquem locum (zie noot bl. 70)

Kolonisten zenden Colōnos mittere

Eene volkplanting aanleggen, vestigen Coloniam constituere

Iemand een werkkring toewijzen, eene taak opdragen Provinciam alicui decernere, mandare

(De eerste beteekenis van provincia is werkkring, taak, vooral van magistraten. De tweede is het bestuur van een veroverd land of wingewest buiten Italië; metonymisch wordt het wingewest zelf zoo genoemd

De werkzaamheden, takken van het bestuur, wingewesten door het lot verdeelen Provincias sortiri

Aan iemand is Syrië als provincie (door het lot) te beurt gevallen Alicui Syria (sorte) obvēnit, obtigit

De takken van het bestuur bij vergelijk onder elkander verdeelen Provincias inter se comparare

De provinciën onderling ruilen Provincias permutare

Eene provincie besturen Provinciam administrare, obtinere

Eene provincie bezoeken, doorreizen Provinciam obire

De provincie verlaten (na ze bestuurd te hebben) (De of ex) provincia decedere of alleen decedere (zie noot bl. 22)

13. DE MAGISTRATEN

a) Dinging. Verkiezing

Naar een ambt, eerepost dingen, staan Petere magistratum, honores

Rondgaan, om zich in de gunst te bevelen of de stem te vragen Ambire (met accus. van den pers. b.v. amicos)

(Daarvan ambitio het geoorloofd, ambitus het ongeoorloofd, strafbaar dingen naar eereposten)

Zich (bij den magistraat als candidaat) aangeven Nomen profiteri of alleen profiteri

De hand drukken Manus prensare

(Bij het ambire werd de candidaat door een slaaf (nomenclator) vergezeld, die hem de namen der burgers moest influisteren; want ieder burger moest bij zijn naam genoemd en de hand gedrukt worden)

De namen noemen Nomina appellare (nomenclator)

De mededinger Competitor

Veel (weinig) stemmen in eene centurie (tribus) verkrijgen Multa (pauca) puncta in centuria (tribu) aliqua ferre / Centuriam, tribum ferre

(Bij de stemopneming werd onder den naam van den candidaat een punt gezet, zoo dikwijls hij op een stemplankje (tabella) voorkwam. Vandaar omine punctum ferre = algemeen bijval vinden, ieders goedkeuring wegdragen, zooals in het vers van Horatius: Omne tulit punctum, qui miscuit utile dulci)

Met eenparige, algemeene stemmen gekozen worden Omnes centurias ferre of omnium suffragiis, cunctis centuriis creari

Bij het dingen naar het consulaat vallen, niet gekozen worden Repulsam ferre consulatus (a populo)

Onrechtmatig gekozen magistraten (omdat eene formaliteit ontbroken heeft of omdat de auspiciën niet gunstig waren) Magistratus vitio creati

Een plaatsvervanger voor iemand kiezen (wanneer de ambtenaar voor het einde van zijn jaar overleden is) Sufficere aliquem in alicuius locum

Iemand in zijn ambt opvolgen Alicui of in alicuius locum succedere

Iemand als veldheer opvolgen Alicui imperatori succedere

Op wettelijken (lex Villia annalis) leeftijd gekozen worden Suo (legitimo) anno creari (tgst. ante annum)

Een ambt het volgend jaar behouden Continuare magistratum

Iemand een ambt het volgend jaar laten behouden, hem onmiddellijk herkiezen Continuare alicui magistratum

Het opperbevelhebberschap van iemand (voor een jaar) verlengen Prorogare alicui imperium (in annum)

Burgerlijke en militaire ambten Magistratus et imperia

Een ambt aanvaarden Inire magistratum, munus

Een ambt bekleeden, waarnemen Munus administrare, gerere / Munere fungi, muneri praeesse

Iemand eerambten opdragen Honores alicui mandare, deferre

Iemand tot een ambt aanstellen, daarmede bekleeden Muneri aliquem praeficere, praeponere

