Home | Fonds | Woordenboek | Historisch overzicht | Contact Winkelwagentje: leeg
Griekse grammatica

EERSTE DEEL: KLANKLEER


§ 1. Schrift en uitspraak.

1. Het Griekse alfabet bestaat uit 24 letters, nl.:


Αα
a
Alfa
Ἄλφα
Β
β
b
Beta
Βῆτα
Γ
γ
g
Gamma
Γάμμα
Δ
δ
d
Delta
Δέλτα
Ε
ε
\u e
Epsilon
Ἒ ψιλόν
Ζ
ζ
dz
Zeta
Ζῆτα
Η
η
e
Eta
Ἦτα
Θ
θ
th
Theta
Θῆτα
Ι
ι
i
Iota
Ἰῶτα
Κ
κ
k
Kappa
Κάππα
Λ
λ
l
Lambda
Λάμβδα
Μ
μ
m
Mu
Μῦ
Ν
ν
n
Nu
Νῦ
Ξ
ξ
x
Xi
Ξῖ
Ο
ο
o
Omikron
Ὄ μικρόν
Π
π
p
Pi
Πῖ
Ρ
ρ
r
Rho
Ῥῶ
Σ
σ,ς
s
Sigma
Σῖγμα
Τ
τ
t
Tau
Ταῦ
Υ
υ
u
Upsilon
<U> ψιλόν
Φ
φ
ph
Phi
Φῖ
Χ
χ
ch
Chi
Χῖ
Ψ
ψ
ps
Psi
Ψῖ
Ω
ω
o
Omega
Ὦ μέγα

2. σ gebruikt men in het begin en in het midden, ς aan het einde van een woord; b.v. σεισμός. Ook εἰς-βάλλω naast εἰσ-βάλλω.

OPM. Vroeger gebruikte men voor de klank w het teken F (wau, digamma, dubbele gamma); b.v. Fοῖκος = v\=icus, ὄFις = ovis. Over j zie § 3, 3.

3. γ voor γ, κ, χ en ψ heeft dezelfde klank als n voor g, k, ch, x; b.v.

ἄγγελος angelus engel;

ἄγκυρα ancora anker;

Ἀγχίσης Anchises;

Σφίγξ Sphinx.

τι heeft, ook als er een klinker op volgt, de klank ti. Deze lettergreep klinkt dus in Βοιωτία zoals in de gebruikelijke uitspraak van het Latijnse Boeotia.

4. ευ = ui en ου = oe.


§ 2. Spiritus. Accent. Leestekens.

1. Boven iedere klinker of tweeklank waarmee een woord begint, wordt een spiritus geschreven. Er zijn er twee, namelijk:

a) de spiritus asper (...), die overeenkomt met de Nederlands-Latijnse h: ἥρως heros, Αἵμων Haemon;

b) de spiritus lenis (...), die niet uitgesproken wordt: Ἔρως Eros, Αἴγινα Aegina.

2. Iedere ρ aan het begin van een woord krijgt de spiritus asper, b.v.: ῥήτωρ rhetor, Ῥόδος Rhodus.

Een dubbele ρ wordt óf zonder spiritus geschreven, óf men plaatst boven de eerste ρ een spiritus lenis, boven de tweede een spiritus asper; b.v. óf Πύρρος óf Πύῤῥος Pyrrhus.

3. Elk woord heeft een accent op één van de 3 laatste lettergrepen. Dit accent is:

a) de circumflexus (\gr{~}); Ἆγις, Ἀθήναι, ὀρθῶς.

b) de acutus (\gr{>}): ἄγω, ἀγέλη, ὀρθός.

c) de gravis (\gr{`}): ὀρξὸς ἦν ὁ λόγος.

4. Plaatsing van spiritus en accent. Spiritus en accent staan

a) bij klinkers op de klinker, als het een kleine letter is: ὁ ἀνήρ, ἵππος, maar boven vóór de klinker, als het een hoofdletter is: ἡ Ἑλλάς, Ἆγις.

b) bij tweeklanken boven de tweede klinker: Αἰγαί, εἰ, εὐποίητος.

c) als de spiritus en het accent op dezelfde klinker moeten staan, staat de spiritus voor de acutus of gravis, maar onder de circumflexus: Αἴας ὤμοσεν, ὅς ἄριστος ἦν.

Zie verder § 3,2.

5. De leesteekens schrijft men zoals in het Nederlands, doch puntkomma en dubbelepunt als punt boven aan de regel (\gr{:}) en het vraagteken als onze puntkomma (;). Het trema wordt meestal weggelaten indien accent of spiritus de diaeresis duidelijk maken: ἀυτή, ὄις.


§ 3. Indeling der klanken.

1. De klinkers zijn, wat hun kwantiteit betreft, óf kort (ε, ο), óf lang (η, ω) of soms lang, soms kort (α, ι, υ).

2. Tweeklanken of diftongen zijn:

αυ, ευ, ου, ηυ b.v. in Γλαῦκος, Ζεύς, Μοῦσα, ηὔχανον  en  αι (\u α + ι), ει, οι, θι b.v. in Μαῖα, Δαρεῖος, Κροῖσος, Ἅρπυιαι.

Verder: ᾳ (\=α + ι), ῃ, ῳ met iota subscriptum: ᾄδω, ᾖδον, ᾠδή — of Αι, Ηι, Ωι met iota adscriptum: Ἅιδης, Ὠιδεῖον.

3. De (enkele) medeklinkers worden verdeeld in:

9 mutae (zie 4).

2.liquidae, nl. λ, ρ.

3 nasales, nl. γ (= ng), μ, ν.

3 spirantes, nl. j, F, σ.

4. Indeling van de mutae:

 Gutturales
(K-klanken)
Dentales
(T-klanken)
Labiales
(P-klanken)
Tenues
κ
τ
π
Mediae
γ
δ
β
Adspiratae
χ
θ
φ

5. De naam liquidae wordt dikwijls gebruikt voor de eigenlijke liquidae λ, ρ en voor de nasales μ en ν, dus voor de letters λ, μ, ν, ρ.

6. Dubbele medeklinkers zijn ξ = ks, ψ = ps, ζ = dz.


Scheiding en kwantiteit (lengte) van de lettergrepen.


§ 4. Samengestelde woorden worden volgens hun bestanddeelen gescheiden: συν-έχω, προσ-άπτω, ἀπ-έρχομαι, ὥσ-περ.


§ 5.   1. Een lettergreep is kort als zij een korte klinker bevat, waarop slechts een enkele medeklinker volgt: ἄ-γο-μεν, ἔ-χο-μεν, γένεσις.

2. Een lettergreep is van nature lang, als ze een lange klinker of een tweeklank bevat: ἥρως, Εὐρώπη, ᾠδή.

3. Een lettergreep met korte klinker is lang door positie, als er op die klinker twee of meer medeklinkers of een dubbele medeklinker volgen: ἄχθος, ἐχθρός, ἄξων, ἕζομαι, ὄψομαι.

4. Bij de uitspraak moet men onderscheid maken tussen lettergrepen die van nature en die door positie lang zijn;

b.v. tussen πρ\=άττω en τ\u άττω, πρᾶγμα en τάγμα, πρᾶξις en τάξις. μᾶλλον en κάλλος.


§ 6. De Accenten.

Behalve de uitzonderingen, vermeld in § 8 en 9, krijgen in het Grieks alle woorden een van de in § 2,3 genoemde accenten. Hierbij gelden de volgende algemene regels:

1. De acutus kan op korte en lange lettergrepen staan, de circumflexus daarentegen slechts op van nature lange lettergrepen.

2. De acutus kan slechts op een der drie laatste lettergrepen staan, op de derde van achteren (antepaenultima) echter alleen dan, als de laatste (ultima) kort is; b.v. πόλεμος, πολέμιος, σώματα.

3. De circumflexus kan slechts op een der twee laatste lettergrepen staan, op de voorlaatste (paenultima) echter slechts dan, als de laatste kort is; b.v. δῶρον, δῶρα, φεῦγε.

4. Deze regels maken bij verandering aan het woordeinde dikwijls verandering en verschuiving van het accent noodzakelijk; b.v. δῶρον, δώρου; σῶμα, σώματος, σωμάτων; πόλεμος, πολέμου; φεύγω, φεῦγε; θήρ, θῆρες; πολίτης, πολῖται.

5. Iedere acutus op de laatste lettergreep van een woord, dat niet door een leesteeken van het volgende woord gescheiden is, wordt in den gravis veranderd; dus:

Οἱ μὲν αὐτῶν ἦσαν ἀγαθοί, οἱ δὲ κακοί.

6. Bij de samengestelde woorden wordt het accent zoo ver mogelijk naar voren geschoven; b.v.

ὁ φίλος de vriend, ἄφιλος zonder vrienden,

ἡ τιμή de eer, ἄτιμος eerloos.

OPM. De enige uitzondering op no. 5 is het vragend voornaamwoord τίς, τί, zie § 67, 1; uitz. op no. 3 zie § 9 opm. 3.



§ 7. Benaming der woorden naar het accent.


Naar zijn accent heet een woord

met den acutus op de ultima: oxytonon; b.v. τιμή, ὁδός,

met den acutus op de paenultima: paroxytonon; b.v. λόγος,

met den acutus op de antepaenultima; proparoxytonon; b.v. ἄνθρωπος.

met den circumflexus op de ultima: perispomenon; b.v. τιμῶν.

met den circumflexus op de paenultima; properispomenon: b.v. δῶρον.

zonder accent op de ultima: barytonon; b.v. λόγος, δῶρον.


§ 8. Proclisis.


1. Atona of proclitica noemt men eenlettergrepige woorden, die zich zoo eng bij het volgende woord aansluiten, dat zij geen eigen accent krijgen:

a) vier vormen van het lidwoord: Ὁ, ἡ, οἱ, αἱ.

b) vier voorzetsels: εἰς, ἐν, ἐκ (ἐξ), ὡς.

c) twee voegwoorden: εἰ indien, ὡς zoals, dat.

d) de negatie: οὐ (οὐκ, οὐχ).

2. Atona krijgen een eigen accent:

a) alle, voor een encliticum (verg. § 9): ὅδε, εἴτε, οὔτε.

b) de negatie οὐ voor een interpunctie: φής ἢ οὔ



§ 9. Enclisis.


1. Enclitica heten verscheidene een- en tweelettergrepige woorden, die zich zo eng bij het voorafgaande woord aansluiten, dat ze gewoonlijk hun eigen accent of geheel verliezen, of als acutus op het voorafgaande woord werpen.

Enclitica zijn:

a) van het persoonlijk voornaamwoord de vormen: μού μοί, μέ'i m'e — σού σοί σέ — οὗ οἷ ἕ (zie § 61);

b) het onbepaalde voornaamwoord τις τι (§ 67, 2);

c) de onbepaalde bijwoorden πού ποί ποθέν πώς πῃ΄ ποτέ (§ 69);

d) de ind. praes. van φημί en εἰμί, behalve φής en εἶ (§ 103, 1, 3);

e) de partikels γέ τέ τοί νύν πέρ πώ.

f) het suffixum -δε in: ὅδε, τοσόσδε, οἶκόνδε enz.

2. De wijze van enclisis blijkt uit de volgende regels en voorbeelden:

a) Het accent van het encliticum gaat verloren

1. na een perispomenon: σοφῶν τις, σοφῶν ἐστιν.

2. na een oxytonon of atonon; deze krijgen echter den acutus (niet den gravis): σοφός τις, σοφοί εἰσιν, οὔτε oὔte — οὔποτε.

3. na een proparoxytonon of properispomenon; deze krijgen bij hun eigen accent bovendien op de laatste lettergreep den acutus: ἄνθρωπός τις, ἄνθρωποί εἰσιν, δῶρά ἐστιν.

b) Na een paroxytonon verliest het eenlettergrepig encliticum zijn accent, het tweelettergrepige behoudt het: λόγος τις, λόγοι τινές, λόγων τινῶν.

OPM. 1 Men merke op, dat bij de enclisis nooit meer dan twee op elkander volgende lettergrepen zonder accent blijven:

dus σοφοί τινες en σοφῶν τινων,

maar λόγοι τινές en λόγων τινῶν.

OPM. 2. Als enige enclitica op elkander volgen, dan werpt elk volgend encliticum zijn accent als acutus op het voorgaande: εἴ πώς τίς τινά ποι πέμποι.

OPM. 3. Let op: οὔτε, μήτε, ὥστε, οὔτις enz. Verg. § 6, 3.


§ 10. Enclitica kriigen een accent

1. vóór andere enclitica: § 9. Opm. 2.

2. als zij tweelettergrepig zijn, na paroxytonae § 9, 2, b.

3. wanneer zij met nadruk staan: σὺν σοί, πρὸς σέ (§ 61, 1).

4. wanneer de lettergreep, waarop hun accent moest vallen, geëlideerd is (§ 17); b.v. καλὸς δ’ έστίν (in plaats van καλὸς δέ ἐστιν).

5. aan het begin van een zin: εἰσὶν ἑκάστοις λόγοι — φαμὲν τοίνυν.

Over οἷ, σφίσιν § 61, 5; over ἔστιν § 103, 2, l.


De gewichtigste regels der klankleer.


§ 11. Veranderingen der klinkers (verkorting en wijziging).


De klinkers wisselen dikwijls onderling volgens vaste regels. Deze wisselingen betreffen deels de kwantiteit der klinkers, deels hun kwaliteit.

1. Kwantitatieve wisseling (verkorting of verzwakking). ln dezelfde stam wisselen lange en korte klinkers met elkaar:

\gr{\=a} en \gr{\u a}: ἐάσω, ἐάω. ει en \gr{\u i}: λείπειν, λιπεῖν.

\gr{h} en \gr{\u a}: \gr{tim'hsw, tim'aw}. \gr{\=i} en \gr{\u i}: \gr{tr'ibw, trib'h}.

\gr{h} en \gr{e}: \gr{poi'hsw, poi'ew}. \gr{eu} en \gr{\u u}: \gr{fe'ugw, fug'h}.

\gr{w} en \gr{o}: \gr{doul'wsw, doul'ow}. \gr{\=u} en \gr{\u u}: \gr{l'usw, lut'os}.

2. Kwalitatieve wisseling (wijziging van klank). Op dezelfde wijze wisselen dikwijls:

%HIERO

s en o: λέγω, 16;/o;, véyw, VO_ll7§, zaxaiv, zéwmx.

sn en o:: Zainw, lomdg, xaZ,uaL, xgfny, ns/17o6, :zé:ro11?a,

sv en vv: cmaééw, cnovéi, xéZsv1?o;, ¢ix6}.ov1s*o;.

1; en w: dgvjyw, cigw;/6;, 1n1;a¢·m>, rrzw;g6;, §1;;wvy,1, Eggwyq,

3. Verbinding van quantitatieve en qualitatieve vocaalwisseling.

Daaruit ontstaan de volgende reeksen van klinkers:

sterk_ zwak gewijzigd _

1] si cu: Q7§,Ll:77, 9:4216;, <pwv1; — BEVCEL, ffcimg, ;?wy6;.

1; _ s cu: 'l?7}%77, ’l9E'E6§, ’o(D,lL66.

SL L oe: lsinuv, linsiv, }.OL7'l6§ — ns[17azv, :m'}ém9a1, 7l6C.7'loL19(1.

stark zwak gawijzigd 1

av v osu: oeéco, ébafyou, éboova — élaéooyar, HZ.i17ov, eFh§Z.ovoa.

a a_ oz wgércw, rgdrrsiv, zgdnog —· ozéllw, om/Iojrraz, arélog.

zéluvco, myiag, zomj — yévog, yavfyvaz, yéyova.

ev a ov: zevzb, mzdg, rdvog ·— ysvém9aL, yeyacbg, yéyova.

luévog, luéyaysv, luéluova — 7Téi·"L9o§, mzoeZv, nénovzh.

a — o: nézopuzu, Jnéa2s*aL, nowdoyaz — mzzégex, mxrgdg, ngondzogeg.

yevéu19aL, y[yv·so19az, yéyova — §§gw{6ex-), axsiv, ‘uéz—oxo;.


§ 12. Verlenging in de nominativus. Tegenover de lange klinkers »y an w 12

in de nom. sing. staan dikwijls de korte e an o in de overiga naamvallen; verg. b.v.

smilmfv mat nozluév-o; eI`1Z. Gafywy mai 6a[.uov—o; e¤Z.

xwjv mai ;g¢6v—o; anz. Qrjrwg mat §¢§wg—o; cuz. -


§ 13. Vergoeding noemt men de verlenging van een klinker, welke bij het 13

uitvallen van medeklinkers plaats heeft. In de plaats van een korte klinker met twee of drie daarop volgende medeklinkers komt een lange klinker met aénmada-

klinker, zodat de door positie lange lettergreep door een van nature lange vervangen wordt. Door deze vergoeding wordt:

(2 meeSt3.I E: uii mw:-g, lvaavnoa, 5,uww-oa, ,uslav—;,

ontstaat ndg, Moim, éluliva, Iuélég.

SOms 2;: uit Eqmw-aa

ontstaat gqnyva.

s alfijd sz: uif ;g¢xgLsvz—g, }.m9.svz-oi, éarcl-cm, év-;.

Otltstaiit xagfazg, `lv17eZoL, ébzsela, sf;.

o alfijd ov: uit 5¢<sovi—g, yegovnm, ymuésvovnai

ontstaat <sz6o1sg, yégoum, nanéeéovoz.

Z aliijd Z: uit éxgwoa,

ontstaat éwgzva. I

5 altijd it uit cpvvz-g, Semvvvvan, ¢§;wv—aa,

Ontstaaf gang, 68L%'V'UUL, Hfuiva.


§ 14. Syncope noemt men het uitstoten van een korte klinker tussen medeklinkers in het midden der woorden; b.v.

γίγνομαι (stam γεν) voor γιγενομαι, verg. Lat. gigno, genui.


§ 15. Metathesis noemt men de verplaatsing van een klinker vóór een liquida (λ, μ, ν, ρ) achter de liquida; de klinker wordt daarbij gewoonlijk verlengd.

Verg. θάρσος — καλ-έω — τέμ-νω — θάν-ατος — πορεῖν

met θράσος — κλη-τός — τμῆ-σις — θνη-τός — πέ-πρω-ται.


§ 16. 1. Contractie is de samentrekking van twee klinkers in het midden van een woord tot een lange klank; b.v. und-wv tot uycbv, ::16-oo tot mimi,

qulé-an ’[Of <pz}teZ.

2. ln het algemeen gelden voor de samentrekking de volgende regels:

a) Twee gelijke klinkers trekken samen tot hun lange; echter wordt -oe tot -ot en -oo tot -oo samengetrokken.

Ulf xégaa, azotévyra, 6ovl6co, rrofae, ::16o;,

O11fSt&&t xégdc, no¢Ers, 6o111o3, rrofaz, ar}.o5g.

b) ln een tweeklank gaat een voorafgaande korte klinker op, indien hij gelijk is aan het eerste bestanddeel van de tweeklank.

Ulf luvdcu, Jrméat, oirzléoc, rcldov, rwcégy,

OlltSt8.E1’[ ,uvaZ`, note?. énloi, ::}.o27, away,

c) lndien O-klanken met A- of E-klanken samentreffen, dan heeft de O-klank het overwicht.

Uit zgudoyav, aZ66a, yévaog, 6o23}.oe, 6o11}.6acg

O11tS}[&3.t rzyéyav, aZ6o5, yévovg, 6o152oo, 6ovloZg.

d) lndien A-klanken met E-klanken samentreffen, dan heeft die, welke vooraan staat, het overwicht.

Uit uludsxa, uyobyza, yévsa, léaac, &a¢'6<o, `

» Orltstaat uydra, nyzizs, yéwy, Met, @6oo.

De verschillende gevallen van samentrekking vindt men in de buigingsleer.

3. De door samentrekking cntstane lettergreep heett slechts dan een accent, »

als een der beide samen te trekken klinkers het accent had, en wel

den circumflexus, als de eerste, V

den acutus, als de tweede klinker het accent had.

B.V. Wo1‘dt uiuaa _ —u'[ua en Eu'/.4aov Ezitewv, 4

Vnludwv ulucliv, maaf j6s,6’ao6; ;s°a,Bo5§, `

{ ‘L'Lll,Ld8‘l8 'L“L[Ll-(278, YUGHY ‘L'llLL(1éZCO TL‘LLd“£6o.