De plichten van zijn ambt vervullen Munus explere, sustinere

Bedanken of zijn ambt nederleggen (vóór den bepaalden tijd) Abdicare se magistratu

Zijn ambt nederleggen (gewoonlijk na of op den wettigen tijd) Deponere magistratum / Abire magistratu / De potestate decedere

Eene tusschenregeering is noodig, treedt op Res ad interregnum venit of adducitur

Iemand van zijn ambt ontzetten, hem afzetten Abrogare alicui munus

Iemand van het bevelhebberschap ontzetten Abrogare alicui imperium

Mannen met hooge waardigheden bekleed Viri clari et honorati

b) Eenige magistraatspersonen

Een consul kiezen CONSULEM creare

(In het openbaar) verklaren, dat iemand consul gekozen is (van den voorzittenden magistraat, van het volk) Aliquem consulem declarare

Iemand (na die verklaring, door den mond van den praeco) als gekozen consul uitroepen, proclameeren) Aliquem consulem renuntiare

Tweemaal consul geweest Bis consul

Voor de tweede, voor de derde maal consul Iterum, tertium consul

De consuls moeten toezien, dat de staat geene schade lijdt (door welke formule de senaat de consuls met dictatoriale macht bekleedde) Videant of dent operam consules, ne quid res publica detrimenti capiat

Een dictator benoemen DICTATOREM dicere (creare)

Een dictator benoemt een magister equitum (adjunct van den dictator, in den oorlog bevelhebber

der ruiterij) Dictator dicit (legit) magistrum equitum

Hij heeft het recht over leven en dood van iemand Potestatem habet in aliquem vitae necisque

De lictoren dringen het volk achteruit, maken ruimte LICTORES summovent turbam

Met de roedenbundels voorgaan, hen laten zakken Fasces praeferre, summittere

De censors schatten het volk CENSORES censent populum

De schatting, den census houden Censum habere, agere / Censuram agere

Tempels, het aanleggen van wegen aanbesteden Locare aedes, vias faciendas

De openbare werken aanbesteden Locare opera publica

Eene galerij of een zuilengang aannemen (nl. te bouwen) Redimere, conducere porticum aedificandam

De bestraffing door den censor toegediend (die ook zedenmeester was) Nota, notio, animadversio censoria

Iemand door de schande eener bestraffing brandmerken Notare aliquem ignominia

Iemand uit zijne tribus (in eene lagere) verplaatsen, van de lijst der senatoren schrappen Tribu, senatu movere aliquem

De censuur sluiten (door een zoenen reinigingsoffer lustro faciendo) Lustrum condere

De onschendbare volkstribunen TRIBUNI PLEBIS sacrosancti

Zich (van iemand) OP de volkstribunen beroepen, hunne hulp inroepen Appellare tribunos plebis (in aliqua re ab aliquo)

(Appellare aliquem wordt in deze beteekenis slechts gebruikt in het rechtswezen, en in de aanspraak te, vos appello)

Zich op het volk beroepen Provocare ad populum

(Ook zegt men van personen: ad Catonem provocare; maar een beroep doen op iemands medelijden, trouw, geweten = alicuius misericordiam, fidem, religionem implorare)

Het veto der tribunen Intercessio tribunicia (zie bl. 202)

13. DE SENAAT

De staatsraad Publicum consilium

Tot lid van den senaat kiezen In senatum legere, eligere

(Daarentegen senatum legere, de lijst der senatoren oplezen (van den censor). De eerste op de lijst heette princeps senatus)

Den senaat beroepen, bijeenroepen Senatum vocare, convocare

Eene senaatsvergadering beleggen Senatum cogere

Afkondigen, openlijk bekendmaken, dat de senatoren in groot getal ter vergadering zouden opkomen Edicere, ut senatus frequens adsit

(Edicere is de vox propria van de openbare afkondigingen en verordeningen der overheidspersonen)

Senaat, zitting houden Senatum habere

Een voorstel aan den senaat doen, een punt van behandeling ter tafel brengen, den senaat iets ter beslissing voorleggen (van den voorzittenden magistraat) Ad senatum referre

De senatoren (den senaat) over iets raadplegen Patres (senatum) consulere de aliqua re

Naar het gevoelen vragen Sententiam rogare

Zijn gevoelen zeggen (zie bl. 113 noot 3) Sententiam dicere

De senaat helt over tot..., besluit tot Senatus sententia inclīnat ad...