§ 17. 1. Elisie is de uitstooting van een korten eindklinker vóór een woord, dat met een klinker begint; haar teeken is de apostrophus (’) b.v. én’ aéup voor éni m’5zq5 — &}.zl’ Eycé voor oiMd éyo5. Dikwijls bij samenstelling: dnéxm uit limi en I

OPM. Nooit worden geélideerd: de klinker o, — lz en o in eenlettergrepige

WOOI`del1§ dB F Van msgf, yéxgt, Van rc', zz en 5'EL.

2. Aangaande het accent is op te merken: 6

a) bij praepcsities en conjuncties, die oxytona zijn, gaat het verloren; b.v.

V .·?n’ §yoi voor Ent Eluof, — oiU.’ éycb voor dlld §cyo3. E

b) bij alle andere oxytcna komt het als acutus_op de vooraigaande letter-

greep; b.v. EZ 6a¢'v° 5'6gaoag, 6sLv6z xai m119sZv o.% xQ7§ —

td dydo’ Ev Voo1‘ rd &yon%¢ Ev — ¢pE,u° éycé voo1‘ qnyyi é`yo3.

c) bij alle barytona blijft het onveranderdz oz¥ze ooi o% Eluoi mzif éilayov.


§ 18. Crasis (vermenging) is de samentrekking van een eind-klinker of 1;

-tweeklank met den aanvangsklinker van het volgende woord; zij wordt aangewezen

door de coronis (’). _

z De klank, die door deze versmelting ontstaat, krijgt een L subscriptum, als

de laatste der te versmelten klanken ¢ was, b.v. éyqiyai uit Eycb o5144:1, maar xéiv

uit xai dv. ‘

2. De crasis komt vooral dikwijls voor bij het lidweord, bij het relativum, bij

xal BU ngd.

Ulf 6 dnwjg, xd: (Ulu, ét §yos, mxi Ev, xai div, ngoélsyov

WO1‘dt ciwjg, zzilla, éyrb, xév, miiv, r¢go5layov. 1

·3. Het accent van het eerste woord gaat in den regel verloren; het accent

van het tweede woord bepaalt het accent van het woord, dat door de crasis ontstaat;

verg. de bovenstaande voorbeelden. ·


§ 19. Het samentreffen van medeklinkers. Niet alle medeklinkers kunnen onveranderd naast elkander blijven staan, maar zij ondergaan talrijke veranderingen volgens vaste regels. Daarbij blijft de tweede meestal onveranderd, terwijl de eerste zich naar den tweeden moet regelen. Dit gebeurt hoofdzakelijk door assimilatie (gelijk maken), dissimilatie (ongelijk maken) en elisie (uitstooting). Zie § 20, 38,

39, 75, 81 en 82.


§ 20. Mutae voor andere klanken. 1. Voor den spiritus asper verandert2

een tenuis in de verwante adspirata:

uit o5x o51o;, &n° o5, civf o5v, Eff en 666;

Ofllstaat o5% o51o;, ziqf o5, <iv5*’ (Ev, 5o2o6o;.

2. Voor een dentalis mag alleen een gelijksoortige gutturalis of

labialis staan; dus zijn alleen deze verbindingen mogelijkz

5 xr, y6,i Zo, I

nr, ,66, gm?.

Uit my—zog, my—1%yva¢, xgvcp-1o;, xgv<p—6¢yv

OHTst3.3.t mxzég, zaxihjvaa, xgwrzég, . xg5,8cs¢y¢¤.

i Vfifg. énzd 1T1et éQ66o_uog SI1 6xmS 1Tlef gydoog.

Uitzond. »De x van de praepositie ix wordt in dit geval niet veranderd;

duS b.v. Exdégw, éxdéw —— éxyfyvoyou, Exxéw, - £x5d,U.w, éxcpégw G. 21.

3. Voor een dentalis wordt ieder andere dentalis az

uit eivvz-1o;, 55-2%;% §rcs¢19—1%yv

Ontstaat, civvazég, 5o1%yv, §na[m%yv.

Uitgezonderd is de verbinding zz (: aa) uit xj enz. I

4. Voor gz wcrdt elke gutturalis yi

Ulf dwax-yos, zagax-,uoQ, nszpvlax-,uou V

_ ontstaat dcwyyég, ragayydg, naepélayluaz. »

5. Voor ,o wordt elke labialis H: A

1 uit xox-lua, ,Bs,81la,6—yaz, yga<p—,ua V

oI1tS’[3.8.’[ Mdy-,ua, §é;?kxg,¢,uaL, ygdluiua.

6. Voor M wordt een dentalis o: .

uit 5vvr-lual, étpavd-luaz, yzsm—:¢19-,uaz j

OI1tSt3.&t Hvvcgual, j 5 Eipavdgzac, azénaequaa.

Somtijds blijft de T—klank voor pe onveranderdz égewég, évzwj, dgmlydg.

7. Met o smelt elke voorafgaande gutturalis samen tot S:

uit <pv2.ax-at, my—mg, zagax-ow

Onlslaat <pz9}.a’§e, rd§lg, mgd’§w.

Uitgezonderd is de x der praepositie 5%; éxangiw. 4

8. Met a smelt elke voorafgaande labialis samen tot tp:

O uit zagn-mg, )6la,6-ow, ysygaqa-oat

Ontstiaat tégtpzg, /?}.d1,uco, yéygazpm. '

9. Voor a verdwiint iedere enkele dentalis spoorloos:

Hit nlm-ow, zilmo-oa, asn?-ow

ontstaat mktow, _ Hlnioa, azsiow.

Over de verbindingen vt, vo, vt? voor a zie § 22, 8. A

1o. Voor L wordt z dikwijls in a veranderd:

ZOO dovyaofa van &6zsvazo;, maar czhia.

W nloéoaog Van ::}.o27wg, maar amino; V6.11 o:-:61o;. .

ysgovaia uit y::govo[a_VOO1` yagovua Vim den st. yagovz. V

léyovoc Ulf Zéyovoc, VOO1° léyovu, Ve1‘g. legLlI1t.

OPM. Over de mutae voor de spirans j verg. § 23, 3 en 4.


§ 21. Over adspiratae. 1. Wanneer twee op elkander volgende lettergrepen

met een adspirata zouden beginnen, dan wordt meestal een van beide in de verwante

tenuis veranderd en wel

de eerste bij de reduplicatie: mqaozwxa — ziomztz § 73, 1;

el'1 in de11 BOI'. pass. V&l] Bow EH Z[197],uLZ §1131%yv, §zé1%yv; ‘

· de tweede in den imper. aor. pass.: ¤zat6.sot%y—u in plaats van mu6soo¢y—¢9t

§ 78, 8. »

In andere gevallenblijven beide adspiratae onveranderd: b.v. in ¢bge9a31%yv,

1yo1%v19¢yv, £t%}.x2%yv, §<p<ivz%yv, na¢pdv1%u, §xa19dg1%yv, x.suu19dg19ae, <pdw9L, e;g1}1%yv el'lZ.` )_

2. Bij verscheiden eenlettergrepige stammen gaat de adspiratie, wanneer ze aan

het einde verdrongen wordt, op de beginletter over. . _

Véfg. rdrpog, zaxég, rgéqvco, rgvqmf, zgfxaq K

met Gdnzw, Ooinwv, 19gé1pw) *3919211o), t9gt§[v.


§ 22. Liquidae en nasales. 1. é als aanvangsletter wordt verdubbeld,

a) waar het augment of de reduplicatie er voor komt;

` b.v. Ebgmzov, Ekggztpa ·— ébgupa, ébgwyae;

b) in composita na een korten klinker;

O b.v. otggcoorog, dzzoggtywg, éwzggtjyvvlue, émggirrzw.

OPM. Voor é als aanvangsletter is altijd een spirans, of F of a, weggevallen;

zoo staat b.v. émdg voor Fgmdg van den st. Fsg, dus dmiggtywg voor het oorspron-

‘ kélijke duo-Fgmog; OVBHCBHS ébgmrov Voo1' £C¤gmzov BHZ. ·

2. Tusschen liquidae en nasales worden hulpmedeklinkers ingelascht, om de

uitspraak te vergemakkelijken; namelijk

tusschen pc en 2. een ,6: yéwélwxa in plaats van be-ykmxa van den st. pim

(naast pol-sw) (verg. humilis met humble);

tusschen a en g een /3: yayjfgég in piaats van yup-gag, st. yay,

_aea>y,a;sgz’a in plaats van a.smy;.4—gia, verg. fjyéga;

(verg. camera met chambre).

tusschen v en g een 6: évégé; in plaats van &v—g6»; (verg. vaarzdrig van vaarz).

OPM. Over de metathesis bij liquidae en nasales verg. § 15.

3. v voor gutturales wordt y, m. :1. w. de dentale nasalis gaat over in

de gutturale:

Llit ev—xa}.éw, aw-yswyg, ovv-xvm;

’ ontstaat Eyxaléw, avyyawjg, céyxvmg.

4. v voor labiales wordt ,u:

uit 51/-nirzzm, év-jgaivw, ovv-qaégw, é5»—1,ui;go;

ontstaat Swzinzw, £_u§a[vw, t avluqaégw, éimpixog. V

5. v voor dentales blijft onveranderdg

b.v. évrsivw, étvéov, avvdéw, G1;V’L97]|LkL.

6. v voor a en voor Iiquidae wordt geassimileerd:

uit 5v-juévw, avv-léyw, ovv-édyrzw

Olltsfaat Eluyévw, avi/Iéyw, t ovéédrnw.

OPM. In plaats van qw wordt -aa gebruikt in het peri. pass. en bij de

subst. verbalia van v-stammen; b.v. van epaivw, st. rpm: néipauaat, 16 zpda/4a; van

Iuiaivwz ro yiaaya.

7. v voor a 'valt uit met vergoeding: o

a) in eenige nominativi:

Llit yslav-9, Ev-; V

ontstaat yélm, ` ef;.

b) in den acc. plur. van vocaaistammenz .

uit xwga-vg, }.oyo·v;, m2}.c—v;, over;

ontstaat xcbgic, ldyovq, milig, o17;.

c) in den 3. persoon plur. der hoofdtijden, waar —vm uit -vu ontstaan is

(§ 2o, Xo):

uit naadwovm, nenaedsvxavm, ozdoavoz

ontstaat JZGLLSEIGOUGL, nenanéséxioz, 6:66Gm.

d) in het fernininum der adiectiva en participia, wier stam eindigt op -w. Uit

vija ontstond eerst -v¤a, daarna viel v nit:

mwija Wefd mivoa, dan mica; Zie § 23, 3. Opm. 2.

OPM. 1.v valt spoorloos weg in de dativi van het meervoud;

ZOO Iuélém, rrozluéaz, Galluoaz

Vim den st. gwlow-, O noalusv-, Gmluov-, _

OPM. 2. De praepositie éy blijft onveranderd voor g, 21, C;

b.V. Evginzw, Evasfw, Evfséyvvye.

De v van miv wordt geassimileerd voor ¤ met volgenden klinkerz aéaawog; gaat

echter verloren voor a met volgenden medeklinker en voor C:

avoxevdfw, avanjveu, ovfvylz. _

8. De klankverbindingen vw, v6, vi? voor a val1en_ uit met ver-

goeding (§ 13):

Llit rn3wr—¢n, an.w6·ow, 6L6ov·r—aL

Olltstaat mim, onsfow, 6:6o17oL.


§ 23. Over de spirantes. 1. De dentale spirans c ondergaat de volgende veranderingen:

a) a aan het begin van een woord véér een klinker gaat over in den

spiritus asper;

vandaar Ebuyac VOOT oLo*myLLL, ébwyxa VOOT asanyua,

V éE9ZOll,L(!L naast Lat. sequor, ébrzw naast Lat. serpo.

b) a tusschen twee klinkers valt dikwijls uit:

vandaar yévga voor yavwa, verg. Lat. genera,

léycc 1111 }.éy.·2aL VOOY lsywaz, VeI`g, 1[19aoaL, ZélvcmL,

léyov Llit léyso VOOT Ltsysao, VeI`g. t[19.9oo, lélvao.

* c) a tusschen twee medeklinkers wordt uitgestcctenz

nit rsragapg-o1%, ‘ysygaap:m9aL, Isls);-o19w, éaza}.-6oaL,

l Olltstaat zsrdgaxtis, yaygdcpwhz, }.elé;g19ru, §amU.29aL.

d) a in het midden van een woord verdwijnt: t

a) na o zcnder vergoedings nit yevsa-aL ontstaat yév.saL.

,6) na liquidae en nasales met vergoedingz

uit iota}.-aa, §qm9ag—oa, .eva‘a—oa, éqvav-ca, ”` ‘

,OHtS}[&&t gazscla, »';Q}7'L9El.Q(I, £'v.sL‘aa, gqnyva.

e) de oudere ga werd in het Attischgg;

Gdgoog, 'IQGQOSFV, pgégcmg, · Xsgadwyoog,

1‘}aggog, 19aggaiv, xéggag, Xaggdwycog.

2. De twee spirantes j en F worden beide dikwijls met de .verwante

klinkers L en v verwisseld en vallen beide tusschen twee klinkers nit. t

Voora1 gaan L en 'UiI'11e}[teI`gI`epeI'1, die het accent niet hebben, voor

klinkers gaarne in de spirantes j en Ft over, welke dan Of met voorafgaande

k,1anken tot nieuwe klankverbindingen vereenigd worden (zie 3-6) Of spoor1oos4

uitvallen (zie 8). t

L Verg. 6oo-; met )6oF—6; bév-is, ,6oF-Z bév-i, en 6o6-v,

vat}-; met wyr-6; Hziv-is, wyr-Z Ue1V—i, BH waz?-v. V

3. j met vcorafgaande gutturalis wordt in het Ionisch aa, in het i

Attisch zz: » t

uit -qav/Tax—jw, A t ragagpjw, tix-jaw,

cntstaat zpvldzzw, · mgdzzw, oénow. U

OPM. 1. Veel minder komt het voor dat een dentalis met j in aa, LL

overgaatz . ·

11i'£ azlar-jw, xogvétjw, ygagwz-ja,

Olitstaat nldnco, awgéaow, xagfsaaa.

OPM. 2. Na v gaat Lj over in Ls: t _ _

Llit navrja, /Ivaisvz-ja, Lixovz-ja, 4

ontstaat {mivaa, }.v1%voa, cfxovcwa},

GU dan mica · }.v1?.sZoa, étxovaa.

4. j gaat met voorafgaande 6 (minder dikwijls met y) over in C:

` 1111 Elmé-ja), 6e5·jOllL(1L, oZ[awy—jw, V

ontstaat élnifw, é'Co[uaL, oiycéfw.

5. j wordt na 2. geassimileerdz L V -

· ui'1 d}.—jo; (2111115), pLa}.—jov, ei}.-jolaaL (salio), .

ontstaat 5eMo;, yd/Mov, éeMo;LaL.

6. j na v en g wordt als klinker véér deze medeklinkers geplaatst:

Lllt ,uaZow—ja, zpav-jw, ;2axotg·ja, ‘uog—§a,

P ontstaat [uélawa, <pcu'vw, ludxcuga, luoiga.

OPM. ln andere gevallen werd j aan de liquida geassimileerdywaarna in de

meeste dialecten vergoeding plaats vond; b.v. I

het OOI`SpI'. V gag-jwv, ¢p19sg—jw, xlw-jw, oEuug—jw,

werd AeOliSCh pgéggwv, <poéggw, xlivvm, oixziggw,

' Attisch xslgwv, <p1?s[gw, xlivw, oixrigw. ·

7. F aan het begin van eenlwoord valt weg: t

verg. ogxog, o3o;, Sbyov, 2 5o-6%;, 5H}-vvyt O

met vicus, vinum, werk, ves-tis, ves-tire.

9. j en F in het midden van een woorcl tusschen twee klinkers

vallen weg: ·

,6o,:6; wordt /3o6;, uit ¢§6éFo; ontstaat ziééog.

I wyrég Wofdt Hom. wyég, att. vscbg,

]sao¢M§Fog wo1‘dt Hom. Baotlijog, Att. ,6’ao¢/léwg,

,6’am/Iijra wordt Hom. ,8(1GLl7Fi(1, Att. ,b’cxm}.éE,

,6aoc}.2§Fsg Wordt Hom, Baaclisg, Att. (Hacelézygj {Baca/Wg,

Bacclirag WOl'dt Hom. §aocl2§a;, Att. jfacnléig,

rr/tséco (tut. rrleé-oo[uac} WOI`dt rr}.éFw, vervolgens mtéco, ‘

Efava (verg. 16 xmma) wordt éjgsnx, vetvolgens éyaa.


§ 24. Medeklinkers op het einde der woorden. Een Grieksch woord kan op geen anderen medeklinker eindigen dan op

v, Q en Q (E, uf); andere medeklinkers, welke op het einde van een woord zouden staan,- vallen weg. Zoo staat:

_ mx? VOOY mué, acfylua VOOI ccoluar.

OPM. De beide partikels éx en o1Zx zijn slechts schijnbare uitzonderingen, daar

deze proclitica (§ 8) zich 2oo nauw bij het volgende woord aansluiten, dat de x als

het ware in het midden van een woord staat; verg. oéxéu, en § 25, 2. 3.


§ 25. Beweeglijke eindmedeklinkers.


1. Een beweeglij ke v, de zeogenaamde v éqaglxvazmév wordt 25

soms gevoegd achter ‘

a) de 3. pers. sing. en plur. op -e(a»] en -m(v): 5mi5ev.e(v),

é°rcc¢£6avoe[v}, mx¢6a15ovo¢[v), <s£cso.>ot(v}, <sz<s6aot[v], aEoi[v}. OOk £ou[v}.

b) déltivi 811 IOCa'[iVi op —oL[v]Z :rz<ioL(v}, °At%§wym(v].l

_ c) eenige woorden met dergelijken uitgang: .sZ3w¤t(v).

Deze v kan.gebruikt worden véér medeklinkers en moet gebruikt

worden véér klinkers en véér een sterkere interpunctie.

2. Een beweeglijke o komt voor bij de woorden oorw zoo en

5% uio: ze veranderen nl. voor klinkers altijd in oozoog en .§§,· b.v.

oouo ygoiqoco, ITl3.21I` oorwg Eygacpov — 5% rm? oiioov, maat §§ oiioov.

3. Een beweeglijke gutturalis komt voor bij cle ontken—

ning oo. ‘ A

Oo wordt nl. voor klinkers met den spir. lenis ooo; ooo oyoooo, oo; oozog,

· voor klinkers met den spir.asper ooxz oo; om/loog, oo; éooroo,

- maar blijft voor alle medeklinkers oo: oo Mooloog, oo goioioog.


OPM. Voor een interpunctie staat οὔ (met eigen accent, § 8, 2, b), ook indien er een klinker op volgt; b.v.

Ἐξικοῦντο γὰρ οὔ´ οὔδ’ ἔβλαστον οὐδέν,

Εἴτε μηνύουσιν εἴτε καὶ οὔ´ ἀμφότερα γὰρ εἰκάζεται.


- o - o -



TWEEDE DEEL: BUIGINGSLEER


l. Declinatie der Substantiva en Adiectiva.


§ 26.

1. Afwijkend van het Latijn heett het Grieks een afzonderlijke vorm voor het tweevoud (= dualis). Daarentegen ontbreekt de ablativus.

2. Voor het geslacht gelden de volgende algemeene regels:

a) mannelijk zijn de namen van mannelijke wezens,alsook die van rivieren, winden en maanden;

b) vrouwelijk zijn de namen van vrouwelijke wezens, alsook die van bomen, landen, eilanden en steden;

c) onzijdig zijn, afwijkend van het Latijn, de meeste verkleinwoorden, ook indien zij mannelijke of vrouwelijke personen aanwijzen; b.v. τὸ παιδίον (het knaapje, het meisje).

3. De dualis heett slechts twee vormen, namelijk één voor nom., acc. en voc. en één voor gen. en dat.

4. De vocativus is in de pluralis altijd, in de singularisdikwijls gelijk aan de nominativus.

5. De neutra hebben in elke numerus slechts één vorm voor nom., acc. en voc.; in het meervoud gaan deze naamvallen altijd op korte -α uit.

6. Het accent blijft bij de verbuiging staan op de lettergreep, die in de nom. sing. het accent heeft, wanneer de algemene accentregels dit toelaten; daarbij gelden -αι en -οι in de nom. en voc. pluralis als kort.

Uitzonderingen § 36, 6 en 7 en § 67, 2.