Het gevoelen zegeviert Sententia vincit

De meerderheid Maior pars

Welk is uw gevoelen? Quid censes? quid tibi videtur? / Quid de ea re fieri placet?

In stemming brengen (eig. = uitnoodigen, om naar dezen of genen kant der zaal te gaan) Discessionem facere

Tot iemands gevoelen toetreden of daarvóór stemmen Discedere of (pedibus) ire in alicuius sententiam

De senaat besloot Senatus decrevit

Een senaatsbesluit wordt genomen (waartegen zich de volkstribunen niet verzetten) Senatus consultum fit

Een senaatsbesluit (in het algemeen of ook het besluit, dat door de tribunen nog niet bekrachtigd of reeds verworpen is) Senatus auctoritas

Iemand in den senaat gehoor verleenen Senatum alicui dare

Van den senaat wordt eene zaak (ter beslissing) naar het volk verwezen A senatu res ad populum reicitur

Door lange redevoeringen den dag in beslag nemen, laten verstrijken (opdat men niet zou kunnen stemmen) Dicendi mora diem extrahere, eximere, tollere

De senaatsvergadering sluiten, de zitting opheffen Dimittere senatum

(De voorzittende consul liet den senaat uiteengaan met de woorden nihil vos moror, patres conscripti, ik houd u niet langer op, senatoren, gij kunt gaan. Nihil moror beteekent in de omgangstaal 1) ik wil niet weten van; ik geef er niets om (c. acc.) 2) ik heb er niets tegen dat, mijnenthalve mag (met acc. c. inf))

Wegens zonsondergang wordt de zitting opgeheven Nox senatum dirimit

IV. Recht en gerecht

1. RECHT EN GERECHT IN HET ALGEMEEN

Rechtspreken, recht doen Ius dicere, reddere

Zijn recht trachten te verkrijgen, vervolgen Ius suum persequi

Recht verkrijgen Ius suum adipisci

In het genot van zijn recht blijven, zich in het bezit daarvan handhaven Ius suum tenere, obtinere

Van zijn recht afstand doen, zijn recht afstaan De iure suo decedere of cedere

Den weg van rechten tegen iemand inslaan (Ex) iure, lege agere cum aliquo

Met iemand naar het strengste recht te werk gaan Summo iure agere cum aliquo (vgl. summum ius, summa iniuria)

Iemand voor het gerecht dagen, in rechten aanspreken In ius, in iudicium vocare aliquem

Iemand aankondigen, dat men op een bepaalden dag eene aanklacht tegen hem bij het volk zal inbrengen (van den magistraat, die als aanklager optreedt) Diem dicere alicui

Voor de rechtbank, den rechter verschijnen In iudicium venire, in iudicio adesse

De rechtszaken leiden Iudicia administrare

Het gerechtelijk onderzoek leiden, terechtzitting houden (van den praetor aan het crimineel gerechtshof) Iudicium exercere (zie noot bl. 52)

Voorzitter der rechtbank zijn Iudicio praeesse

Rechtdagen houden (van den stadhouder in de provincie) Conventus agere

Vaste (crimineele) rechtbanken van gezworenen Quaestiones perpetuae

Iemand in zijne rechten herstellen Aliquem in integrum (zie noot bl.. 48) restituere

Rechtsgeleerde adviezen geven 1) Respondere (de iure of ook ius)

(De rechtsgeleerden heeten iuris of iure consulti, omdat men hun advies vraagt (consulere aliquem))

Zijn cliënt voor schade behoeden door hem met de vereischte rechtsvormen en de noodige voorzorgsmaatregelen bekend te maken 2) Cavere (in iure)