7. Op eindlettergrepen, die lang zijn en het accent hebben, staat in den gen. en dat. altijd de circumflexus, in den nom., acc. en voc. gewoonlijk de acutus, slechts bij samengetrokken en enkele éénlettergrepige woorden de circumflexus.


§ 27. Het Lidwoord.


1. Het Grieks heett evenals het Nederlands een lidwoord van bepaaldheid: ὁ ἡ τό de de het. Het wordt aldus verbogen:


 sing. N.
G.
D.
A.

τοῦ
τῷ
τόν

τῆς
τῇ
τήν
τό
τοῦ
τῷ
τό          
plur. N.
G.
D.
A.
οἱ
τῶν
τοῖς
τούς       
αἱ
τῶν
ταῖς
τάς         
τά
τῶν
τοῖς
τά


2. ln de dualis heett het lidwoord slechts één vorm voor de drie geslachten en wel in den nom. en acc. τώ, in den gen. en dat. τοῖν.


Eerste Declinatie (declinatie der A—stammen).



I § 28. Zij omvat de woorden, wier stam eindigt op -6?. Deze CLI

gaat in het enkelvoud in bepaalde gevallen in 15 over. Tot deze decli-

natie behooren masculina en feminina.

Verg. de eerste decl. in het Latijn.

§ 29. Feminina op 6, 77 en 61.

I St I oixia- ;gwg6¢- azgazwz- F¢5o§6?- Movaoi-

amine"' I huis. land. . leger. meening. Muze.

ISing. N. V.I oixia 15 %uf>g6¢ 15 argané I 15 66§& 15 Mgiaé I

G. r15g oixiczg xcbgag azgaueig 66;*15; Mo15o15g

D. tj oixiq xcégq I azgcmqi 66555 Mo15og5

A. Thi} oixiav I xcégav I I orgaudv 6655:1} MOQGOCYV

I Plur. N. V. I _ ai oixiaz Zcbgae I azgauai défcu I MO{}IOGl .

G. rcbv oimcT>1»I xwgcbv o1gaucbvI 6o.5cTw I Movcdav

D. mfg oixicxzg _ pgcégcug I orgau<1ZgI 66.*311; Moéaaeg

A. rd; oixiag I ygcbgag I azgauég ééfag I MO?jOG§`

~ - I We- ` - - I ~ I - V

Stammem Maya- OVeI__ I m,u6<— I 19a/Ic1rm- I ysgv11gc<—

I gevecht. I Winning I eer. zee. I brug.

ISing.N.V.I ,ud;g15 I 15 7/59o7 TLILL75 II15odlan& yéqavé;

I G. r15g ,uoi;g15gI vimyg I 'CL/,L7?§ I ?9(1l(i'C"C77§ yecpégag

. D.I 655 ydxgy vixgy u/,155 I 1%/ldzzgy ys<p15gq

II A.I 115v ,ud;g151¤I 1411151} I 'Kl,LL75V Gdlazrézv I yéqovgév

Pluf. N. V.I ai ydggae I vfxal I _u,uaZ 6 1%e/Iarmz yécpvgcu

I G. I 1cTw yapgcbv vexcbv 11,:,1o51} I Galazzév I . yecpvgrbv I

D. wig ,uoi;gcugI vixaeg I upaig I zhldrzaag I yegvégaag

I A.I rd; ,ud;gagI I v£x<1g_\ I uluég Oalérrag I yecpégag

1. Afwisseling van ez en 17 in den singularis.

a) Staat in den nom. a na .2, 1, Q, dan blijft a in alle naam-

vallen van den singularis.

b) Staat in den nom. 15, dan blijft15 in alle naamvallen van

den singularis. I

c) Staat in den nom. a na een anderen medeklinker dan g, dan

verandert a in den gen. en dat. van den singularis in 1;,

behalve wanneer ,61 ontstaan is door samentrekking uit da b.v. 141915vd,

M'l9?]’Vd§, ;4'l97]1/Qi.

2. Quantiteit. De eindlettergreep -66; is altijd lang.

3. Accent. Alle woorden van de A—declinatie zijn in den gen. plur.

perispomena.

i - § 3o. Masculina op o; en ry;. D

____

St ve5wiE<—i azolim- 6mozoz5<- °A1rga¢66<- 3o

ammen jongeling. burger. rechter. Atriede.

Sing. 6 veaviag 6 vwfifuyg 6 6mozom§; 6 °Azg.sZ61yg 3

G. 1o17 veowiov azolizov 6o:oo:o5 ?1rg.<;i6ov

D. 1o3 veaviq :1o/lirgy 6mozorg§ °ArgeZ6gy

A. zov_ vedviav azolizwyv 6¢mxom§v ?1zgeZ61yv

V. 6} veavia rwlirzi CSIMGOTC? °Azgei61y

Pluf N.V. oi. veaviai _7'COlZ'lfCLL 6mozom£ °AzgeZ6ou

G. zcbv veowecDv no/kubv 6¢xozorcZw Z4rgeL6cTw

D. wi; veow£ou; rzoliroug 6mozozoiZ; °AzgeZ6ou;

A. wv); veavia; rco2{m; I 6moeozoe; ¤AIg8ZCsd§

l. De masculina verschillen van de feminina slechts in den nom.

en gen. sing. . I

De alpha van den stam blijft na E, -¢, Q en gaat anders over in ry.

2. De voc. sing. gaat in overeenstemming met den nominativus

ull Op -5: OT -7]: (B veowié, cg °Argei61y.

Echter hebben alle woorden op my; een korte &:

65 ::o12:.%, o5 Z`2zozgu&z5<, ci`} °Ogéoz5<.

3 3. Eenige Dorische en zeer vele niet—Grieksche eigennamen op -6:; gaan in den

gen. sing. nit op -a (Dorische genetivus):

v @o¢,6[6E, Eégcém, — Z4/Sgoxdlmi, °Og6v·vE.

4. De dualis der feminina en masculina gaat in den nom., acc.

en voc. uit op o, in den gen. en dat. op -ow; ub Oixia, mn oixiaw --

ub veavid, 1oZv veaviaav. 6

. ‘ T weede Declinatie.

(Declinatie der O-stammen.)

§ 31. Zij omvat de woorden, wier stam eindigt op -o, benevens 31

eenige op -o). Tot deze declinatie behooren masculina en neutra en

ebovendien een klein aantal feminina.

Verg. de 2. decl. in het Latijn.

A 1o;/o- 61711o- 61/19oo111o- 66o- 61ooo- 7

1 Stammem 7woord,rede. volk. mensch. weg. geschenk.

Sing. N. 6 16;/o; 661711o; 6617/Q9QCl).7'CO§ 17 666; 16 615oo1/

G. 1o15 16;/o11 61711o11 (17/'t9Q(.6.7ZO’U 117; 66o15 1o17 6o1oo11

D. IQ?) 16;/o1 61711oo &’V7.9QCl33'CQ) Ig 66o5 If;) 666QQO 5

A. 161/ 16;/o1/ 61711o1/ CY')/?9‘QCUJ'COV 1171/ 6661/ 16 615oo1/

V. o5 16;/8 61711o 611/19o1o11o 15 666 o5 615oo1/

Plur.N.V. o1 16;/o1 677*11o1 &V’l9QCO.7ZOl o1 66o1 16 5o5Qd

G. T(I)'V 116;/o11/ 61711o11/ 61/19oo1:11o1/ IC1)’V 66151/ 1o51/ 6o1oo11/

D, 1o1; 16;/o1; 61711o1; 61/19oo1:1o1; ICLZQ 66o1; 1o1; 6o1oo1;

A. 'COQDQ 16;/o11; 61711o11; 611/19oo111o11; 161; 66o11; 161 615oo_ ~

2. De dualis gaat in dean nom., acc. en voc. op -o1, in den gen.

C11 dat. Op -o11/ uifi 161 16;/1o, 1o11/ 16;/o11/ — 161 6o1o1o, 1o11/ 6o1oo11/.

, 3. Feminina zijn volgens § 26, 2. b, o. a.

17 7ZO.Q'l9’6‘VO§ 11111oo11, 17 ’V77CFO§ eiland, 17 A177UIK'ZO§ Egypte,

17 6111161o; wijnstok, 17 4117}.o; DOZos, 77·K6QLV’o9'O§ Co7‘?;’/L1h8,

17 777l’8LQO§ 'UCI.s161d17’Ld, 17 711161oo; Epirus, 17 II/:1o1:151/1/17oo; Polopo1111os11s.

§ 32. Adiectiva der eerste en tweede declinatie. , A

32 l. Het vrouwelijk heeft in het enkelvoud 11- na 6, 1, o, anders

_ -17; b.v. _ o

1/6o;, 1/6o, 1/6o1/ 111o111o, o111o;, (791117, 1,o11o1/ 11of;

(91%dLO§,`, 6111o1o, 61%OtLO'V 7”6Ch1?J11L17"d1g, 111911/o;, 111911/17, 111911/o1/ s188718771, °

.11o1o111o;, 11o1oo1o, 7'EG'L'QQT)OV UdC18?"11]·1e, 611;/o;, 611;/1;, 611;/o1/ 1oo1111o, 7

o1o;1o6;, o1o;go6, o1o;go61/ §Chd7”k181’1].k, &Q/G7.9(1§, 6;/o1917, 6;/o1961/ ooo11.

Stammen 6;/6119o- 61;/619o1- 61;/619o- 6111o1o- 61%(ZLZ(- 6111o1o- 7

° goed. · rechtvaardtg. l

Sing. ‘ N. 61;/o196; 6;/o1917 6;/o1961/ 61%(1LO§ 6111o1o 6111o1o1/

G. (i}7(1't9Oi7 6;/o1917; 6;/o19o17 6111o1o11 61%G1(1§ 6111o1o11

D. 6;/o19o5 6;/o19§ 61;/o19o5 6111o1oo 6111o1o1 6111o1o1 I

A. 61;/o1961/ 6;/o19171/ 6;/o1961/ 6111o1o1/ 6111o1o1/ 6111o1o1/

V. 6;/o196 6;/o1917 61;/o1961/ 6111o16 6L%G1(1 6111o1o1/

Plur N.V. 61;/o19o1 (1}/GOCl1 61;/o1961 61%(1LOL 6111o1o1 6111o1o

G. (?l}}(1?96!V)’l/ 61;/o19151/ (ij/CLGCTYV (SLMGIZCOV (9l%CL1U)V 6L%(11CL)V ~

D. 6;/o19o1; 6;/o19o1; 6;/o19o1; 6l%(11OL§ (9L%G1Ul§ 6L%(Z1OL§ I

A. 61;/o19o11; 6;/o19o1; 6;/o196 6lMG1o’U§ 6L%G1(1§ 6111o1o 1

2. Alle adiectiva (ook de participia) hebben, evenals het lidwoord,

in den dualis slechts één vorm voor de drie geslachten:

N. CH A. &yozoo3, G. CH D. dy/on9·oZ1/.

3. Bijna alle samengestelde en ook eenige niet-samengestelde

adiectiva op -o; zijn van twee uitgangen; b.v.:

@@6ooo;, -ov uizfheemsch, ngoiog, -ov zachzf, mm, _

fj/uegog, -o1/ iowa, oi/5’ozzo;, -o1/ o%Zoegunk6Z@jk,

Zovggog, -o1/ vusfig, 51/ziluog, -o1/ geéerd, '-

qagowiuog, -o1/ versizmdig, azozgoivoluog, -o1/ in Shcvgjd mei do wei.

Let op §v—owzio;, -o, -o1/ tegemgesteld, vijemdig.

4. Andere adiectiva zijn soms van twee, soms van drie _

uitgangen: _

‘ Bé,6ouo;, 2 en 3 vast, xgijoeyog, 2 en bruikbacw, meitig,

- é’g¢y,uo;, 2 en 3 eenzcmm, o3goé/lz,uo;, 2 en 3 voordeclig, meizfég;

ook samengestelde b.v. &v—oi§ro; onwaardig, ¢iv—oz{uo; onsclzuldig.

5. In den nom. en gen. plur. richt zich het accent van het vrouwelijk

der adiectiva en participia barytona op -o;, -vy (-a), -ov naar dat van het

mannelijk; b.v.

Bixazog, 11om. plul`. dixazoc, geI1. phil`. émaiwv,

dmaia, r1om. pluf. dixauu, geX1. plul'. dexafcov

~ (in strijd met § 26, 6: niet dmaieu, en niet émardw). ‘ .

§ 33. Contracta der tweede declinatie.

` ‘ 33

l St woo- : vov- oozeo- = oorov- evvoo- = evvov-

j ammem verstand. been. welgezind. j

———-—--;— j

Sing. N. 6 vdo; 1/o*5; 16 éazéov 6o1o51/ aiia/ov; eiivovv

G. voov WOT; éazéov GGIOG 8171/Ov I

j ‘ vocp 'I/C?) éozéqa 6o1qY) e 8131/Q)

A. 1/6o1/ 1/o151/ dozéov 661o151/ 8131/OUV 8'i5'VO’UV

I

F -

PILII'. N. OZ 1/doe ~ , 1/OZ rd éazéa GOIG 8’lj‘VOl £'l¥VOCl

j vécov 1/o3'V éozéwv 6G‘6(T)1/ E;51/wv

l D. vom; 1/oZg 6m:éo»; 6owZg GTGVOLQ

{ 1/6o1/; 1/o1;; 6o1:éa 6o66 8'U’VO’U§ s171/oa

· l. -oo en -oo worden tot -oo, -oo wordt tot -o: samengetrokken;

in lange klinkers en tweeklanken gaat o en o op. j

2. De niet-samengestelde zijn in alle naamvallen perispomena; de samengestelde

behouden het accent gteeds opde lettergreep, die in den nom. sing. het accent heeft:

Exnloe, nsginlwv, s51/or (QCCEXIU), s51/cov, s171/ons, £51’OU§.i

_ ‘ 3. 6o16 is een uitzond. op § 16,. 2. d.

§ 34. Adiectiva contracta der eerste en tweede. declinatie.

34 1. De adiectiva op -.·;o;, die een stof of kleur aanwijzen, trekken

sameni '

tO’[ -o5;, -<Y, -o171} na Q,

tot 4o5;, #7, -o5v na andere medeklinkers.

2. Geheel als Zgvamig goLLLZeLL worden verbogen de adiectiva op

-mlo17;, —7tl77, -:1/lo27v = -2JozLOZig, hoewel `Zij Same11getYokken zijn uit -Jz}loo;.

3. Accent: alle naamvallen zijn perispomena.

|";°—3—— ____i_._, _.,.. . ,1-;;..- _`~ ·

égyégso; étgyzigéa cigyvjgeov Xgréoao; xgvoéa gggéosov

, zilveren. gouden.

..—.............-.. .+_..—_;; l

l

Si1‘lg.N. égyvgoi; &gyvg& cigyvgoziv gggvooig Zoom? pggvomiv l’

G. &gyvgo27 cigyvgéig ézgyvgo/D gggvooi Xgvoig xgvooéi

D- éowwb éorved <iQw@¤§ XQUOQB xe»~v¤H ZQUOQB l

A. égyvgoeiv &gyé1g&v cigyvgozb jggvoofw Zgvoiv gggvoovjv '

Plu1‘.N. ézgyvgoi égyvgai <igyvg& yggvooi xgvoai gggvod l

[I G. cigyvgcijv rigyvgcfw dgyvgchr ggvocbv yggvocbv Zgvocbv l

l D. cigyvgoig égyvgai; dgyvgoig xgvooig xgvoai; xgvooig `

1 A. rigyvgoig 6zgyvg&; &gyvg& %gvoo17; xgvodg xgvo&

Yi)PM. Over (le woorden, samengesteld met ami; ennnloos vaart, z. §§3.

§ 35. Attische tweede declinatie.

35 Stammen van substantiva en adiectiva op Lo, `

“Y_M— _—**”*mYi”*_—“l

Stammen L 7/Sw- Mw?

I ‘ tempel. genadig. l

. I

{ Sing. N. V. 6 verb; Elem; Zlecov

G. vr;o3 Haw

D. veqé iieqo ,—

A vao5v Btacov Btswv l

Pluf. N. V. veqé i%8QO i'/lea

l G. vecév Zlecov

D, warp; Haq);

l A. vso3; Haw; 4i’}.ga

` 1. De w blijft in alle naamvallen en neemt de uitgangen V

zooveel mogelijk in zich op; L wordt altijd L subsriptum.

2. Op soortgelijke wijze wordt L6 5m; dLzgeL»LwLLZ verbogen, namelijk: »

L? Ewg, é’w, Ego, Em (zonder —v). ‘

3. Het accent van den nom. sing. blijft in alle naamvallen onveranderd; voor

het accent der barytona geldt w alskort, vandaar_MevéZsw;, éwnlgeég Z>2()“TL‘V, ihcp dow.

_R i 3 DERDE DECLINATIE. " 21

. . F I Derde Declinatie. .

·ste en tweede declmatie.

of oi kleur aanwijzen, trekken (Declinatie der consonantstammen.)

g ¤ — § 36. Voorafgaande opmerkingen. -

inkers.

. . ` ' ` 36

den Vermgen de adlectwa Op l. De deide kdechgatie cmvat alle stammen op medekhnkers, op

samengetmkken zijn nit 4o1oo;. -. ·¢» ·UVe¤ tgt/8; 3114 ed¤,l ?YlsVfIgSt·t3efllge cp -w en -o.

, er. e .en . ec.1n1e ann.

spomena. g

2. Voor de gewone naamvals-uitgangen zie het woord éi2t;, § 37.

' wl/`OEOQ %@U°`/G AQUGEOV I t N.B. De uitgangen -o en -o;, -i en -m zijn kort.

gouden. ~t . .

._#l._—..-..»j—jI I V · Daar niet alle. medeklinkers naast elkander kunnen staan en op

V xewvic xevmi xevww het einde der woorden van de medeklinkeis slechts v,

%@”°""{" XQUWZ; XQUGZU o en er (§ 24) voorkomen, zijn veelal in den nominativus sing. en

XQWQJ. ww? XQWQJ. II I ‘ in den dativus plur. voor de uitgangen -; en -m(v), en aan het

v %gvoom» Zgvmyv Xgvaovv ii _ _ _

_ - -_ ..-;l einde der woorden bepaalde veranderingen nood1g.

I I t

%e’°’“‘{" %@"°‘i‘ %e""’°f 3. De nom. Sing. der masc. en tem. wordt gevormd;

' %@°IOO{V i@°i;;)Z°;_ Icggggdzg ll ` bf sigmatisch met -;

T ZQI OO'? Q ’ I . . . . .

%Q’Uo'()’[jé` %Q7;(j(]g %Qq;g§ Of aslgmatlsch met VeI`IeI'1gll’1g I

‘ De neutra zijn in den nom., acc. en voc. sing. gelijk aan den

it VO"; en MO"; mam Z' 3 33 j . stam, behalve wanneer dit in strijd zou zijn met § 24.

cle declinatie. 4. ln den acc. sing. en plur. der masc. en tem. zijn de uitgangen

wa Op CO gewocnlijk bij consonantstammen -o en -o;,

_ bij vocaalstammen -v en -o);.

IAECUT De stammen op -; en -e, en stammen van adiectiva op -o zijn in den acc.

genadig. plur. gelijk aan den nom.: of en wi); eziysveiq, ai en ze).; n6lgi;, of en mz); ijési;.

T""‘”_”`°`; o2 . .

I mw; i9t.en>¢» ‘ 5. Als vocat. sing. der masc. en fem. dient

228oo Ol de HOmiHa’[iVuS: o5 2zoLlm§v, cf} DAQGUJ, o5 @62o5 —

7 LIE? 7 e j Oi de zuivere stam, in zoover dat niet strijdt tegen den

L L ww L ww I 1‘egeI Van § 24: o5 @@1oo, o3 ami (st. amid-}, o5 yégov (St. yegwz-].

I _ *j_ · · .

iylggp Exim I 6. Accentrcgel: De éénlettergrepige weorden hebben in den gen. en

Z9Iecov I I dat. van alle numeri het accent op den uitgang: ’

msg); I I Urygdg, "L9’}’]Q[ —— i?iz;go5v, 1%ygot’(v).

I Maw; . Liga 7. Atwijkend van dezen regel hebben het accent op den stam:

·—“1 T;i _ I a) in alle naamvallen de participia: 5i»zo;, dam, iiévzwv, i%iai(v).

allen en neemt de ultgamgen I b) in den gen. en dat. plur. het woord xd; (omms),

L SLlbSI`lpJ[LllH. · _ dus mwzdq, rmwzf maaf mivzcov, m'io¢{v) (Zie §.4l, 3);

ni; dngemad verbogen, namelijk: o C) i¤ d<·>¤ gw- pim- de W<><>rd<>¤

Zcmder V) ‘ 6 nai; rzaiddg kmmp 1o o5; (bmi; oo7*

U I dus yzaidéq, Hatch', muo[('v), mZ13.I‘ rcaidwv.

in alle naamvallen O11Vel'21Hdefd§ VOOT I (,3:6;, (Lz!. en d;oZ(v), maar Ci3Z(A)”V. I

aat Mevélswg, 5'xn/Ieo5; écuv, Flsqb aiaw. KAEGI Gl/iekschg Gramm 7B dmk 3

` I I ..3. K

` I . I .i' __ -... . I

.’ :I/ A *

I § 37. Stammen op -xl en -Q.

37 —#1—‘*_*; ‘“_*’”L°‘;`_‘_——·___"

6:/I-, Sal 191yg- xgrimyg- I61ymg-

II Stammem I zout. I I dier. I mengvat. redenaar.

I Sing. I N. _ 6 1%-; I 6 1% 6xgom§g 6 éjrwg I

G. 6/I-69* ’l977Q—6§.` Mgazig-o; §1§zog-o;

D, 61-Z I 1%yg—£ %QG'E7§Q—L Qéwg-L

A. 6i/I-11 T9`7?Q—d %Q(1”E75Q—Cl 61§rog-11

I V- _ é17w@

Plut. N. V. 6}.-8; 191%-eg xgazig-eg éojwg-eg I

_ G. 6/I-(bv i9’}7Q—C?)’V xgom§g—wv émég-wv

I D. 6nZ-oi(v} Ong-oZ(v} %gom§g—oL(v) Qétpg-oL(v} I

I A. 1%/I-ag 191%)-ag xgazig-ag @1Img-ag I

De d1glis gaat in de derde declinatie in den nom., acc. enI voc.

op -6, in den gen. en dal. Op -ow ull: ub 1977QE, mia! 191ygoZv —— ub

éémge, wiv émégow. I

§ 38. Stammen op gutturales (-M, -y, -;;) en labiales (-yl, -5, -1p).

38 _ t*··· é_

QUICK- o15;/- yiiaz-

I Stammem I wachter. I geit. I gier.

————————~—;— ——~—— I I

I Sing. N. V. 6 (p15/loaf ai? 6 y1f1Iu I

G, qo15}.ax-o; aiy-6; ylzin-6g I

D, (p15/lem-e ozZy-[ ylwizz-Z

A, (p15/lax—¢1 Cl?}/—(1 yin-a I

I Plur. N. V. <p15/lax-eg only-6; yin-8; I I

I G. 9o11/ldx—wv diy-(bv ylvrc-o3v II

D. I 1p1}/la§1.[v] c¢Z§i(vj yv1Iui[v} I

A. <p15/lax-ag ally-ag vin-ag I

Met G snielten alle gutturales samen tot 5, alle Ilablies tot 1p,-

St. qvvlax-, N. S. gm?/laé, verg. de Lat. st. due-, N. S. dum;

st. ’AIgaI8-, D. Pl. ’L¢1ga1pl(h»), verg. Lat. scripsé, van scribo. ··

‘ § 39. Stammen op dentales (-z, -6, -1}).

39 · _....;-..__-. ....__ .. ’_—‘—— --. — ·

Q/U/.LV77I— élnié- owIu&z- ‘

I Stammem Ilichtgewapende.I hoop. I lichaam. I

I Sing N. V. 6 y11Iuv1§; I 5/luis 16 oo3Iua I

_ G. y11Iuv1§z—og 5/IazF6—og _ oo3Iuo?z-og

D. y11Im»1§r-1 5/lyzf6-4 oc6Iuo?1-1

A. yv1w17z-11 5/lrcf6-a oeZ>Iua

Plur. N. V. yvIuv1§r-eg §lrcf6-eg I oc6Iu6gz—<1 I

I G, yvIuw§1:—c1w 5/Iyzfé-wv ocoIu&z—ow I

D. y11Iuv1§—o1(a{) 5/lrcf—o1[v] oe6Iu&-ol(v}

A. y1IIuv1§r-ag 5/lyzfé-ag I oo3Iu&z-o:

1. Voor g valt elke enkele dentalis spoor1oos weg:

§O"l97)§, eo191)o1(11) VOOI‘ §o1?1y[1];, 5o19·1)[1]o1[1»]; VeI'g.’ Lat. CZGS, CZOZZS.

Aan het einde van een woord moet de dentalis wegvallen: G(I3,LL(1

(voor 1:1o1161).

2. De barytonaj op -1; en -1;, wier stam op een dentalis uit-

gaat, vormen _den acc. sing. (zooals de stammen op -1 en -o, § 46 en

47) op -111 en -111. I —

, B.V. 1) %(;(LQl§ bevclllighéid, %O`?Q2I'[O§,, ZC\éQ`['L'L, x6g1v

1) @1; iwisf, 51116o;, 6,Qi/él, é'g1v

lT1&&1' 1) 51:1F; }1oop, e}111F6o;, 5/T21F61, 5l11f6 o1.

· 3. Een onregelmatigen nominativus, maar overigens regelmatige

iverbuiging hebben: _

I . 6 .7'CO7j§, .7ZO(s(§§ 12oo1, pes, 16 y6vv, y6v61o; Zmie,

16 o1);, CZ)'E6§ oo1* (36, 7. c.), 16 66gv, (s6QC"e'CO§ S]9867”,

16 oo15;, (pC!)‘C6e (slechts sing.) Zéchzf, 16 1766OQ, ’5(s6/(TO; 1o111o11.

4. Er zijn eenige weinige stammen op -111, b.v.

. 1) 11155, 11111116; 7’L6k]’bt, VUMIZ enz., 1o1Z; vv§1[v}. ·

5. De adiectiva zijn deels van twee uitgzmgen, zooals:

6i%o1,g1;, -1 o1161111*1g6111111111 (G. 6;g6g11o;, D. 6%6g111, A. 6;go1g1v, -1);

deels van één uitgang, zooals:

21év1y;, —1]'CO§ G1'111; epvydg, -66o; ’U8·}"b6l7’l7’L87Z,

6. Ook de participia op -o5;, -61o; zijn 1-stammen (§ 77).

` § 4o. Stammen op -11. -

IIStammeH. °gl1l1)1»- 11o1,11ev- 6(IL//LO’V— @661,11o11- 4o

_ nek. herder. daemon. M.F. gelukkig. Ntr.|

Sing. N 6°EM1)v 671o1,111)11 66(I6,LkO'V .·21}6o1Z,11cov 8?g(5GL,lLOV

G. °EU1)v-o; 21o1,11611-o; 6o11,11o11-o; 866o111o1o;

D. °F/U11)1»-1 21o1,11611-1 6o11,11o11-1 a66o11,11ov1

A. cEM1)v-o1 7ZOL,l1,6V-(1 6o11,11o11-o1 8’l56(1[,LLO”VG (s*66o11,11ov

I V. °EU11)v .7'COL,l,L7)V 6o17,11o11 @6661,11o11 8'lg(sC¢L,lLOV

PIuI‘.N.V_ °EM1y1¤-1;; 21o1,11611-e; 6aZ,11ov-8; 8'lj6(l[,LLOV8§ e66ai,11ovo1

G. °EM1)1»-wv 11o1,11év-wv 6o11,11611-ow s1}6o11,1161»cov

1 I D. °)EM1)-o1o1} :1o1,116-o1(1¤) 6oti,l,l,O-OL(’V) e1:}6o1Z,11oo1[v] A]

I A CE`},/)’}]’V—G§ 7ZOL,LL6'V-(1§ 6o11,11o11-o1; 8’l3(sGlf,LLOV(1§ 82:}6Gi,LLO'I/(Z I

1. Voor o valt in den dat. plur. v spoorloos uit; noLoéo¢,»

6ozZ,uoo¢, Iuélozoz.

2. De nom. wordt meestal asigmatisch gevormd, maar ook:

6 6e/lqafg, 6e/lgvivog cZOZf@°%, Zaftalufg, Zoe/lozluivog.

3. Zie over adiectiva § 52. 3. l

Het accent der adiectiva staat zoover mogelijk naar voren. 4

4. De compairativi op -iow, -2ov hebben naast de vormen op -io¢»o

en -5o1/.9;, io¢»o; kortere vormen op -ioo en -iov; (§ 57 en 58).

ll Stam xomiov- SZeo}2?fe2‘.

) Nl. F. Ntr. Plurl N xaxfoveg xocxfovoz 1

Sing. N. xomfcov mixiov ` ' xaxfov; xaxfco {

G. xaxfovog _ G. xozxiévwv

D. xocxfow D, xomfooe[v] l

l A. §”“”i°’°‘ oooooo A. 3·"“”i°”“g ”°””i°”“

xamw xamov; xamw

OPM. Deze kortere vormen komen natuurlijl; ook voor van comparativi als

Odzmw, ysiécov enz. _

§ 41. Stammen op -w.

41 Stammen Dyeyavr-D 66o1/1- yegovrj

I ’ reus. tand. grijsaard. i

Sing. N. 6 yiyoeg 6 66o15; 6 yégcov .

G. yiyowz-o; 666vr-o; yégovvog

D. yiyowr-L 666vz-p yégovz-L

A. . yiyowz-oz 666vz-oz yégovz-on

V. iyégov .

` Plut. N.V. yZyowz—e; 666vz-eg 3 yégovz-.2;

_ G. yzydvncov 666vr-wv yegévr-wv

D. yiyéc-o¢(v} ' 66o5-oL(vj yégov-o¢[v} I

ll A. yiyavr-ag 666vz-oe; yégovz-oz; l

1. Voor o valt vv met vergoeding (§ 13) weg, zoowel

in den sigmat. nom.: yiya; voor y¢y&[vz];, 66o6; voor 66o[vz];,

als in de11 dat. plur.: yiy5<oz(v} Voor yLyo?[vz]oe(v}, yégovozhij Voor yego[vr]oL(v].

In den nominativus, die zonder ; gevormd wordt, heeft verlenging

plaatst yégwv, St. yegovr-.

2. Alle substantiva met een stam op -vz zijn masculina.

3. Paradigmata der adicctiva en participia.

I§’(21mi__ éxovz- lv1%vr- _ I

I men. onwillig. I losgemaakt.

IS.N.V. éixcov éixovocz Emov 1oo.%; lvwlsiaa 1*ooév

I G. éixovz-o; dxofémyg éixovz-o; 121oévr-o; lm9s£o1yg Zvviévr-o;

D. éixow-L eixoziagy éixovz-z /Ivv9évz-L lvwlsiagy lm%vz-L

I A. éiawvz-cx éixovccw éxov }w19év1-cx lm?eZoow }.vo"év

I P.N.V. éixovr-sg éixovacu éixovna /Im%a»z-sg /lv49.sZoou lm%vz-cx

G. cixéw-wv &xovoo5v dxévz-wv lm%vz-wv lvz%¢ocYwD /Im%vr4wv

D. 6ixov—oL(v) éxoécazg éixov-oL(v) /Tm9·eZ-cu(v) lvoeiooug lm9*eZ-oe(v)

A. éixovr-ag dxozicmg éixovz-a lvoévz—ag Zvwisiaexg /lm9évr-a I

EEUU I naw- gehéel. I

S.N.V. :16; az&oaI adv P.N.V. mivz-eg rcéocu mivz-(1

G. 1wwz·6g mimyg nav:-6; G. mivnwv xaarfw mivr-wv

D. rwwi—i micrgy mxvz-Z D. yzé-oz(v) miacug mi—oe(v)

I A. ndw-a azéacw néiv A. mivr-ag mica; yzdvz—a

D, 4. De adiectiva, wier stam op —svz uitgaat, zooals xagmc, bemllig, hebben

enkele vormcn van een stam op ·ez, n.l.

I den dat. plur. masc. cn ncutr.: xagiecnfvj uit ;;agw[z]m,

BH het gehee]e femiHiHum: xagiwoa, uit jaguar-ja.

§ 42. Liquida-stammcn met syncopc.

W vzazag- wyzeg- Ovyarzzg- y<1ozeg— évsg- I 42

ITle1'l. vadcr. lT1oedeI'. dOChtel'. maag. ITIHH. I

Sing.N. 6yzom§g ¢§,m§my_g 1§@9vy<iz¢yg ¢§ yaamjg · 6 éwjg I

G. mxzgég ' lmyzgég Ovyargég F yaazgég évégég

· D. amrgi Iuvyzgi Ovyargi yaozgi évégi I

A. mxzéga lmyzéga Ovyczzéga yaazéga éivéga

I. V. mizeg Iuirsg e%yazg I

Pl.N.V. Jzarégsg [myzégsg Gvyazégsg yaozégsg éfvégsg U

G. mxrégwv myrégwv - 19vya1égwv yamrégwv 6w5gcTw I

D. rzc¢zg&oz(v) ,myzg&oe(v) ¤9vyazg&m(v) yaozg&o¢(v) &v6géoz(v)I

I A. vzmrégozg lmyzégag ’z?vyozrégag yaazégag Eivégag

,¢__ -?.I

1. Harhg, Imjmyg, Ovyémyg eI'l yaamjg s’[oo’[en de 6 uit in der1 gén.

en dat. sing. en in den dat. plur., die op -zg&m(v) uitgaat.

2. °Aw§g syncopecrt de 8 overal; bovcndien wordt tusschen v cn

g een 6 ingeschoyen.

§ 43. Stammen op -; of elideerende stammen.

43 De kenletter van den stam (-g) blijft slechts, als zij

aan het einde staat; e _

tusschen klinkers wordt zij uitgestooten (geélideerd),

en ode klinkers ·worden altijd samengetrokken.

~ § 44. Substantiva. A l

44 1. Nel1tI'E1 -O§, stam -O§- CH -8o-; b.V. Tdyévog gen?/LS.

ll Stammen yevog- en yevw- geslacht. 6go;— en égw- berg.

tl N. to yévog td yévsa yéwy zo 5gog rd 6gty ' `

` G. yévsog yévovg yevéwv yevdw Efgovg 6gdw [

D. yévat yévet yéveodv) 5get 6geot(v)

Y A. yévog yévscz ayéwy 6goc 6gty ‘ i

yeve[o]-o; [gene?-is] WOI'df yévovg 6112., yéveoc staat \{OOl' yéveo-oe.

In den gen. plur. komen ook niet-samengetrokken vormen voor: 6géwv, mgééwv. ·

2. Neutra op -6:;, stam -6;, in Attisch proza vooral twee: 4

Zo xgéag vZeeSCh, xgécog, xgéoz, plur. xgézi; xgedw, xgé¢?o¢(v),

to y1§gag°ouderdom, yvjgcog, Moot.

OPM. 16 xégag hoorn, vleugel van een leger G. xégérog QUZ.; bOVe¤die11 G.

xégcog. I

3. °H o56o5; sc/woom, schamnfe, stam aiéoo-, wordt verbogen:

h ozZ6c6g, o56o27;, ai6o@ o566) (ontstaan uit oze6o[o]og eI1Z.).

§ 45. Adiectiva —— Eigennamen.

45 S e1°}w;veo— .

tam- Gdeugeborcn) Aeoyeveo- Hegzxleeo- ,

men. Sing. PIM. Dnogenes. Pencles. II

N. aéyewjg eéyevég eéyeveig eéyevij 6 Atoyéwyg 6 Hegexlig

G. eéyevoig eéyavcbv Aeoyévovg Hegexléovg

` D. eéyevei av}yz·;véo¢(v) ` Aeoyévet Hegtxlei

A. eéyavi aéyevég eiiysveig eéyewj ` Aeoyéwy Hegcxléé '

I VV. eéyevég _ eéyevég eéyeveig eéyevi Atéyeveg ]]eg£x/tézg I

` l. Adiectiva met een klinker voor —eo trekken -éa gewoonlijk

samen tot -6 in plaats van tot -o7,· b.v. van évoeég behoeftég évéeé, van

@6%/t¢§g bemefmd eéxlect, van 6ym§g gezwed éyed.

2. De barytona trekken het accent zoo ver mogelijk naar voren:

s17¢y19a;,°ozswy2%·g, agragxeg -— ovv1§19mv, zcov zgzégwv.

I T OPM. Een uitzcndering hierap maakt het neutrum der adiectiva op -o56a;

en -aga;.· eacbae; welvriekand, naaags; tat da vaeten reikend, _

3. De eigennamen ap 47;, gen. -o1;;, varmen den acc. sing. zoowel regel-

matig op -a, als ook ap -av (valgens de eerste declinatie);

b.V. Atayéva en Atayévav; Aaluaaaéva {BU Aaluaaaévav. _

4. De eigennamen ap mia; (van za mléa; mem, stain Mew-)

trekken in glen dat. sing. tweemaal samen, in de andere naamvallen

éénmaal:. _

(-an/téa;] Uegexlag, (-xléaa] Hsgzxléa,

(-xléeagj [kgm/léavg, [—x/tee;} Hegiwlezg.

[-Mléai ’{O’[_ x/tas;] Hagexkf. T

§ 46. Stammen op -t. 4

Siam- azazm- en azo?a.s— aZa1?am— CH aiaaaae- 46

~ men. apstand. waarneming.

-—~—-.—»—-·——»——T

N. awtm-; ai azdaee; a aiaaam-; ai aiaaaaeeg

G. awtaa-ea; awiaa-aw aiaaaas-ca; aiaaaaa-aw

I D. auiaae azaiaa-m{v} aiaaaaee aiaaaas;-az(v) I

A. anim-v awiaee; aiaalaat-v aiaaaaarg

T V. anim awiau; aZa1‘}am aiaaaaszg TT

De waarden op -4;, nsw; zijn voor het meerendeel vrauwelijke

namina. actianis op -m;, zaaals b.v. ia Mm; bevwavlirzg, a azgaétg daad.

Er wardt alleen tat —a samengetrakkenz amiga en amiga;. .

De uitgangen -w; en -aw warden voor het accent als kart beschouwd.

T OPM. De (zelden) vaarkamende varmen van den dualis zijn {ndlge) must,

no/léow.

6 Evéwaae; Syennesis wardt aldus verbogenz Zmmémag, Evéwgm,

Zvévveaw. _

§ 47. Stammen op -v. v _

_- av- °EgZvv- aav- aaerac- aav- 47

T Stammen‘T zwijn. T wraakgadin. aaa-T aangenaam. aaa-

T Sing. N. 6 ai; a °Egwa-; aaa-; aaaia aaa}

· G. aa-6; °Egwra-o; aaé-o; aaaiag aaé-o;

T D. aa-i °Egwa-L aaai aasiac aaai

A. av?-v °Egwa-v aaa-v aaaiaw aaa

Plur. N. aa-.2; ’EQLVQ§—£§ aaai; ’l§(s8Zdl,' aaé-at

G. aa-dw g °Egwa-wv aaé-wv aaeubv aaé-wv

D. a·U—aZ[v} °Egwa—m(v] aaé-m[v} aaeiaz; aaé-m(v]

T A. aa-; °Egw"U-; aaai; aasiag aaa-a

1. Bij de substantiva op -o; blijit de kenletter van den stam (-o}

overal behouden (verg. 2); de acc. plur. gaat uit op -23; (vioor -2111;).

2.1o 6o117 stud wordt verbogen (verg. de 1-stammen) op de

volgendie wijze:

16 (YOTU, éiOI8CO§, GYGIEL, &OTU.

3. De adiectiva hebben in het masc. en neutr. twee stammen,

namelijk 16617- in den nom. acc. en voc. sing., in alle andere naamvallen

166.o- (voor 166;--).

§ 48. Stammen op tweeklanken.

48 7%* Stammen EGOLZEU1 en §GO'll77F· koning.

I Sing. N. 6 ,Boc<mie25—; Plur. N. oi Bean/T16; l

G. O ,6o1o1}.é-o6; G. )6r1o11ié-wv t

I D. ,621o22.% D. ,6’<1oele27—o1(5»] 1

A. /3oo116-62 A. ,6’o1o1}té-6;

6 V. EGGIZEY7 V. §GOl6.76§ tl

l. Alle woorden op ··g9’l5§ zijn mannelijke oxytona.

Men lette op de quantiteit der uitgangen -o1;, -o2, 62;.