Voor de rechtbank behandelen, handelend optreden (als aanklager, pleiter, verdediger) 3) Agere

(In het respondere, cavere en agere bestond hoofdzakelijk de praktijk der rechtsgeleerden)

Een billijk vonnis, oordeel over iemand vellen Aequum iudicem se alicui praebere

Naar recht en billijkheid Ex aequo et bono

De onomkoopbare, onpartijdige rechter Iudex incorruptus

De rechterlijke organisatie of inrichting Ratio iudiciorum

Een goed recht (= wetgeving) Aequa iuris descriptio

Op gelijken voet met iemand leven of dezelfde, geen andere rechten hebben dan hij, met wien men leeft Aequo iure vivere cum aliquo

De staking der terechtzittingen aankondigen, afkondigen Iustitium indicere, edicere

Het recht tot een stelsel brengen Ius ad artem redigere

Het gemis van recht, van gerechtigheid, van rechtsbedeeling Ius nullum

Alle rechten met voeten treden Ius ac fas omne delere / Omnia iura pervertere

Tegen menschelijke en Goddelijke wetten Contra ius fasque

2. GERECHTELIJK ONDERZOEK. GETUIGENIS. FOLTERING

Iets, eene zaak gerechtelijk onderzoeken Aliquid, causam cognoscere / Quaerere aliquid of de aliqua re

Een onderzoek over iemand, over eene zaak instellen Quaestionem habere de aliquo, de aliqua re of in aliquem

Het gerechtelijk onderzoek leiden Quaestioni praeesse

De rechter van instructie (met het voorbereidend onderzoek belast) Quaesītor

Zonder eenig onderzoek Incognita causa

Een protocol van iets opmaken In tabulas publicas referre aliquid

Iemand betrappen Deprehendere aliquem (in aliqua re)

Iemand op heeterdaad betrappen Deprehendere aliquem in manifesto scelere

Een onwraakbaar getuige Testis locuples

(Eigenlijk een getuige rijk genoeg om zich borg te stellen)

Een onpartijdig getuige Testis incorruptus

Een getuige ter goeder naam en faam Testis integer

Iemand als getuige in eene zaak (tegen iets) oproepen Aliquem testem alicuius rei (in aliquid) citare

De getuigenis van iemand inroepen Aliquem testem adhibere / Aliquo teste uti

Iemand als getuige doen optreden of bijbrengen Aliquem testem dare, edere, proferre

Iemand (reeds bij de terechtzitting tegenwoordig) als getuige oproepen, doen optreden Aliquem testem producere

Als getuige tegen iemand optreden Testem prodire (in aliquem)

Getuigenis voor iemand afleggen Testimonium dicere pro aliquo (in aliquem)

Als getuige verklaren Pro testimonio dicere

Door de verklaringen der getuigen (van schuld) overtuigd zijn (van den aangeklaagde). Testibus teneri, convictum esse

Iemand laten folteren Alicui admovere tormenta / Quaerere tormentis de aliquo

De slaven hooren, folteren De servis quaerere (in dominum)

De smarten der foltering Cruciatus tormentorum

3. RECHTSGEDING. VERDEDIGING

Een civiel rechtsgeding Causa privata

Een crimineel proces Causa publica

Iemands rechtszaak voeren voor de rechtbank behandelen (van den pleitbezorger) Causam alicuius agere (apud iudicem)

Een pleidooi, eene pleitrede houden (van den advocaat) Causam dicere, orare

Zich voor de rechtbank verdedigen, verantwoorden (van den aangeklaagde) Causam dicere

Iemand voor de rechtbank verdedigen, voor hem pleiten Causam dicere pro aliquo

De zaak van iemand verdedigen Causam alicuius defendere

Eene rechtvaardige zaak hebben Causam optimam habere

Aan de zwakste zaak de overwinning bezorgen Causam inferiorem reddere superiorem (τὸν ἥττω λόγον κρείττω ποιεῖν)

De advocaat Patronus (causae)

(Eerst ten tijde der keizers wordt hij advocatus genoemd. Voor dien tijd was advocatus een rechtskundige vriend, die door raad bijstond, en door zijne tegenwoordigheid bij de terechtzitting den beschuldigde steunde (adesse alicui), maar zelf niet pleitte)

Zich met een rechtszaak belasten Causam suscipere / Ad causam aggredi of accedere

Zonder vorm van proces Indicta causa (vgl. bl. 219 incognita causa)

Iemand een proces aandoen Litem alicui intendere

Het proces is nog hangende, het geding is nog onbeslist Adhuc sub iudice lis est

De geschillen in rechten, den strijd bijleggen Lites componere

Het proces winnen Causam of litem obtinere / Causā of iudicio vincere

Het proces verliezen Causam of litem amitterre, perdere / Causā of lite cadere (door een gebrek in den vorm)

Valsche beschuldigingen, lasterlijke aanklachten, chicanen Calumniae litium

4. BESCHULDIGING. VONNIS

Eene aanklacht (in zaken van crimineelen aard) Accusatio

Eene (burgerlijke) rechtsvervolging, rechtsvordering Actio, petitio

Eene aanklacht tegen iemand indienen Nomen alicuius deferre (apud praetorem)

Iemand op de rol der beklaagden plaatsen Referre in reos aliquem

Iemand van de rol der beklaagden schrappen Eximere de reis aliquem

Iemand wordt beschuldigde, aangeklaagde Aliquis reus fit

(Door het lot aangewezen) rechters verwerpen (van den klager of van den beklaagde) Iudices reicere

Beschuldigingen, aanklachten wederleggen, te niet doen Crimina diluere, dissolvere

Iemand wegens eene hoofdmisdaad aanklagen Accusare aliquem rei capitalis (rerum capitalium)

Iemands leven staat op het spel Caput alicuius agitur (zie bl. 53)

Iemand wegens verduistering, het onderslaan van 's lands gelden aanklagen Accusare aliquem peculatus, pecuniae publicae

Iemand wegens vervalsching van oorkonden aanklagen Accusare aliquem falsarum tabularum

(Tabulas publicas corrumpere, commutare = openbare oorkonden vervalschen, indicium commutare = het protocol vervalschen)

Iemand wegens knevelarij of geldafpersing voor het gerecht trekken Postulare aliquem repetundarum of de repetundis

(Geldafpersing wordt anders vertaald violenta exactio pecuniarum of door omschrijving met een werkwoord (per vim capere pecunias enz.) uitgedrukt)

Iemand wegens hoogverraad aanklagen Accusare aliquem perduellionis

Iemand wegens majesteitsschennis, misdaad van gekwetste majesteit aanklagen Accusare aliquem maiestatis

Iemand wegens gekuip, geknoei, omkooping bij de verkiezingen aanklagen Accusare aliquem ambitus, de ambitu

Iemand wegens het plegen van geweld, wegens vergiftiging aanklagen Accusare aliquem de vi, de veneficiis

De stemmen der rechters Sententiae iudicum

Zijne stem uitbrengen (van rechters) Sententiam ferre (zie ook bl. 113 en 216)

Een geding beslissen Iudicare causam (de aliqua re)

Een vonnis vernietigen, casseeren Iudicium rescindere

Krachtens de Plautische wet veroordeeld worden Lege Plautia damnari

5. SCHULD

Schuld hebben, schuldig (strafbaar) zijn In culpa esse

De schuld ligt aan iemand Culpa alicuius rei est in aliquo

Het is mijne schuld Mea culpa est

Vrij van schuld of zonder schuld zijn Culpa carere, vacare / Extra culpam esse / Abesse a culpa

In een schuldige daad betrokken zijn Affinem esse culpae

De schuld op iemand schuiven, werpen Culpam in aliquem conferre, transferre, conicere

Iemand de schuld wijten Culpam alicui attribuere, assignare

Iemand de schuld van iets geven, hem iets tot een verwijt maken Aliquid alicui crimini dare, vitio vertere