2. Bij schrijvers, die later dan Xenophon leefden, luidt de nom. plur. o5 ,6*ooo1o1;. · _

3. Woorden op -o15; met voorafgaanden klinker kunnen ook in

den gen. en acc. sing. en plur. samentrekken en wel

-éco in -o7: 1o27 ]]e1go11rZ>;, 1c6v E27,6oo71»,

-é5< in -6: 16v Heegaeé, 1o27; JEQEZQLGQ.

4. ’O16 5o23; (bos, bov—i s)"111111d heeft den stam 6o21- alleen védr

uitgangen, die met een medeklinker beginnen: /3o15-;, 5o17-1; 5oo-oi(1»),·

in alle andere naamvallen wordt de stam vereenvoudigd tot (,6o,:-)

,6o-: nergens wordt samengetrokken; dus

6 16 BOGQ`, ,6o6;, 6oF, 5o27v, .

/368;, jsocTw, )so21oZ[1»), 6o'l7§.

5. 16 ’V(I’l7§,` schip, stam 11o121- (MF-, nav-is, 11161:-):

16 V(1{}§, vscég, 1116f, voz27v, _

v16e;, 1/ecbv, vowo£[v], 1/o27;. A

§ 49. Stgmmen op -oo en -o.

II Stammen. [ 15ooo- held. neLw9o— overreding. 49

I Sing. N. 6 Hgw-Q Pluf. N. oi EQU)-8§ - Sing. N. 15 7E8ll966 l

I G. ”IsQCO·Oé` G. 1§gc6-wv -G. rcs¢15*o17g {

D. 1sgw—z D. How-oe(v) D. 1zem?oZ

A. How-on A. How-oz; A. :zs¢oc6 {

1. De niet talrijke stammen op -oo trekken nergens samen.

2. De stammen op -o zijn vrouwelijke oxytona, en wel meestal

eigennamen; zij komen alleen in den sing. voor en hebben den acc.

gelijk aan den nom. _

§ 5o. Onregelmatigheden in de declinatie der substantiva. .

Deze bestaan voornamelijk daarin, dat de naamvallen van een so

woord van twee verschillende stammen gevormd Worden. De meest

voorkomende onregelmatige substantiva zijn:

1. 1§ yvwj wouw, ——alle andere naamvallen van den stam ywam-

met het accent der eenlettergrepige woorden; dus

15 yvwj, yvvazxég, yovouxi, yvvaixa, yém., ‘

yvvaixeg, ywzamow, yovae§i(v), yvvaixag, yvvozixag.

2. Zség Zeus, stam Zw- en AL-; dus ·

Zeég, .416;, AJ, Aioz, Zee?.

3. 6 xzicov ho116Z,/Sfam xvov- CH mw-:

6 15 mfwv, mwég, kiwi, mjvoz, wéov,

mfveg, xvvo3v, m1oZ(v), mjvozg, N mjveg.

4. 16 61/ozg 6o1oo111, stam 6vo¢g- e¤ 6veegozz—:

16 6vozg, 6vsZgozrog, 6vei@om, 6vag,

l ui 6ve£gozzo¢, 6ve¢goircov, 61»eZgocoe(1¤), évsigaw.

A DaaI`t1aaS’[ 6 6'vazgog BH 26 6'vsLgov. A

5. 6 no.§o§oo·m§g gezcmt; de ongebruikelijke pluralis wordt ver-

vangen door de vormen van yzoéof3v; cud, oer1.vaa1~dig,· dns;

6 xgeofevrég, -1o15, —zgj, -11jv, -16,

oi rcgéo6ezg, rcgéojicwv, :mgéoj?eo¢(v), yzgéo/keg.

V 6. z6 m'3g vum", G. migdg, D. migi, ‘

Plur. 16 migd, nigcbv, migoig (wachtvzeren),

7. 6 oizog g1"cm11, s@1].8 is in den pluralis onzijdig:

Id GZZQ, O“II‘L'(1.)’V_, o'['COL§,

8. rb oioi5too szfadiawn (lengtemaatjheeft in het meervoud zoowel

ei araétea &1iS za azgaéla. _

9. 6 o56; zoon wordt regelmatig volgens de tweede deciinatie ver-

bogen, maar vormt bqvendien nog van een stam vis- (verg. @66-;):

in deI1 Sing. 22%-o;, viel,

in den plur. vielg, vié-wv, vZé—ol(v), vial;.

1o. vj xslt) hand wordt regelmatig verbogen Zagég enz., behalve

de gen. en dat. dual.: gag-oZv,

611 de dat. p}u1'.Z greg-oi(v).

§ 51. Andere uitgangen der nomina.

51_ Behalve de uitgangen, waardoor de verschillende naamvallen gevormd worden,

zijn er andere, die meestal aan den stem toegevoegd worden en wel

op de vraag vanwaar: #8o,

op de vraag waar: -i en -ot in het enkelvoud,

-ot(v) in het meervoud,

op de vraag waarheen: -5s, -.os, —§s. B.v.

oZ'xo29er van huts oZs·:oc ie hues oZ3¢a5s naar huts,

4%}.).o19sv van elders dllodl elders 6eU.ooe naar elders, N

Z41‘h§wyz9ev van Azfhene ’Ai9·¢§vnol(v} te»Atlzene Z41%§va§e naar Atlzene,

ndvmdsr overal vandaan Maga19o5rt te M. Méyagdés naar M. (§ 9),

xajtadsv van den grand xayal Izumi xaadie ter aarde.

OPM. De vormen op —l zijn locativi sing., die op -ot(v) zijn lccativi plur.

{ Overzicht der Adiectiva. -

§ 52. a) Adiectiva van drie uitgangen.

52 Het niasc. en neutr. komen van denzelfden stam; het fem. gaat

altijd volgens de eerste declinatie.

1. Stammen op -o. Verbuiging § 32.

dyat96g, ciyaétaj, &ya1%v goed,

éixazog, Gmaia, élxamv reehzfvaarclig.

2. Samentrekkende stammen op -o. Verbuiging § 34.

dgyvgozig, étgyvgd, dgyvgoir zilveren,

xgvamig, xgvan, xgvcoiv gouden, J

an/to17g, dn/tn, dnloiv eenvoudig, enkel.

3. Stammen op -¢». Verbuiging § 4o. V .

,ué/Mg, yélazva, yéléw zwcwf,

wimg, zdlawa, 1oiMv (poet.) ongclukkig.

4. Stammen op -vz. Verbuiging § 41.

mig, mica, a&v geheel,

éfxwv, 5{%ovoa, cixov _ Cmwillig,

V éxcbv, §xo5ooz, éxév vr@y`wéZZig, gaa-me,

lziéleig, 1z7e9eZoa, Zzwév Zosgemaakzf,

5. Stammen op -o (bijna alle oxytona). Verbuiging § 47.

@56;, ¢§6eZo, @66 czcmgemzam,

. Hwang, ’If],LLi()'£kl, vjuzav half.

§ 53. b) Adiectiva van twee uitgangen.

Alle geslachten hebben den stam, het masc. en fem. daarenboven 53

den Vo1‘m gemeen.

1. Stammen op -o (vooral samengestelde adiect.) § 32, 3 en 4.

/3oig,6’ozgog -ov uétheemsch, éizz,uog, -ov · eerZoos,·

Zovygog, -ov Mcszfig, é’vri,uog, -ov geéerd,

<pg6w,uog, -o1/ vefsiawdig, rzozgoivo,uog, -ov in Sfrqjld mei de 7/Uét,

ngQiog, o2/ Zdéhlf, fam, m1vo5gyog, -ov Ziszfig,

OPM. Adiectiva van twee en drie uitgangen: § 32, 4.

/5’é;9aw; 2 en 3 vast, o3<pé}.l;.eog 2 en 3 voordeelig, nuttig. _

2. Samentrekkende stammen op -o. Verbuiging § 33.

, eifvcwg, e*Uvovv V welgezincl,

aéynlovg, o6,u:z/low} 3 medevcwend,

3. Stammen op —eo (volgens de Attische decl.). Verbuiging § 35.

Ulewg, Ulewv genddig,

é`/%.7'Cl8CO§, ifamlewv UOZ. ’

4. Stammen op dentales (vooral composite van substantiva). `

Verbuiging § 39.

éixageg, -¢ Omkmgemlmn (éxdguog, éggdgm, &;gcxgw, -1], ‘

effe/Img, —L hoopvoZ V fewiélméog, eéélmég evislnev. -Q,

_ Gino/Zag, -¢ Z'O7’ZCZ6·7” Uct6Z61‘Z(1nd (&7z6lksog, zinéleée, éiyzolw, 4-Q.

5. Stammen op -7. Verbuiging § 4o.

s136o11,11wv, e116o11,11ovjg6Z11]6k1g, xc1711'ow, 71o1711oo1 s16o11161*, ·

océgvgow, oo3gogov 662o119/1691, dggyv, éfggev 1’711W171@Z@'k.

6.‘Stammen op -o;. Verbuiging § 45.

eéyevyjg, -5; 6CZ@Z{_1]o19o1"@11), ovv2§1%y;, o15v7y@96; g61U67’1d,

é'v6e7j;, -é; behoeflfig, 11}/Hé§, -é; g6Zo1’1d.

§ 54. c) Adiectiva van één uitgang.

54 Er zijn maar weinig adiectiva, die voor de drie geslachten slechts

één vorm hebben, welke echter, reeds wegens de` beteekenis, slechts

zelden ook voor het neutrum gebruikt wordt. Het zijn vooral dentaal-

stammen. 1

oaoyo1;, -o16o; 1>oo7·5vZ11ch51g, verbannen,

71éwy;, -o1o; d7"771,

,11o171o1g, -o1oo; gelukzalig,

· OPM. 56o1o71o;, -o13 o71/1o1551g wordt alleen mannelijk gebruikt, de

adi. op -5;, -56o; alleen vrouwelijk: oo11/.1o1;j5;, -56o; verbomlen, °E11¢y¢»5;,

-56o; G7·1e2ksch,— Gréeksche vro111v,‘ ij 71o11,o5; (sc, M) vczderkmd enz.

§ 55. d) Onregelmatige adiectiva. 1 `

55 De 'beide adiectiva ,11éyo1;, ,11eyo117y, ,11éya gzoot,

BH 75o1.11Q, 71o1116, 71o115 wel, ·.

vormen alle naamvallen behalve den nom. en acc. sing. van het manne-

lijk en onzijdig van de stammen 11oyo1o- en 71o11o-.

,11eyo1— en ,11eyo11o- 171o1o- en 71o11o-

11 Stammcn l groot. I veel.

j; ———— ——-;—;-»————

Sing. N. ,11éyo1Q ,11eyo117y ,11éyo1 71o115; 71o117} 7'UO17.1

G, ,11.2;/o11o12 ,11eyo117y; 11ey<11ov 71o11o17 71o1111; 71o11o5

D. ,11o;/o11oo ,11ey111gy ,11eyc11qJ 71o11o5 71o11j 71o11111 ·

A. ,11éyo1v ,11ey6117yv ,11éyo1 71o125v 71o117jv 71o115 i

Pluf. N. ,116;/611o1 ,11eyo11o11 ,11ayd1o1 71o11o5 71o11o11 71o11o1

j G. ,11eyo11cov /»L8Q/(l11(Ll)V ,11syo11cov 71o11o511 71o1111111 71o11o37

D. ,LL8Q/d1OL§ ,11eyo11o11; /L8}/(11OLQ 71o11o1; 71o11o11; 71o11o1; I

II A. ,11eyo11ov; ,11ey111o1; ,11eyo11o1 71o11o15; .7'EO11.é§ 71o11o1 {

ll. Vergelijkingstrappen der adiectiva. o

§ 56.o 1. De meest gebruikte uitgangen zijn . 56

VOO1‘ den COmpar&l’£iVLlSZ -1o2oo;, -régo¢, -zsgov,

voor den superlativus: -oooo;, -oooo;, -oo:oo.

Deze uitgangen worden achter den stam van het mannelijk

·gevoegd; b.v. ·

dtxcuog rechtvcwwdig, stam csmouo—, CO1T1p. dmoué-o8oo;, Sup. dmoué-1o11o;,

,ué26<; zwart, ,oo91oo-, ,u81oio-zego;, ye2do-1o1o;,

oozgmj; cturictetgjltc, oc¢qoao—, oagvéo-zegog, ooupéo-mrog,

ev}x1an; beroemct, e1sx1eeo-, s2}x1séo-zegog, ew5x2aéo-mrog,

I5goz%15; kmet, bgaxv-, ffgaxvj-zego;, §go¢%25—zozzo;,

ngéobvg Ouct, 2zg.·—:o§v—, .7`EQ8opi2·7J£QO§, azgeo)%-mm;.

2. De stammen op -o laten de o slechts onveranderd, als de voor-

afgaande lettergreep (van naiure of door positie) lang is; is zij kort,

dan wordt -o tot -oo verlengd; b.v. o

5.ew6; Weesetytc, ow6—zego;, demo-1o1oo;,

Evziluo; geémed, é'oiZ,u6—rago;, évzilué-mzog, 2

x mxgég bitter, mxgé-rgog, » mxg6—zozro;,

5o6o5o; beroemd, §o¢so§d-zsgo;, 5o6o§6—mzo;,

maaf ooo26; 7/Uéf'5] oo<pc6-tegog, ooo9o5-zo¢ro;,

éifeo; wacwdig, dftcb-@@o;, &§Lo5-1o:o;,

azo18,uix6; k7"’t7gSZ?oktLttg, rco1e,umo5—zsgo;, 2zo1e,umo3—rc¢zo;.

3. Eenige adiectiva verliezen de -o, waarop de stam uitgaat, namelijk

oooooo; bejaard, yagai-o2oo;, yegat-oooo;,

<pt1o; tteji dterbacw, gvt1-1:2oo;, <pt1-raw;.

4. Bij de volgende adiectiva worden -éo-:ooo;, —éo-oooo; achter den

stam gevoegd, waarbij, indien de stam op een klinker eindigt, deze

klinker verloren gaat: 1

21) bij de adiectiva op -ooo, -oo: _

eédatluwv getukkig, sédouluov-éo-rego;, efidatluov-éo-mtog,

oo3oooooo oo2o2/men, ooo<pgoo-5o-1ooo;, oooooooo-éo-zoro;,·

b) bij de samengetrokkene op (-oo;) -oo;, b.v.

o2212o17; ewket, emwoudtg, 6m1o6ozego;, o°m1o2}orozro;,

_ 6oooo; wetgeziwd, eévoéozegog, eévoféowzog;

uit <irc2o-éo—rsgo;, s5vo-éc-zs,oo;, GHZ.

C) bij éjggwluévog Sterk, éggwlusv-éo-zego;, éggwlusv-éo—mzo;.

OPM. De vormen van den comparativus en superlativus Worden

dikwijls omschreven, ,

de comparativus door oo11oo, magjs, ooooo, g met den positivus;

de superlatavus door oo1oooo, max1me, meest, j

2 ` j, b V. #611oo <pt1o; = <pt1zego;,· yd1¢om ooo26;.

57 § 57. De minder gebruikelijke uitgangen van de vergelijkings- 5

trappen zijn

. voor den comparativusz —iwv. -iwv, —iov, slam mw, _

VOOI‘ CleI“l SLlpeI`lHtlVL1SZ —LG‘C·Og, —{:G’C'Q., —LG‘COV, SIIHIH -LOIO-·.

2. Deze uitgangen worden (behalve bij onregelmatige, § 58) in a

proza vooral bij de volgende adiectiva gebruikt. Van deze verliezen

vier véér de uitgangen den klinker, waarop de stam eindigt,

en bij vier komen comp. en sup. van een anderen, verwanten stam:

xaxég Slechi, i xaxfwv, xéxiov, xdxwrog, 3.

7§6'l5§ cumgenozam, édfwv, vjdiov, Edwrog, 3.

zaxzjg Shel, dérzwv, Gdzwv, zdggzcwg, 3. 4 _

_ (dérrwv uit mx-jaw,). _

,uéy<1g gi"Oo2i, peifwv, ,u.~:Z§`oa», ,uéywzog, 3. .

(/zeifwv uit ,uey—jwv).

xdlég Schoon, xallfwv, xd/i/liov, xd/lleazog, 3. (ul xdllo; sehomzheid),

aiaxgég schandclgfk, aioxfwv, aibxiov, aibggwrog, 3. {za Jaya; smzmd),

éggdgég vgfazzdig, éxdfwv, éjgdiov, éjgdwzog, 3. (ni @oo; vynmdsrchap).

gigidlog gemakkelgjk, @giwv, @@o% Q-@OIO§, 3.

l 3. De verbuiging der comp.: § 4o, 4; der superl.: § 32.

§ 58. Onregelmatige vergelijkingstrappen. ‘

58 d De comp. en super]. worden van één of meer stanimen gevormd,

welke van den stam van den positivus verschillen.

1. dyqdég goed, dyeivwv, éiysivov, éigmwg, 3. (van hetgeen goed is, cigwwj),

Behfwv, Bé/lziov, §é»lucrzog, 3. (van hetgeen goed of slecht

_ , kan zijn), V

xgeinwv, xgeinov, xgciuazog, 3. (steric, xgdm;).

2.m1x6g Slechi, mzxfwv, xdxiov, xdxmzog, 3, (van hetgeen slecht is),

ggcigwv, ggaigov, Xsigwzog, 3. (van hetgeen goed of slecht

kan zijn),

zjrzwv, Zum}, ijxzaza 3. (zwakker). ·

(adv. geenszins).

‘ 3. ymgég Hein, yexgéregog, 3, ,1,u%g6mzog, 3, (van hetgeen klein is), ‘ 3

— geriv/ag, élénwv, 5/lmzév, é/idygwzog, 3, (van hetgeen klein of groot

. kan zijn).

4. éliyog weinlig, ékirmw, éiazzov, 5/idggeozog, 3. j

’ ,ue£aw, ,ueZov, —— l

5. 21o26;: wel, zzleiwv, yzléov, az/Lsiazog, 3Q(:z1.é-wg, rd ::1117-oo;).

I gen. az/lsiovog e1’l azléovog. 3 "

OPM. Defectiva zijn: -

(yzgo voor), yvgoregog prior, ‘ yzgdnog primus,

. [Grzég 6o22612}, foyzégzegog Superior, éyzégmrog Supromus,

— {image; posterior, Uomzog poszfremus,

(5;* mt), — é’o;gawg .extremus,

lll. Adverbia.

§ 59. De adverbia, die van adiectiva afgeleid worden, gaan uit 59

op -w;. Atgezien van den slot-medeklinker stemmen zij, wat den vorm

en het accentaangaat, steeds met den gen. plur. van het mannelijk

der acliectiva overeen, b.v.

oogoog zoys, gen. plur. oocpoov, 3.dV. ootpcog,

ofxouog rechivaolrdig, omaiwv, omozicog,

r ein/loci; onkel, eevwouclig, om/leTw, émieog,

:16; ge/wel, noivzcov, mivzcog,

eoooziluow gelzlkkig, _ eéoailuévwv, eéoaquovwg,

ompyfg _du.i6Z6Z@`k, oaqocbv, ooz<po5g,

ovw§o-zyg gewerad, · ovviwcov, ovviwwg,

‘ 15615; aomgemumz, 1§6éow, éoéwg.

2. Soms wordt het neutrum van het adjectief als aclverbium ge-

bruikt; b.v. mold zeer, pimgov een weimg, uxxo snel (naastg wxécogj.

· Het adverbium van <iyao6g is so goed, wel.

3. Vergclijkingstrappen. 1. Zijn de adverbia van adiectiva

afgeleid, clan`dient

als comparativus de acc. sing. neutr. v. d. comp.,

als superlativus de acc. plur. neutr. v. d. superl.

van het adiectivum; b.v. V

ooqotbg wqjs, aoepofwegov, aotpeomm,

om/ld); eemfoudig, _ éazlooozegov, ciazlooozara,

’e136<u,u6veog gelukkig, eéoaifuovéozegov, eooouluovéorexm,

ooupcog cZ@oZcZeZ’{jk, oacpéoxegov, oozqoéomm,

éoéoqg cwmgencmirp, Hoiov, i Hoeoux. i

ZOO OOk 85 good, oiluewov, &geo1oz,

i en pid/ia zeer, ,u&l/lov (uit pai-iw), [ud/imw. .

4. Een enkelen keer worden ook van comparativi adverbia op -wg gevormd;

b.V. ,ueLQ`6vw§ (113.3.Sf Malfoy), rzlovatwzégwq (flazlst nlovoaohsgovj.