Iets strafbaars begaan, zich aan eene strafwaardige daad schuldig maken Culpam committere, contrahere / Facinus, culpam in se admittere

Het niet zoover door zijne schuld laten komen, dat... Non committere, ut

De schuld van iets dragen Culpam alicuius rei sustinere

De schuld van zich afwerpen Culpam a se amovere

(Men zegt ook: purgare aliquid zich van iets zuiveren, zich wegens iets rechtvaardigen; se alicui purgare de aliqua re zich bij iemand wegens iets rechtvaardigen; alicui purgatum esse, in iemands oog gerechtvaardigd zijn)

6. STRAF. STRAFFELOOSHEID

Iemand straffen Poena afficere aliquem / Animadvertere in aliquem / Punire aliquem / Ulcisci aliquem (pro aliqua re)

Voldoening van iemand trachten te verkrijgen, eischen; straf aan iemand opleggen, toedienen, voltrekken Poenas alicuius persequi / Poenam petere, repetere ab aliquo / Poenas expetere ab aliquo / Supplicium sumere de aliquo

Tot iemands straf bepalen, dat... Hanc poenam constituere in aliquem ut

Gestrenge maatregelen, een gestreng besluit tegen iemand nemen Graviter consulere in aliquem

Door iemand (streng) gestraft worden Poenas (graves) dare alicui

Door iemand (voor iets) gestraft worden Poenas alicui pendĕre (alicuius rei)

Straf (voor iets) ondergaan, lijden Poenas dependĕre, expendĕre, solvere, persolvere / Poenam (alicuius rei) ferre, perferre

(Voor iets) boeten, de straf (van iets) ondergaan Poenam luere (alicuius rei)

Iets met iets boeten Luere aliquid aliqua re

(Het ontbrekende passief wordt aangevuld door expiari, b.v. scelus supplicio expiatum est de snoodheid is door straf geboet (zie bl. 149))

Zich eene straf op den hals halen Poenam subire

Iemand tot eene geldboete veroordelen Pecunia multare aliquem

Iemand (met goedkeuring van het volk) eene geldboete opleggen Multam irrogare alicui

Tot eene boete van 10.000 assen veroordeeld worden Decem milibus aeris damnari

Iemand in boeien klinken, in de kluisters slaan, in hechtenis nemen In vincula (custodiam) dare aliquem / In vincula, in catenas conicere aliquem

Iemand in de gevangenis werpen In carcerem conicere aliquem

Iemand ter dood veroordeelen Capitis of capite damnare aliquem

Iemand van de doodstraf vrijspreken Capitis absolvere aliquem

Bepalen, dat iemand de straffe des doods zal ondergaan Supplicium alicui decernere, in aliquem constituere

Solon bepaalde, dat hij, die ... met den dood zou gestraft worden Solo capite sanxit, si quis...

Iemand met den dood straffen Morte multare aliquem

De doodstraf aan iemand voltrekken Supplicium sumere de aliquo

Den dood of de doodstraf ondergaan Supplicio (capitis) affici

Aan den paal binden Ad palum deligare

Met roeden geeselen Virgis caedere

Het vonnis met de bijl voltrekken Securi percutere, ferire aliquem

Iemand aan het kruis hechten, slaan, nagelen In crucem agere, tollere aliquem / Cruci suffigere aliquem

Er zonder straf afkomen. Impune fecisse, tulisse aliquid

Iemand ongestraft laten Impunitum aliquem dimittere

(Om) genade, om lijfsbehoud bidden, smeeken Mortem deprecari

(Ook wel vitam of salutem of aliquem deprecari ab aliquo; want deprecari beteekent 1) iets (dreigends) door bidden trachten af te wenden, 2) iets (dat in gevaar verkeert) door bidden trachten te behouden, b.v. pacem)

AANHANGSEL

Gelijk Cicero zegt Ut ait Cicero (altijd in deze volgorde)

Om met Cicero te spreken Ut Ciceronis verbis utar (niet ut cum Cicerone loquar!)

Om zoo te zeggen, om mij zoo uit te drukken (tot verzachting der beeldspraak) Ut ita dicam

Om niet te spreken van... Ut non (nihil) dicam de...

Om niet uitvoeriger te zijn Ut plura non dicam

Om niet te zeggen (om de sterkere uitdrukking niet te gebruiken) Ne dicam

Om niets ergers te zeggen Ne (quid) gravius dicam

Om het in korte woorden, met één woord te zeggen Ut breviter dicam (niet uno verbo!)

In het kort, kortom, om kort te gaan Denique / Ne multa, quid plura? sed quid opus est plura?

Om het kort te maken, om kort te zijn, om mij te bekorten Ut paucis (rem) absolvam / Ut paucis (brevi, breviter) complectar / Ut brevi comprehendam / Ut brevi praecidam

Om het gezegde samen te vatten, daarvan de slotsom op te maken Ut eorum, quae dixi, summam faciam

Om niet lang, niet wijdloopig te zijn Ne longurn sit / Ne longus sim / Ne diutius vos demŏrer

Om niet over eene geheel bekende zaak uit te weiden Ne in re nota et pervulgata multus sim

Om de zachtste uitdrukking te gebruiken Ut levissime dicam (tgst. ut gravissimo verbo utar)

Om mij duidelijker uit te drukken Ut planius dicam

Juister gezegd Ut verius dicam

Om het eens voor al, eens voor altijd te zeggen Ut semel of in perpetuum dicam

Om bij dezelfde vergelijking, hetzelfde beeld te blijven Ut in eodem simili verser

Ik zal naar waarheid mijn gevoelen zeggen Dicam quod sentio

DIT wil ik slechts zeggen Tantum of unum illud of hoc dico

Ik wil niet ontkennen Non nego, non infitior

Dit geldt van iets, is van toepassing op iets Hoc dici potest de aliqua re / Hoc cadit in aliquid / Hoc transferri potest in aliquid

Ik heb het in 't voorbijgaan gezegd Dixi quasi praeteriens of in transitu

Ik heb het honderdmaal gezegd Millies dixi

Zooals boven, hierboven gezegd is Ut supra (tgst. infra) diximus, dictum est

Ik kan niet uitdrukken, er geen woorden voor vinden, het is onbeschrijfelijk Dici vix (non) potest of vix potest dici (vix en non altijd onmiddellijk voor potest)

Het klinkt ongeloofbaar Incredibile dictu est

Ik onthoud mij daar veel over te zeggen Supersedeo oratione (niet dicere!)

Ik wil daar niet op wijzen Omitto dicere

Dit heb ik, weet ik te zeggen Haec habeo dicere of habeo quae dicam

Hij zeide (nagenoeg) het volgende Haec (fere) dixit

Hij sprak in dezen zin, in dezer voege Hanc in sententiam dixit

Ik wensch hier eenige woorden over te zeggen Mihi quaedam dicenda sunt de hac re

Waarop ik mij inderdaad zou kunnen beroemen Quod vere praedicare possum

Wat ik zonder mij iets aan te matigen kon of mocht zeggen Quod non arroganter dixerim

Het zij met uw welnemen, met uw verlof gezegd Pace tua dixerim of dicere liceat / Bona (cum) venia tua dixerim

Het is hier de plaats niet om... Non est huius loci c. Inf. / Non est hic locus, ut...

Doch hierover op een anderen tijd meer Sed de hoc alias pluribus

Maar genoeg daarvan, van... Atque of sed haec (quidem) hactenus / Atque haec quidem de...