5. Adverbia van plaats hebben vergelijkingstrappen, vooral op -w; b.v.

Eyyik ndbzj, ` Eyyézsgov, éyyérara,

EH Eyyvzégw, éyyvrdrco; n

_ . g rrdggw ver, rroggwzégw, noggcordzm.

§ 6o. Lijst van minder voorkomende afwijkingen bij de Attische Buigingsleer (substantiva en adicctiva), om bij de lectuur geraadpleegd te worden.

6o 616o19o6;, 6 61oo11o1: voC. bete1‘ o6 66o}.6o dan o6 61611o16. M

619o6o;, 3. 11e1z11111eZ1Z: fem. 6119o6o1 in sttijd met 32, l.

611y.s11»6;, 3. S}7”16H”6eZ’6]·k.° comp. en sup. rcgclm., doch ook élyiwv, 6e1y1o1o;.

6111o11;, 2. o11boo111z11611o11#.‘ comp. (i7`61OC6'C8\QO§. o

°Ay1611oo1¤, -1o11o;, 6 ApoZZO 1‘eg.; OOk °A116111o (Z. 4o, 4) en 16"Ar1o11o1»; 2

&V76Q, 6 1111111: VOC. 662.2o. _ ‘

64o16;, 6 Ares: ’Q4Q8CO§ er1 °Z4oeo;, 64o81, 64o16 Gm °Z4o1y1», JAQEQ. 1

6o1o, -o1o;, 16 47, 2; onjuist G. 6o16o; (iOn.); pl. 6o116, 6eGTeCL)’V, 6eo1oo1(1»).

(%(,Ui9o7!_O ;, 2. zo11de11 11116, o12ervZoe1Z1g.‘ C. 61¢19o1»éo1soo; naast 6zgm9o1»161eoo;.

,6165, -61116; SZ11]9 .‘ C. -1161ooo;, S. -1161o11o; of 61o1111o1o11o;.

6oo6o1;, -6o11, 6 Noo11Ze111o1211Z.‘ reg.; ook 6ooo6;, 6 (3o, 3), -6, -611.

yéoo1;, 16 eeregcwes Q/6Q(X)§, yéoo1, yéo6<, y1oo51», yéoo1o1, volgens 44, 2.

yo615;, 16 o1111o o1o111.o; yo616;, yo61F, yoa1'51» enz.; verg. 11o15; 48, 5.

6611ooo1*, 16 1r11111’z.‘ 1‘eg.Z D. P}. OOk 6611ooo115 Vail he’[ poét. 66111o11.

(SSI?/G, 6 16 16 1Z111geS.‘ 1o17 6867/Og`, 1oo 681'VL, 161/ 6o61o1, 11611 6o11oo1/.

66116oo1o 16 6oo111, I'eg.Z D. PI. OOk 6é1¤6oso11», van he’t iOI'l. 16 66116oo;.

616116;, 6 611116.- Pl. naast 6161161, ook 16 616116 vcrg. 5o, 7 en 8.

6oo116116;, 6 heeve: VOC. o5 66o11o1o1.

· A1y/,116116o, 16 Demezfer: A16,111y1oo;, A1611o1o1, A16,111y1ooz, A16/.1161oo, verg. 42, 1.

66oo, (s6Q&'[O§, 16 spee1".‘ 39, 3; OOk 6oo6;, 6oo1.

67I67'Z86o§, 2. ’U6C1k.' C. §11mo6éo1.·2oo;, Vérg. 56, 4, C. 6

A §r11%o1o1;, CZCW1go7’1dC1WL.‘ C. §L7'EL%GQLZ(l3T8QO§. .

§GxG‘L'C6‘Kd'L'O§, 111161816, S. bij 6/@{111o;, 58, Opm. 1

o1661o17, 2. helder: C. @661o111oo;, Ve1‘g. 56, 3. 1

Eo191561oo61, o11o;, 6 Emhyp/11·o,· Voc. Eo666oo1, acc. in strijd met 4o, 3.

é%13o6;.· comp. v. h. adv. naast @113*1o1 ook §%’t9QO'C6Q(LO§.

76Q, 16 1o111o: 76'QQQ 16o1 (naast 66oo;, 1oo1), acc. schijnbaar in strijd met 36, 6.

’I6QCO§, 6: 49; ook: 11o 76QQO, 1611 16o1o, 16 76,Q(LO§ — 'COQDQ 16o1o;.

166oXo;, 7"MS6?;g.' C. reg. Of 7s]OU%Ot6”E8,QO§ (van 16oo;go1Zo; volgenS 56, 3).

19o15, 1o1;g6;, 71o1611*: 1o1%6;, 1o1Xi cuz.; D. Pl. 19o151o} volgens 21, 2.

1*666;, 16 Oo11s.· 35; Acc. ook Thi! Kéw (als 1161 6/6o 35, 2).

1116:1116;, -o11, chef; oZ1ef11eh11g.‘ S. 111e111io1111o;.

M'}/6oU(1§, 16 .S‘eheme1*111g.‘ G. 21116o2o11;, 111»é1po1, volgens 44, 2.

Ko3;3 16 Cos, volgcns 35; Acc. ook 1161 K1o (vcrg. 1161 566 35, 2).

1.dQ’C1’)§ (Of 1o1y16;], 6 hc111S.' 35; Acc. S. oOk 161/ 1o1y1T1 (ACL}/(Q6).

1o61o15 1o5o11 beiei", 61] 1o661o;, 3, 6686 bij 61;/o1196;.

,LL(I%Q(se, 3. COmp. I‘eg.; OOk vooral poét.: ,116ooow Bn ,LL7’6%LG‘[O§, Véfg. 57.

,11oo1o;, ,116o1ooo;, 6 go2'11igo.' D. Pl. ,l1.(iQ'L"UGL(V). ·

Mivwg, 6 M111o.s·: soms volg. 35 (Acc. ook Mivw, 35, 2), soms volg. 49.

]lL6()'GUV, -o11o;, 6 IZOZLZLGW 1o1o11; D. Pl. ook /LOOO'7.5VOL§.5

o6;, 6 6 oviS: o56;, o%, o711, — o1%;, o5o511, o5oZv, oY;, verg. 48, 4.

61oo11 en 5'EOl§, naast C6’VTL7/CDV en oeo11o11», evenals 61oo,61oo, 67, 3, O. 1.

61,o1o;, 3. Zctcif: S. 61,u1oi1o1o;, voIge11S 56, 3.

61po<pc2yo;, 2, Uleeschefend, Zokko1*bok.‘ S. 61/1oq1oyio1o1o;.

.11o1o16;, 3. o11oZ.' C. e11 S. reg., of11oxio11eoo;, 11o1o11o1o; voIge11S 56, 3.

7Ié2.8%U§, 6 61)}, .7Z8}.é%8COQ`, 7Z8lé%£L, né/isxvv, PI. 7Z86L6%8L§, ·%8CO’V, —M£(7L{V). _

.7Z£tV77§, -o1o; o-1"111.‘ C. en S. .77J£’VéO'E8QO§, 7'C8Vé<O‘EGTO§ verg. 56, 4.

.:16oo of .76éQQ verde}; (ultra); C. v1soo11éooo vercler (ultcrius).

.11éoo;, 16 667’lde.' :r1éoo1o; e11Z. reg.: 11o111. Si11g. als 11éoo; 44, 2.

.v11§%o;, 6 olZo71oog, o11111 (als 6o1o 47, 2) verg. de 1—stamme11: mjxewg

7'E7§x8L, mjxvv, PI. 111o%.21;, 111j%.scov, y11§;gao1(1¤}. .

3 ·—.7'C77%U§.° adicctiva op -111o1o; hebben in ’t neutr. plur. (in strijd met 47)

ook -111§;g1y naast —m§;gso.‘ (sL.7'E7§%?], "L'QL.7'C7§%77. o

.11l.eo1»éx11y;, ]'Leb.2'Z/{C/"L6ig.' S, 11/iso1¤.s111[o1o1o;.

.7'C.4éCOQ` vol, volgens 35, doch fem. ook: Vlléd enz., cn N. P. ook: 1o 61111111o;.

.:1/l1yoio1» nabqj, adv. C. e1”l S. 21}.1yo1o£1soo;, -o11o1o;, verg. 56, 3.

.1111155, 1`§ Pnyx: 17o11116;, Hvxvi, Héxva. G

..7IO'V77Q6§, 3. Siechf, booS,' adv. r1o1»1yocZ>;, maar 11ov1§oo1; ’mooi1‘ovoZ.

]Yoo.s16¢;Z>1», 1511o;, 6 reg.; ook 1oo 17ooo1661 en o3 ]I6o.·216o1».

' ·.7`lIO’U§.· adiect. op -11oo; hebbcn in den acc. sing. soms -11o6o, soms -:1ooo.

.7ZQ(I’6§, -11o, -o, bijvorm bij 7'£Q@O§ (32, 3); G. Pl. 11oo.6o1o, volgens 47, 3.

.11oo15oyoo bovo1·cZo1#l@`k,’ C. a1ooooy1oi1eoo;. 5 S

..7`lIQCO6 en 6'EQC§), adv. 121*ooo [op den dag) C. el'l S. 21oco1'oZ1.soo;, —Z·(16'CG'CO§

en JZQCQQZIEQOQ, J1oooo11o1o; (va11 het iOl'l. e.11 poE’[. 7ZQO6Z.O§,` Of .7`EQ(?)O§,`).

o1161o;, -oo;, 16 d111S¢oM1iS, reg. VOlgel’lS 44; ook- 6 o2161o;, -oo.

.o1oo6;, 3. o11o: C. en S. o1.2o61ooo;, o1.2o61o1o; (verg. 1o11. o1o1116;).

·o;go/{o1o;, 3. Zcmgzc1o1m.' C. e11 S. @5o1o51ooo;, oxoloi1o1o; voIge11S 56, 3.

oo5;, oo5o (1oho11do11, bijvorm bij o61o;, oo3o, oo5o11, voIge11S 35 16o 11)v

16 o61o, o2 oi GCE), {OID; 1o; oo3;, 1o o6. C

1611 of 1oo, il1deCl. o3 1o11 (1oo) o o111o116, mgm 1ooo11*6o.

16oo;, 16 1oo11cZo1"2fooko11.* 1éoo1o; eI1Z. reg.; ook 1o 16oo (44, 2).

T1ooogoéo1¤1y;, -oo;, 6 T1Ss11phor11oS,‘ VOC. o5 71ooo<péo1¤1y.

iToo3;, Tooo6;, 6 Trojacm volgens 49; G. Pl. Too3ooo volgc-ans 36, 7, c.

o1o11j; Overmoedig, C. en S. -1o161.2oo;, -1o161o1o;.

-o16;: 5o, 9; [acc. plur. ook o56o;, o - o

.ooo6oo, 16 o1125: gen. oo6o1o; enz. (verg. 736COQ 39, 3). o

»xoois1;, -.2ooo, -o1} bevczlligi C. el‘l S. ;goo1éo1eoo;, %oo1éo1o1o;.

ggoéo; of ;goéoJ;, 16 Schzolcl: 1o6 ;goéov;, 161 ;goéo, ICTJV ;goso5v.

'xoc6;, -o116;, 6 huid, reg.; ook 3ooo6;, ;gooF en ;goo"3 (iv xo@1).

KAEGI. Grieksc/ze Gramm. 7e druk. 4

IV. Pronomina.

._ § 61. Pronomina personalia.

6l_| I · Eerste persoon. 1 Tweede persoon. _

Sing. N. éyrb mj gy V

G. §,um§, you mqner, vcm mg ami, am; www, vom zi

_ D. §,u.oZ, ,uo¢ wif aol, ooL u

A, 5,ué, lug my oé, as u

Plur. N. épwig turf A {Mei;

G. ¢§,ue?w onzer, van ons 6,mDv uwer, vom u

D. 1§,uZv/ mzs 5,uZv u ’

l A. `e§,u&c mes ind; u ` )

1. Indien op het voornaamwoord de nadruk valt, dan gebruikt

men de vormen met eigen accent, dus vooral:

21) bij tegeIlSteHiHgeHZ o2% §,uoi, dal/id aol dzgéaxez.

b) na praepositiesz éaf 5,uoi Op mg`, argc); aé tot u,

Anders gebruikt men de enclitische vormen.

2. De dualis van den 1. persoon is N. A. wb, G. D. vrpv, van den

2. persocn N. A. o92o3, G. D. mprpv. "

3. Om meer nadruk op de voornaamwoorden te doen vallen, gebruikt men

gywys, §,uoi5ys, Eluofys, Eiusye, aéya eUZ.

4. In plaats van het pronomen pers. van den derden

persoon worden de casus obliqui van aécég ipsa gebruikt (§ 62).

5. Indien er nadruk valt op het pron. pers. van den 3. persoon,

gebruikt men de pronomina demonstrativa, en wel meestal éxaivog (§ 65).

6. In bijzinnen wordt, om terug te wijken op het onderwerp van

den hoofdzin, als pron. pers. van den derden persoon (indirect re- A

flexief) soms gebruikt: 4

Sing. C. mi D. oi A. 5.

Plur. N. mpeic G'. agvcbv D. c<p£Gr.(v) A. mpd;. .

§ 62. De pronomina 66:6;, 6}.7.o;, 6).16}.oo;.

. Sing. N. I 66r6; G'l;T7i GGI6 62

i II G. GGIO5 6616; 66wG

. I D. 66rqB 66z6 66z6) I I

· A. 6616o 6 6616o GIGT6 `

II Pluf. N. I 661oi 66z6Z 6*616 II

C I G. 661o3o . 66162o 66161o I

A D. 661oi; GGZGZQI 661o2;

II A. 66zo¢5; G’L:}'C(i§ 6616

I; _m__

Het pronomen (1Tj'[6§ beteekent:

a) zelf ipse; b.v. 6 oi6; 6665;, films 6ose;

b) met het lidWoord: dezelfde, {dem; b.v. 6 (1’ljI6§ o26;, idem 6666*.

c) in de casus obliquiz o66 hem, o66 ham, eius (nooit aan het begin

I Van een zin); 6 o6}; (I’l?l”[OG filius ei7JLS,° azégycu 6616o 696o cum.

OPM. Door crasis (§ 18) met het lidwoord ontstaan de vormenz (l'l5T6§, :66:6 en

mizdv 68, 2), 2661o*5, 16616, 16616 ehz. C

2. juist als (Z’l3T6§ wordt verbogen 611o;, 6116, 611o, alius, alia,

aliud.

3. Het voornaamwoord elkcmder heeft tengevolge van zijn betee-

kenis geen enkelvoud en geen nominativusg

Plur. G. 611616w, Dat. 61161oc;, -6e;,

A. 61161oo;, 611616;, 611616.

Dua]. G. D. 61161ow, A. 61161o6.

§ 63. Pronomina reflexiva. A

. I I Eerste persoon. ITweede persoon.I Derde persoon. 63

I Subj.: ik. Subj.: 96. Subj.: 726, 26, het,

I Sing. G. §,66ozov5, -6; 6e6ozo5, -6; 66o1:o15, -6; P

D. §,66oz61, -6 OEGUTQTJ, -6 66o16;, -6

I A. §,66oz6v, -6o oe6oz6v, -6o §6oz6v, -6o, -6

. I Subj.: 626. Subj.: g6 (6o6o6). Subj.:

I Plur. G. 6,661o aivzcbv 6,661o 66wBv o6961o 66162o

C of 56o:611)

D. 76}/CZV 66zoZ;, -o6; o,46o 66roZ;, -6Z; 6<pZ6w 66zoZ;, —ClZ§

C of 56o1o2;, -o6;

A. 6,lL(i§ 661o6;, -6; ’lj,L(.&§ G73‘KO’lj§, -6; o626; (1’l3”EO15§, -6;

I _ I of 66o1o25;, -6;, -6 I

OPM. In plaats van o61o:o6 enz., §6ozm5 enz, 56o1:61o enz. zegt

men oOk OQUTOG enz., 66:o5 ehZ., GTSTCTJV enz.

§ 64. Pronomina possessiva.

64 1. ’Ep.6g, ep:/y, épbv, meus, méjn, ·i]p.écepog, -&, -ov noster, o7/aze,

cég, ci, csév, tuus, uw, Gnécepog, -&, -ov vester, uw.

2. In plaats van het bezittelijk voomaamwoord van den derden

persoon gebruikt. men: ` \

reflexief, den gen. éavzmi, -17;, émm5v met attributieve plaatsing,

niet-retlexief, den en. aézmi -“; wiiubv met raedicatieve 1

g 5 77 7 p

plaatsing; zie 3.

OPM. Attributief noemt men de plaatsing tusschen het 1idwoord en het zelf-

standig naamwoord,

of met het herhaald iidwoord na het zelfstandig naamwoord;

praedicatiet noemt men de plaatsing véér het 1idwoord,

of na het van het lidwoord voorzien zelfstandig naamwoord (zonder

herhaald lidwoord).

3. Debezitter wordt op de volgende wijze aangewezen: _

1. niet-reflexief,

a) zonder nadruk: h) met nadruk:

6 @52o; ,12o*o, 6 5/.56; @52o;,

. 6 @52o; oov, 6 o6; @52o;, ‘

6 @52o; o61o6 (-5;), 6 zo15rov (é°xe5vov} @52o;,

6 @52o; 1§,urZw, ` 6 2§,uétego; @52o;, 1

6 @52o; 6,u.cTw, 6 6,u.érego; @52o;,

6 @52o; ow3w5v. 6 tozimw (éxeivcuv) @52o;.

2. reflexief,

_ a) met nadruk: b) met meer nadruk (eigem): K

arégyw zbv éluév @52ov, orégyw 16v §,ucwzo5 {-5;) @52ov,

arégyetg 1ov o6v @52ov, arégyetg 16v oeozvzo5 (-fj;) @52ov,

azégyet 16v £owzo5 (-17;) @52ov, azégyet zév 6owwG (-15;) @52o1},

orégyo,uev tév ¢§,uézsgo1» @52o1/, ozégyo,u.ev t6v o§,uétegov aéubv @.,

ozégyete tbv éluétegov @52o1}, atégyeze tbv éluéregov on3zcTw

otégyovo5 zév éavrcbv @52ov, ozégyovm tév éavrdw @52ov

of 1ov o@ézegov aézdw @52o12.

· Indien echter uit hetverband duidelijk genoeg blijkt, wie de be-

zitter is, wordt ons bezittelijk voornaamwoord door het lidwoord alleen

vertaald (§ 115 en 118).

§ 65. Pronomina demonstrativa. 65

I. 666, 566, 1666 hie, haee, hOC deze, dii

· wijst op wat bij den spreker is of op wat volgt.

o51o;, o1515, 1o51o

a) iste, ista, istud die, 11o11 6

wijst op wat bij den aangesproken persoon is;

. b) is, ea, id deze, dit; die, oZ11t,· degene, clatgene

wijst terug op het voorgaande en dienteals antecedent

bij relativa.

5,748557/OQ, 6216515, §%85VO ille, illél, illud die, dat; gene

Vwijst op wat verder verwijderd of algemeen bekend is. ·.

2. °'O66 is samengesteld uit het lidwoord (vroeger aanwijzend voor-

naamwoord) en het aanwijzende enclitische -66 (o1o1111, hier). Het heeft

derhalve de verbuiging van hetlidwoord. l

3. O5IOQ`, Gigli], 1o51o is eVeHee11S uif het lidwoord (vrbeger aan-

wiizend vcomaamwocrch ontstaan. Ook richt het zich hiernaar

zoowel wat den k1ank,waarmee het begint, aangaat (spit.

asper of 1: OQEJTOQ`, o1515, 1o171o, 'tflijld).

als ten opzichte van den klank, die daarop volgt (oo stemt

overeen met den o-klank, o1o met den .o1—klank van het lidwoord).

I Sing. N. o51o; o1515 1o51o Plur. N. o51o1 CL'l55I(1L 1o151o1

G. 1o151o12 1o11515; 1o151o15 G.1o151oo11 1o151oo11 1o1511o11 I

D. 1o151qa 1o1515 1o1516o D. 1o151o1; 1o1151o11; 1o151o1;

A, 1o151o11 1o1151511 1o151o A. 'KO'l5‘COU§ I(1’l5‘[Cl§ 1o1151o1

De duaiis is 1o1511o, 1o151o111 voor de drie geslachten.

4. °E11eZ11o; wordt regelmatig verbogen volgens (115I6§, o11515, o1516

(§ 62)-

‘ 5. Merk op: 666 6 61115g of 6 &'V'I5Q 666 deze 1no1n,‘

o51o; 6 Ci')/75Q of 6 6111511 o51o; die nmn-,‘ 5

EQMEZVIQ 5 Q/UT/75 of 5 Q/U')/75 61161115 gene 121*o111o.

OPM. Vele vormen van deze pronomina worden soms versterkt

door achtervoeging van 1 demonstrativumz b.v.

o51ooi, o15155, IO’U‘E5,' 665, 565, 1o6i

1o111o15i, 1o11115oi, 'EGUT5. 1o16i.

§ 66. Pronomina relativa.

66 1. "Og, i, 5 qui, quae, quod die, dat.

I Sing. N. 5; 5 5 Plur. N. oi' ai' 5 I

I 6 G. o5 15; o25 G. cbv cbv o3v I

I D. D. oi; ai; o5;

II A. 5v 5v 5 . A. o5; 5; 5 I I `

De dualis is o3, ofv voor de drie geslachten.

Ter versterking wordt aan 6; de partikel may toegevoegdz 6¤n.sg, Emsg, éhsg,

o5:rsg enz. juist (degene), die. `

2. Het onbepaalde relativum is Ecsccg, s4::;, 6u: quisquis, qui-

cumque, al wie; § 67, 3, ,

§ 67. Pronomina interrogativa en indefinita.

67 1. Het vragend voornaamwoord is cig, ci = quis, quid?

- A wie, waz}? — welke, walk?

‘ Het heeft steeds den acutus (nooit den gravis) op de lettergreep van den stam.

2.t Het onbepaalde voorn.w. is ceq, cn: aliquis, quidam

‘ 2 wmcmd, wts, een o/' cmdev.

Het is‘steeds enclitisch en kan het accent slechts op de laatste lettergreep

hebben (§ 9, 2).

3. "Oau; is a) onbepaald relativum = quicumque, al wie.

b) indirect vragend voornaamwoord = quis. I

I Sing. N. zZ;; tif ug u 5ou; Hu; 5u

G, uvo;,· uvo; o5uvo; Zauvog o5uvo; 6

II · Iii/L; Iwo q5uv¢ fum qzjuvz

II A. uva; zi; uva u 5vuva Zvuva 5u

—l

Plur. N. riva;,· uva; uva; uva oZuva; aiuva; 5uva

G. uvcov; uvwv o5vuvaJv o5vuvwv o5vuva>v A

I D. rZoc(v); uo¢(v) oFouo¢( v } aFouoz{ v ] O;O'L'LOL( v )

A, uva;,· uva; uva; uva o6ouva; 5ouva; 5uva I

OPM. 1. Dikwijls vindt men de volgende bijvormenz `

voor zivo;: zo5,· voO1" uvo;: wu enclit., Voor. o5uvo; meestal: 5:oo,

Voo1‘ tivo: rtf); VOOI' uva: zqa enclit., Voor q5uvc meeSt£ltZ 5rqo,

voor het neutrum uva: 5ua (niet enclit.), voor éiuvaz 5ua. I O

OPM. 2. Het onzijdig van het relativum en interrogativum schrijft

. men dikwijls 6, u of .6 u, ter onderscheiding van de ccmjunctie 6u,

quod, dat, amdat.

§ 68. Pronomina corrclativa.

1, :»zoZo;, rzoiet, azeiev; qualis? heedcmig? .68

:16oo;, nemj, neeev; quantus? heegreet? quot? heeveet?

6 t` .

1] Inter- Imc- Dcmonstrativa ela wa

r°gatlVa‘ hmm V Bc-zpaald. ( Onbcpaald.

no- 21o- (ze-) 6- ( 62ze-

rtg; u; 668 o61o; 6; 6om; ` °

- quis? aliquis hic. iste. is qui qui (cumque)

me? zememd deze, deze, dee dze, zeetke dze, wee (eek), atwze

noZo;,· (note;) to¢6o6e, roto5zo;_ ote; 6noZo;

‘ qualis? talis qualis qualis (cumque)

heedcmég? 4 zeeddmg (zeedemig) eds heedemtg (eek)

( n6oo;,· (::ooo;). zeeeeée, zeeetizeg 6oo; émiee;

quantus? tantus quantus quantus(cumque)

heegreet? ( zee greet (zee gveet) ets hee greet (eek)

quot? tot quot quot(cumque)

heeveel? zeeeeel (zeeveet) eds heeveel (eek)

OPM. 1. De interrogativa worden in directe en in indirecte vragen »

gebruikt. In indirectc vragen gcbruikt men ookedc onbepaaldc relativa.

Hetzelfde geldt bij de adverdia corrclativa (§ 69).

V OPM. 2. rzéwgeg, L1tei‘ wie vcm beidew? _

Eregeg, alter een emder (vom beiden).

6 Stage; de cmdev (met crasis 6o8oo;, 1o Etegev wordt w9·oizooov).

énézeeeg wie (vom betden) eek. (

2. Tot6o6e, zo¢ei6e, tot6v6e cn too6o6e, 1oo668, zoo6v6.s WO1‘de11 1'egel-

matig verbogen; zeteezeg en teeoézeg verschillen in beteekenis van de

voorgaande woordcn als o5:o; van 5oo en hebbcn de dcclinatie van

o61o;, dus:

zoto5to;, rotating, to¢o27zo ro¢o5zot, rozezized, zetecim

1:o4o61oo, zetemimyg, 1o4o15:o2; enz. zeteeézew, zetewjzwv, zeeezizew cuz. ‘ ‘

Naast zowizo, 1ooo17:o eI’1 zaézd 62, 1 Opm.) is he’t Hcutfum ook rocoiizev,

»IoO'O'7”EO'V eI"l Z(léT6'V.

J C ‘ § 69. Adverbia correlativa. L S9

L_"f...

L ‘ Relatwa. L

L __ lnterrogativa. Indetinita. · Demonstrativa.

Bepaald. L _L Onbepaald.

rmi; L mw L é`vod6c. @1o519o L .%/19o. o5 L ffywv

ubi? L alicubi L hic. istic. ibi L ubi L ubi(cumque)

wmv? eocgems /we/r. dam woww www (ook) L

7'COZ,; awe &2VQ9dO8 Of <sa*Ugo. §vu1Goa §'m9<z. oY U — 5rwe

quo? aliquo huc. istuc. eo quo quo(cumque)

wacwheen? ergens heen hzewheen. daowheen wcwwheen wacwheen (ook)

az6oev,· . 7zooav é’w%v6e. §vre51%v é'voev, 5oev ` 6msoev

unde? alicunde hinc. istinc. inde unde unde(cumque)

waow/vandacm? V ewgens vamdacm vcmhier. vvmdaow mmmcw vamvacw (ook)

rcére; note zdze ` O 51.2 éazdre 4

quando? aliquando L tum· cum cum·

wcmneer? ems dom, tom tom wamwew

‘ rcc5g; nw; 65.2. OIZICOQ cb; (c3om;g) 5nwg

quo modo? aliquo modo sic.` tam, ita ut, quomodo ut(cumque)

A hoe? op een ofamdere uzyzc L 2oo zoo(aZs) hoe (ook)

L --*5--* ~—·—··‘·*——‘_’ —···—**’———-#* —·*—‘*i—-_"’ —*‘”;T·—·—“ I

L nj; · my rgjée. uxérgy Q » wry _L

L qua? aliqua hac. istac. ea qua qua(cumque) L

L wacwlzmgs? ergens Lomgs héevlcmgs. dowwlcmgs wewmclemgs weuwlcmgs (ook) L

_j, -., i..

OPM. 1. Andere woorden, waarmee men antwoordt op de vragen 7:o6, mi, now9ev zijn: aibwi e o ip s o

I o C o, 8 o I o C o, aéréaa C O, a2}zdoev i nde, éxei il I i C, éxsioe i ll u C, éxewcv i l l i n C enz.

OPM. 2. é’w9a is demonstrativum in de uitdrukking: é’m9a 66 dame juist, dam me (tom juist, tom me).

OPM. 3. Let op het demonstratief gebruik van (B; (accent!) — in: mi o5; (c5;) ook 2oo, zfoch, oi36’ o3; (dk),

,my6’ o5; (dig) ook zoo niet, zfoch met.

. § 7o. V. Numcralia. 1

[[` [ [ Cardmalxa. [ Ordinalia. [ Adverbia. 7o

/ s ,5 cz ~_—

[ al 1 86%; IMG EV VTQSUTOS`, *7], ·OV GHG; eeI1S, cenmaal

I ,6, V 2 6oo I 6.evr£go;, -5:, ·-ov 6Z; twcemaal

4 7/ 3 zgse; zgFoz/ . rgewg, -1y, -ov xgig driemagl

6, 4 zszmgag rezraga zémgw; "C£'CQ(j7·§l§

.2, 2 igsvzs azé/,¢Jzro; mwwbacg

Q · .2 Emo; _5§oix1;

C; 7 érczo? .eQ66o,uo; érmimg

77 8 [ o:»¢zco 5;/6oo; éxrdmg

12/ - 9 évvéot 53o1o; éwimg

I

c 1o 6éxa 6éxozro; 6.·—:mixe;

f` .;

LG 1 1 2v6exoz §v6éxaro; .ev6.sx&m;

3

12· 6co6£xoz 6co6é}¢ozto; 6co6exoim; A

Ly] 13 1o.%; (zgia) xai [6éxa zgiw; ami 6éxozzo; zg.¤%aL6sxdm;

c6, 14 zezmga;/( -g<1) xm ééxa 1émgro; xcxi 6éx<1ro; cnz.

wl 1 5 nevzexaeéexa :·c.svt.·2%ou6éxaro;

é; 16 .·s>maZ6a%oz 5m:cu6éxozzo;

¢C; 17 6e7CT(Z%d[o8%(1 l §2zmxou6éxoz1o; · ‘

M7 18 6mcoxozi6.exa 6xwJxou6éxozzo;

[[ u9’ 19 [ §vveozxozZ6axa §vwsozxou6é2¢oczo;

,'· M! 2o [ eZ3¢oo1(v) [ .·2Zxoaz6; . gixggcémg I

I 4 ,

/1/ 3o zgeaxoajra rgwcxoorég zgeaxovrdmg [

M 4o rsrragomovra 1.*-;rtozgaxoor6; en; 5

/ , / I

V, 5o [ mwmyxovza rcsvmyxoczog , ,o

5/ [ éligxovza .e§1yxoor6; [ o ·

o 5 o,m§xovm .e;s6o,wyxooz6; _

fc; [ 8o 6y6o1§xovm 1 6y6o1yxoor6; 1

Q [ 9o .·?v.·;w§xovm évswyxoazég

1oo éxézév émxroardg éxarovzémg

G, 2oo I 6¢e<xooLoz, -ou, -o: 6¢ozxoo¢oozd; .SLq%O.;L.im;

rl 3oo [ zgcéméawe, -ou, -o: zgzaxomcaujg gn;

` U, 4oo retgzhéocoe targaxoaeoarég _

99) [ 5oo nsvzéméazoe :z.svmxoo¢oor6;

75 6oo §§&x6o¢oL §§omooLoor6;

/ c U 1 C

. W 7oo csmxxoamz .·2:momo<nooro; o

6o; 8oo 6xz&x6o¢o¢ éxmxoaeoazdg ‘

B · 9oo §v5m6oLo¢ é'v<1xooeoorc';

[ ,•1 1ooo ZFZLo1, -ou, -o: xileoazég xi1z&m;— enz,

[ ,5 2ooo 6zo;gF}.¢oz, -ou, -oz cnz. 6eo%ilLooz6;

,c 1o,ooo mfgeoc, -cu, -o: ,wvg¢ooz6; migedmg enz.

[ ,wt 11,ooo ,wDgLo¢ mai xi/hoe

,x [ 2o,ooo 6eo,u6gcoL e11Z. [

————

1. Alle ordinalia en de cardinalia van 2oo af zijn adiectiva van

drie uitgangen; van de overige cardinalia worden slechts de vier eerste V

verbogen:

N. 1. el; pla Ev, 2. 56o, 3. zgelg zgia, 4. zérmgeg rézzaga,

G. Evo; ,vu&g Evég, <svoZv, zgecov, vezuigcov,

D. Evi ,u,u§ Evl, évolv, zglol [ v } , rérmgo¢( v )

A. Eva ,uiozv Ev. 66o, zgelg zgia. rézmgozg zézzaga.

E Als ei; gaan o6(Sei; en wyéeig, niamamel, geen; als 66o gaat éivipw:

S. o136.%; o668/,¢ioz ovoév, Pl. Nl. ovééveg, éiyqow, mambo. ‘

ovéevég ovéqmdg ovéevég, E ovéévwv, dyqsolv,

ovévi ovéqulcj ovéevi, o1°}6éol(v},i &,u<poZv,

o155éva ovéejuiav ovéév. j O’l55éV(1§. Eizlgvw.

OPM. A6o kan ook onverbogen blijven. —- Van mgm, o6oml, jwgla onderscheidt

men yvjgloz, zlvglal, jwgla zeer veal, oneflmlig veal; verg. milla en saseenti.

2. Regel voor de verbinding van eenheden, tientallen enz.:

Als het kleinere getal voorop staat, dan moet men %<1ZgCbl'L1lkel'l;

als het grootere voorop staat, dan kan men wai gebruiken;

b.V. is 235 Of rcévra xal rgldxovm Mai Glocxéoeol, E

Of élaxdoqoe wai zglcixovm 2:o12 yzévr,

_ Of éloméolollvgcoixovza azévve. .

Dezelide regel geldt voor de ordinalia: zolomoozo; népmrog of we-

xoozog aaai zzézlnzog, maaf alleen nézwvzog xozi zguxxoozég.

3. In pl&&fS Vém rgelg (zgia) wai Géxa CUZ. CU vglwg aaai ééxazog

enz. komen ook andere vormen voor, die echter van zelf duidelijk zijn.

4. Behalve de cardinalia, ordinalia en adverbia numeralia heeft

men ook nog ‘

adiectiva numeralia op -mlo6g, voudig, -p1ex (§ 34, 2); b.v.

· Em/{o17; enkel, Gmlovg CUZ.,

en op —nl&olog,· b.v. émléalog lweemaal zoo gvool, -——eooveal,·

en

Substantiva numcralia op -o%;, -&csog.· ij ,uovoig eenheécl, lj Efféovdg eevenlall,

lj éexdg léanlal, ij zlvglég acmlczl van 1o,ooo.

VI. De conjugatie van het werkwoord. d

( § 71. Voorafgaande opmerkiugen.

1. Het Grieksche werkwoord heeft aanmerkelijk meer vormen, 71

‘ dan het Latijnsche, n.l.: t (

. · _ één numerus: den dualis,

één genus: het medium; ‘

één tempus: den aoristus;

één modus: den optativus

en twee adiectiva verbalia. V

2. ln den dualis gebruikt men voor den eersten persoon den

eersten persoon van het meervoud.

A Het medium heeft actieve beteekenis, maar zoo, dat de handeling

tevens op de een of andere wijze op het subject terugslaat, vooral in

de beteekenis van een dativus of accusativus; zoo beteekent b.v.

het activum muoeow ik voeol op, 3

het medium noroeoopoelik ooecl op voor mj), of ik voed ring; op,

7 3. ln vorm verschillen het passivum en medium slechts in den

aoristus en het futurum.

OPM. Deponentia met een aor. medii heeten dep. media (DM),

die met een aor. passivi dep. passiva (DP).

4. De aoristus in den indicativus deelt mede, terwijl het imper-

fectum beschrijft; de aoristus beantwoordt dus aan het Lat. perfec-

tum historicum. r e

5. De optativus is de modus van den wensch: mrémiorlzr mage

ik opvoeden. Hij wordt echter niet uitsluitend daarvoor gebruikt; zie

§ 171, 2 en 173, 4. (

6. Tempora zijn er zeven:

4 hoofdtijden: praesens, tuturum, perfectum, en tut. exactum,

en 3 historische tijden (praeterita, augment—tijden):

imperfectum, aoristus (ind.), plusquamperfectum. .

7. Verbaalstam en praesensstam. Alle vormen van een werk- _

woord worden van den verbaalstam afgeleid; vergeleken met den

verbaalstam toont de praesensstam bijna altijd een uitbreiding of

versterking (§ 75 en lO6—1lo). ’

8. Conjugaties zijn er twee, n.l.: `

VeI‘ba op -o9, met VOI‘mVOCaé1I; b.v. uluoi-o-Iuav, uluoi-.2-rs, el’l

verba op -m, zonder vormvocaal; b.v. Etna-yew, ibm-ze.

9. Modusteeken. Van den indicativus verschilt

a) de coniunctivus door de verlengde vormvocaalg

, vefg. b.V. de i11diCa’[iVi naldaé-o-Iuev, ywu6e15—e-re

mét de COHi\.1UCtiVi naedeé-w—Iuev, mu6e6—¢y-zz2,·

» jb) de optati vus door het teeken van den opt.: -i- of -o;- (-le-);

Verg. b.V. de ind. mxzdewi-o-[uw, 2o1o-ze

IT1et de optativi 7'E(lL58'6—OL—Il.L8V, iom-Z-ze (5om-hy-re).

1o. De persoonsuitgangen zijn primaire of secundaire.

Men gebruikt _

_ de primaire in de indicativi der hoofdtijden

en de coniunctivig a

de secundaire in de indicativi der hist. tijden

en de optativi

of in alle augmentvormen en optativi.

Uitgangen der indicativi, coniunctivi en optativi.

H l Activum. Medium en Passivum.

primair secundair primair éecundair`

.. Augment- Augment-

Ind. d. hoofdtijden, Vmmen, Ind. d.hoofdt., Vmmen,

_ Coniunctivi. Optativi. Coniunctivi. Optativi.

| l. Conjug. II. Conjug.

Sing. I — 1) quo -v 5) -,uou —,myv

7 2 — 1) -o1 2) -g -oou 7) -oo 7)

3 —— 1) j —u 3) —— 6) -zou -1o

Plur. I -,uev · -,uev -/42oo -,ue19a

2 -18 -zz-; -o1% -oo2 o

3 —vu‘1) -owzz 4) —v 6) of -oow 6) -vmL . g -vw I

)DLlal. 2 —zov 7 -myv -o19ov --oo1yv

) . 3 -1ov -myv - · -o29ov -o191yv '

OPM. 1. Uitgang en vormvocaal zijn in den sing. van het praes. en fut. samen-

` gesmolten; het perf. wordt op andere wijze gevormd. -— 2. in plaats daarvan meestal

—;; verg. echter het Hom. 5o-oi. -— 3. Zoo in §o-zi, anders -o5. -— 4. wu wordt -vol, i

waama v met vergoeding uitvalt; evenzoo ontstaat uit -avz¤, -¢woi, -ooo — 5. Vervangt

de oorspronkelijke -o (verg. era-m); de uitgang der hoofdtijden -;u wordt gebruikt

in de opt. op -ooo en -oolyz. — 6. In plaats van de oorspronkelijke uitgangen -1, -¤»z,

-oavz (verg. era-t, era-nt); z aan het einde moest wegvallen. - 7. De o valt meestal

weg, waarna -oo en -o met voorafgaande klinkers samengetrokken worden. V

I Uitgangen der imperativi.

‘ ‘ l Activum. Med. en Pass.

` ”—Y_’—**m_;t**—|

Sing. 2 \ -1%, —; Of -— 1) I I -oo 2)

3 -1o) -o19*oo

[ Plur. 2 -te ·G’l9‘8 I

. 3 —vtoov —Ot9(LO’V

j ’ Dual. 2, 3 -zov —O'l9‘OV

OPM. 1. Op zich zelf staat de uitgang -ooo in den aor. act. —— 2. -oo verliest

meestal de o, waarna -o met den voeraigaanden klinker samengetrokken wordt.

lnfinitivi. De uitgangen der iniinitivi activi zijn —s¤» en —¤»ot

(-Fevay; alleen de int. aor. I act. wordt afwijkend gevormd.

I Alle intinitivi van het medium en passivum gaan uit op -o19oo,

behalve in den aor. pass. .

Participia. De participia werden in het activum gevormd met

—¢»z, behalve in het pertectum; het participium pertecti wordt gevormd

I met -oz.

In het medium en passivum gaan alle participia uit ep -o.·;vo;,

-,oém, -oevoa», behalve in den aor. pass.