Maar van... heb ik, is er genoeg gezegd Ac (sed) de ... satis dixi, dictum est

Ook dit moet men in aanmerking nemen, verder moet in aanmerking komen (= medegerekend worden) Atque etiam hoc animadvertendum est

Gaan wij verder Ad reliqua pergamus, progrediamur

Deze plaats is duister Hic (ille) locus obscurus est

Laten wij dit punt rusten, in het midden laten Hoc in medio relinquamus

Maar dat voert ons te ver Sed labor longius

Ik neem dit niet in den allerstrengsten zin Non id ad vivum reseco

Vooraf wil ik het een en ander nog zeggen Nonnulla praedīcam

(Dit of dat) daargelaten, afgezien van Ut omittam (c. Accus.)

Om met stilzwijgen voorbij te gaan, dat Ut praetermittam. (c. Acc. c. Inf.)

(Dit of dat) uitgezonderd Cum discessi, -eris, -eritis ab / Praeter (c. Accus,)

Behalve dat Praeterquam quod of nisi quod

Dat is licht te begrijpen Hoc in promptu est

Dat is helder en klaar Hoc in aperto est

Dat is zonneklaar, zoo klaar als de dag Hoc est luce (sole ipso) clarius

Dat verstaat zich vanzelf, spreekt vanzelf Hoc facile intellegi potest / Hoc per se intellegitur / Hoc sua sponte appāret

Daaruit kan men opmaken, daaruit blijkt Ex quo intellegitur of intellegi potest of perspicuum est / Inde patet, appāret

Het blijkt ten duidelijkste Apparet et exstat / Exstat atque eminet

Oprecht gesproken; om de waarheid te zeggen Si quaeris, si verum quaerimus

Hetgeen de hoofdzaak is Id quod maximum, gravissimum est / Quod caput est

Wat meer zegt Quod maius est

Dat getuigt, bewijst, tot bewijs daarvoor strekt Testis est, testatur, declarat / Documento, indicio est (zonder Pron. demonstr.! maar cui rei documento, indicio est)

Maar dat doet niets tot de zaak Sed hoc nihil (sane) ad rem

Gij hebt niet geheel ongelijk, het is niet geheel te verwerpen wat gij zegt Aliquid (τι) dicis (tgst. nihil dicis)

Dat (hetgeen gij zegt) is ten minste iets, iets van eenige beteekenis Est istuc quidem aliquid

Dat laat zich hooren Audio, fateor

Meent gij dat? Is u dat ernst? Ain tu?

Niet waar? Nonne?

Wat wilt gij daarmede zeggen? Quorsum haec (dicis)?

Gij brengt mij slechte tijding, het is mij niet aangenaam dat te vernemen Male (tgst. bene) narras

Gij zegt ongerijmdheden, ongeloofbare dingen Monstra dicis, narras

Spreek luider, duidelijker Clarius loquere

Geloof mij Mihi crede (niet crede mihi!)

Mij goed, ik heb er niets tegen Per me licet

Gij hebt den spijker op den kop geslagen Rem acu tetigisti

Dat is volmaakt mijne meening Ita prorsus existimo

Zoo is het Ita res est

Zoo staat de zaak Res ita (aliter) se habet

Geen wonder! het is geen wonder Nec mirum, minime mirum (id quidem), quid mirum?

En dat moet u niet verwonderd doen opzien Neque id mirum est of videri debet

En wel te recht Et recte (iure, merito) / Et recte (iure) quidem / Recte, iure id quidem

En niet ten onrechte Nec immerito (iniuria) / Neque id immerito (iniuria)

Met goed, met vol recht Meo (tuo, suo) iure / Iusto iure

Met recht en billijkheid Iure ac merito, merito ac iure, iure meritoque (niet iure merito!)

Met het volste recht Iustissime, rectissime / Optimo iure (vgl. summo iure bl. 217)

Maar pas op, hoor, dat men u niet op de vingers tikt Sed heus tu, manum de tabula (spreekw.)

(Tabula beteekent hier teekening. Het beeld is genomen van een schooljongen, die in afwezigheid des meesters allerlei zit te teekenen, maar bij diens komst de handen in veiligheid brengt)

Geluk (er mede)! Bravo! (gelukwensch, bijvalsbetuiging) Macte virtute (esto of te esse iubeo)