11. Voor het accent bij het conjugeeren geldt als hooidregel;

Het accent staat bij alle verbaalvormen zoo ver megelijk naar

voren; het mag echter nooit verder naar voren geschoven worden, dan

op de lettergreep, die het augment heeit; daarbij worden -oo en -ol alleen in

den optativus als lang beschouwd.

l2. Verder merke men nog op: I

a) Samengetrokken vormen houden het accent op de samengetrokken letter-

greep, als een der samen te trekken klinkers het accent had;

b.v. 5noLo19,ue19a (uit énoza-6;4a19a), 6o1o5 (uit Bala-o),

7l(ZL68U’l9CT) (uit rcaL6ev19é-co), 6L6o5 (uit dtdd-co).

b) In de qptativi van den aor. pass. en de verba op -ot staat het accent,

zoo mogelijk, op de lettergreep van de modusvocaal (L): natéevdgiygv, natéavdgiav —

zL1}aZ,usv, fairs, cs¢6oZav, fomZvzo.

c) De infinitivi, participia en adiectiva verbalia vallen als nomina

verbalia niet onder deze regels; de participia behouden het accent, zoo mogelijk, op

de Iettergreep, waarop het in den nom. sing. van het mannelijk staat (§ 26, 6).

d) Uitzonderingen op den genoemden hoofdregel voor het accent zijn slechts

die vormen van den aor. II act. en med., die het accent hebben op de vcrmvocaal

(verg. 85, 1); dus: ` I

de 2. pers. sing. imper. aor. med. 6o1oo (uit Halé-o, zie a),

eenige vormen van imperativi aor. act., b.v. siné (doch éizzww).

. § 72. Augment.

72 t 1. Het augment (augmentum, aanwas) is het teeken van het ver- `

leden en wordt gebruikt in den indicativus der historische tijden »

(imperfectum, aoristus, plusquamperfectum), nooit in andere vormen.

Hetaugmentis bfaugmentum syllabicum bf augmentum tem porale.

2. Het augmentum syllabicum wordt gevoegd voor de werk-

woorden, die met een medeklinker beginnen, en bestaatuit Q

de voorgevoegde lettergreep é'; b.v.

mucse75co.‘ e—m1Z6evov, é·.7`EC¢L68'UGdILL77V.

Als het werkwoord met Q begint, wordt deze Q na e verdubbeld:

`é’QQZauov 22). l

3. De werkwoorden, die meteen klinker beginnen, hebben,

het augmentum temporale; het bestaat in de verlenging van dezen

klinker, waarbij de spiritus onveranderd blijft. Daarbij verandert —

a in 7y: éiyw voewm, impf. Eyov,

8 in 772 5/t7zi@'co 7 hop677, ” 77l7'6lCO’V, ’

o in co :, 6n/tiiw wczpmzen, ,, cbmttiov, V

F in Z: i6Q79w vestigen, ,, ?6Qvo¢», j

/47 in 79: 25,8Q£4,`w -overmoedég zyn, ,, 5,6Q¢§ov, ` '

at in gy: aiagjévw beschczamn, ,, ijaxvvov,

qc in gy: éiéw zmgen, ,, gjéov, ‘

av in 7yv: aéédww ve77/rjzeercéeren, ,, Mfavov,

oc in qv: oExt[Qw ’l%eCZeZ@;f.CZ67’L hebben, ,, cjixugcw.

Geen verandering veroorzaakt het augment bij lange klinkers en _

ov, dikwijls ook niet bij at en av. B.v. {

oéwiéfw wo776Zo77, impf. o7Um@`ov,

eixdiw gissen, ,, g§:»¢a@‘ov (naast eiéméov),

eiipgoluae jbidden, een g6ZofZe doen, ,, 7;7?;g6,u,7yv (naast ewiggéjmyv).

§ 73. Reduplicatie.

73 De perfectumstam, waarvan het perfectum, plusquamper—

fectum en futurum exactum afgeleid worden, wordtgevormd met

reduplicatie. e ’

Hierbij gelden de volgende regels:

7 1. Stammen, die met één medeklinker (behalve Q) beginnen,

herhalen dezen medeklinker met s; in plaats van een adspirata dient

de verwante tenuis; b.v. ~

nazéetjw Opvoedew, perf. rze—7za[6svm1, 7

xOQ8?5CO dcmsen, ,, me-;;6Qevxa,

qmjrezfw _pZam‘e77, ” ne-tpzirevxcz,

”t9’}]Q8”L5CO jctgen, ,, zs—o7§Qevxa.

2. Stammen, die met muta cum liquida beginnen, herhalen

l alleen de muta met 8,- b.v.

xlhw Sluiien, péff. xé-xlgyxa

égdw do@%, ,, 6é-égécmx.

3. In alle overige gevallen is de reduplicatie gelijk aan het

augment; b.v.

éiyw weren, impf. Eyov, perf. Exc,

émtifco wapenen, A ,, cfirzlzfov, ,, osrclm<1,

m[§`oJ Siichiew, ,, é'-xufov, ,, éixumx,

azgazaziw ie velde zfrekken, ,, §—orgtizsvov, ,, émrgdzevxa,

Cwyréw zoeken, E1o?. é'—§'1§myoa, ,, 5-Cvjnyxa,

guaviw csmwazken, ,, é'-tpavaa, ,, §’—1,uowxa,`

» éirczw ?.U87]967”L, g ,, Zggzzpa, ,, Eggzcpa.

S1eChtS xwiquaz UGMUGVUGW 118811 meeStél1Z 1 ,, xé-xz1y,uou.

P OPM. Eenige werkwoorden hebben in het praesens een reduplicatie

met at www 85, 3), yZyvo,u<1¢ 11o, 7), ninrw (§ 111, 9), Zbgw

(§ lll, 5), de verba van § 97 en § 1o9, b.

§ 74. Augment en reduplicatie van composita.

. 1. Bij werkwoorden, die met praeposities samengesteld zijn, krijgt 74

het simplex het augment en de reduplicatie; b.v. ‘

sic-dyw, sia-iyov, I sia-Exa.

éx-czgazezjw, 55-eozgérevov, é`§—eorgdzevxa.

2. Véér het augment nemen praeposities, die op een medeklinkei

eindigen, hun oorspronkelijke gedaante, die in het praesens dikwijls

veranderd is, weer aan; die op een klinker eindigen — behalve mgi

en @6 —— verliezen hun eindklinker. B.v. ,

éypid/llw inwerpen, impf. 5v-é,6a}t/lov,

cw/lléyw vettzamelen, ,, ovv-élayov,

_ ov,up’d/1/tw vergeléjken, ,, avv—é§al/lov,

xavazéllw biéjeentrekken, ,, avv-éazsk/lov,

éno-5d/Mw wegwerpen, ,, 6m-é,8aMov,

_ ém-,6é/Mw cr op werpen, ,, é’az—é,5aMov,

yzaga—,6d/Utw me nomslf werpen, ,, nag-é,6a/Mov,

doch neg:-Bd}/tw er om werpew, ,, negt-é,Ba/Utov,

` mgeggéw omstroomen, ,, neg;-éggeov,

ngo—,6<iMw voorwerpen, »,, ago-é,8aMov

_ (Of ngoe5§aUtov, § 18, 2).

OPM. Werkwoorden worden niet `met andere wcorden dan prac-

posities gsamengesteld; van samengestelde woorden afgeleide werk- P

woorden hebben augment en reduplicatie aan het begin; b.v.

déméw omiechzf oZoe%, fjéimyaa, iwixiyxa,

d1?v[uéw moedeloos 1§t%,myo<1, 1%*6/octyxa, . (

6vow%éw Ongelukkig zgjw, §6voz25%1yoa, 6e6vom5%1ym1,

eéwjgéw gelukkig zqjw, iyézijxiyoa, ` iyézéggayxa.

» A. Eerste conjugatie of verba op -oo.

§ 75. De drie eerste praesens-klassen.

vs 'Op verschillende wijzen wordt van den verbaalstam de prac-

sensstam gevbrmd. Vodreerst onderscheiden wij drie klassen.

1. Eerste of oo-klasse: praesens op -oo.

De verbaalstam is door de vormvocaal -o, -o versterkt;

bijna alle verba vocalia, zeer vele verba muta, eenige verba liquida.

zzaeémj-oo opvoeden, zézzéx-oo vervolgen, zgéqo-oo woeden,

mm}-oo dom ophouden, /léy-oo zeggem, 1oo256-oo bedriegen,

,wya»i—oo wrok koesterevz, dip);-oo heerschen, azé(oi9-oo vemvoesten, `

wyvii-oo cwmgeven, zpéa-oo wenden, éég-oo vzllen.

2. Tweede of T-klasse: praesens op -zoo.

De verbaalstam is door de vormsyllabe -zo, -zo ver-

sterkt; bijna uitsluitend (verba labialia; b.v.

( mjyzzcu Slacm, stam waz- (6 mfr:-o;; slug),

{ ,8/ldnzw benoideelew, slam 51o/3- (¢§ ;3loi§—¢y mideel),

xpéazw verbevgen, slam :ooooo- (xgiiqn-o adv. heimeltwc), `

Ociazzw begrcwew, stand wap- (6 zdcp-og gm/`, vétg. § 21, 2).

_ OPM. Op zich zelf staat: f

o'Evézw voltoovZem, slam iivv- (bijvorm o'ivé-w, évéw).

3. Derde of _](od)-klasse: praesens op -jo.>.

De verbaalstam is door de vormsyllabe -je, jo ver-

sterkt; bij de verbinding van j met de laatste letter van den stam

hebben verscheiden klankveranderingen plaats, namelijk:

a) een gutturalis (zz, y, Z) met j wordt zz (oo); ’

b.v. (pv/ldzzw bewuken, stam qavlézx-(oi ooo1o%-ai wcwht),

zdzzw wdenen, wmgschikken, stam szo?y- (6 my-6; ,,mng.s·chikker"),

wzgdzzw U87`7/U(l’I”7"e7’l, t A stam mgdzx- ‘L'CLQGx··7? ’tJ@MULl1"*l’i7Lg).

OPM. Een dentalis met j wordt zz (oo) bij de werkwoordenz

cigizézzw samemzoegen, ordemm, st. eigyoz- (6 zigyoazvjg de persoon, die ordent),

mlaizzw vormen St. :1}.o11- (zd nldalua het gevormde).

S b) 6 met j wordt C; 9

b.v. élazilw hop-em, O stam §lm’6- (n 5/laig hoop),

%(1’l9‘éCOIl1.(1L gacm zétzfen, Siam 56- (16 56-o; ZQZGZ),

dim. Meken, stam 66- ' (6 66-wi od-or).

OPM. C is uit een gutturalis ontstaan, vooral bij werkwoorden, die een

geluid te kennen geven;

oilueéfw weeklagen, stam chewy- (6 oiluwywj weeklacht).

c) A met j wordt U. (verg. {mia, ydmw);

b.v. éilloyae springem, - Stam 6/I- (wb éillua sp¢#ong,‘La’t.Sal-io),

eiyyé/Mw boodschappen, stam dyyel- (6 éiyyel-og bode),

OPM. Aileen van den stam 6¤pe1— wordt gevormd 6<pei}.w, zie d).

d) —owjco, -evjco, Jvjw, -w`jvjco, en -agjw, -egjco, —¢gjw, -vgjw

P worden

—aivco, -.*35vw, —fvco, wfvw, en —a£go.>, —eigw, -fgco, -6gw;

A b.v. qoaivw toonen, stam qmhév- (<pav-e-Q6; zichtbam), W

%d”L9GiQCO Yeinigen, Siam xadég- (xonhg-6; Vein},

zeiyw spamzen, stam wv- (6-rev-ng gespvmmm),

6 amzigw zacoien, stam omg- (:6 még-[ua mad), I

xgfvw oo?‘cZe6Zen, Siam xgiv— - (fut. xgiv-cb),

éilmfvw df?/U87”87’l, Siam &,w3v— (fut. &,m7v-eb), .

CII ook Gqaeilw Schuldig 22771, Siam égvel- (aO1‘. .11 dips}-ov, § 85).

.OPM. Bij xaiw (naast xoiw) doen brcmden, st. xcw- (zé xawilua Mite), V

_ en xilafw (naast xlziw) weenen, St. xlav- (6 xlav-19·y6g geween)

blijft de stam voor medeklinkers onveranderd; de praesentia zijn. uit :·¢&F—jw, xmr-im .

ontstaan. — § 91, 2. 96, 43-44. 2

9 Tot de vijf overige praesens—klassen behooren de onregelmatige werkwoorden

§ 1o6-111. O

» § 76. Verdeeling der werkwoorden naar den eindklank

an van den verbaalstam.

‘ Naar den eindklank van den verbaalstam (kenletter van den stam) 76

Worden de werkwoorden verdeeld in drie soorten:4 9

1. Verba vocalia (of pura), d. i. verba, wier stam uitgaat op een

klinker (tweeklank);

b.v. mu6e15-w opvoeden, M5-w Vlosmaken, zi~w wucwdeeren,

uluoi-cu 669*6%, noeé-w doew, 6o1216-co imf Sldctfmoeken,

. ( 2. Verba muta, d. i. verba, wier stam op een muta uitgaat;

b.v. 6¢c6%-w vervolgem, /léy-eo zeggen, zgégyw Zoopen,

zgéaz-w wenden, /lei,5-w plengen, zgéqa-w voeden, 4

zpm56—w bedréegem, <mév6-eu ple?/agen, mi¢9—w overredem.

3. Verba liquida, d. i. verba, wier stam uitgaat op een liquida;

b.v. ozé/1-}.w zenden, 6ég—eo villen, emeig-w zaaien,

9 véy-w toedeelen, ,uév—w blgfven, x.giv—w oorcleelen.

KAEG1. Grieksc/ze Gramm. 7e druk. · 5

l•> “'

A (E c r s t e

· § 77. Paradigmazi

3 Activum. . ,

77 *—*

lndicativus _ _

*7 __ _ __ Comunctnvus. A

_ der hoofdt1]dc-an.) der hist. tqden. * ,

is · , / ‘ ; ’ l — *4 3 / ` IT ,_ o,/% {4}- N l' A i “

¤-· Sm . I. 7'£(1L58U—CO #4 W*’*¢¤ 8—.7ZGL68U-O—”IG?/ f‘ m1e6év—w V

s.. g

3 2. m1use1s—e¢; 5-m1i6w—e—g azazémi-gy; )

. E 3. mxzémi-sz 5-azaiéev-as v azazésej-

1 _ 27

5 Plur. I . azcuésvj-o-,uev 5-mzzésif-o-yew mxeéezi-w-[nav V

,,3 . 2. noucs.s25—e-ze 5-m1e6.·215—.·;—r.·2 mxzémf-1y-w

§ 3. 7zou6s15—ovo¢(v) 1) 5-amiéev-o-v azaeészi-woz(v) 2)

D. 2 CU, 3. 2raL5ezs—e—1ov A 5-ncu6sv—é-1 v 7zaL6s2s— -1ov

. ...¤g;m¤·¢:::s??*'*¢‘-**** 77 77 _

Sing. 1. rcacciewi-cw .;..¢”?<<·»’»f .»»

_ 2. mz¢5£"6·o£zg J '

g 3. i7'C(1L5£’lj·O8L _

" Piuf. I. awuéa-:6-oo- ev

E H

Li 2. m1e5@25—os—z.s

3. 2zaus.s2}—oovo¢(v) /_

D- 2 e¤ 3~ ¤¤~s8*’·¤8·m

Sing. I. .2-m1us£v—oa rcczzéav-cw

__; 2. 5-2mZ6ev—o<1-g mxuimj-agyg

g 3. §—m1Z6av—oa(v) yzaeéeé-ogy .

*5; Piuf. I . §·.7Z(1l687j—G(1—Il,L8V m1¢6s1}—oco—[usv

E 2. §—mu<se25—U<x—ze mxeéeii-my-rs A

< 3. 5-rccziéev-oa-v vzaiéezi-awadv) A

D. 2 BI] 3. , V ` ¢ 5-Jmg§aZ-ad-nyv V yzq4§g15;—q_¢2,·-got:/I

~ V I. {4; I}. I AM ir`] ;; r,4` J· j ‘;;»>_,!,`/».__;· MJ}! : `

_ Sing. I. 7L'8·.7'Cd[6eiU¥9-UG §-me-az<1e6é15’-my 4) mz-rzae6.sv5—xw i

§ .

.2 2. azs—rcaZ58v—m1-g é-m;-2za¢6m5—my—g are-rcaeéeé-Mg); e¤Z.

Q / 3 ° i

¤·· 3. are-m1L6ev—x@(v) .s—ms—naL6615-xe¢(v) zooals1n he’[ pI'&eS.

m / 3 / S i

E Plur. I . 7'Z8·.7'COlL68U—%(1—/LSV .2-azs-2z<1us@v—x.s-[asv Of

¤' 2 m9—:z<1L5825-xa—re 5-as-azaeéezj-xs-za xemzeésvxcbg S

5 3. ms-nausm5—x5<o¢(v) 3) 5-na—yzae<se25-xs-oa¢¤ 65, EQ, 7

· D. 2 Bn 3. as-m1¢6a2}—xa-wv §—:zs-rrazéw-xé—w7v i7'[8.7IGL`68U%6T8§ S;

'5' Ga" . i

E ‘ _ ciyguev, ma, oJoz(v). i7‘—

` 7Z8.7lGL6£U%6'L'8 ’Is'L°OV )

I) Uit :ra¢6szs-o-vu, .7dL6£75·O··V()'L. ` `

2) Uit 7zaL6e1}-w-vu, 7zaL6s1s-w—vm. ‘ ·

3) Uif Jzsnaiémi-xa—vu, azamziésii-xa—vm.

4) L&”[eI‘e VOI‘men: énsztaickiixanv, —xsL;, —:¢s¢, -xsL;4sv, —%£LT8,, [—xeLoav). .

vocalia. · I

soort.)

m1e5s25w.

_ · Activum. _

‘ Optativus. I Impcrativus. I Infinitivus cn Participium. I

nae6ezs—oe-/M ( ""'% ° _; I /_ ,.7

‘ - » · , ,V», » xw; 6/·>‘°/M

x / / I x

awu6.sv—oe—g azaeéev-.2 · _ { m1e6.·;v-sw

rv I , ,

rcaeémi-oz m1e5.sv—é-rw jg! A·.»‘ »‘ my —— — ————

/ 3 J / ~}¢; Q4., ,»·'f

a·cozL6@v—oL— ev Jmzéev-wv -ovtog

I I

* f/I so)? /

yzaeéevi-o¢—z.s naeémi-6-zeI"A‘*‘<‘” J muéeé-ovoa, -o6my; ·

V ) · ‘." 'H’·‘ {in' ‘ ~

I mzz<se25—oza—v yzazéav-6—vzcoy‘7 mh 2wks·sv—ov, -ovmg

I azaaéév-o5-mv 7'[(lL68l9·s·TO’V ` I ` Ii ,”x”I,AA_[Lé’

` _.—i‘_·l iirl, 5 , 5 X (V I

' Jra¢<s£6*OoL-,uL II; gn I ’;’ ’ ·- ’ I

mxzémi-ooz-g mxzéeé-aew

m1 z5a25-Go; A

‘ x 7 / ’ ( { .»

.7`E(1l(s8U·GOL*/LEV · ,,,1 II, ¤ ,,I .»I~ I ·

I m115.·225—oo¢—r.9 ` mxzézzf-aww BHZ.

mxzémj-com-v '

6 - ’—

”“L§;Q QV Z"? .(I·· A, iw; ,<4a..~ ·

I/;·m3¢~ ;I· V; ‘ 1/

vm; ev-ow—Iu,¢ »> j W *

I av:aecse19—oa¢—;, -o2wag aaiéev-aov ’*“"’ >/5 nou68v—oou

ywe6e6—o<u, ¢oe¢s(1·) fzaeésv-od+zw

_ " » Af »¢’ I. xw » x

nacéw-can-yew iii}/£"" » I { I L V.; mm

V4 , g _

m1¢6s19—oae-rs azaeéewi-aa-ze I‘V azaeéeé-aug, -o<1vrog

mzeéezj-mm-v, -osww yza¢6w—od—vww azazésfé-o6<oa, —odo1yg

.7ZQL(s8U—Ga[-Ujgv · JI(1L6£1j—G(1—'L'O1/ y·ggL(sg§..ggq;) -()’a·y·gOg

azsé?iozt`cse6—xoe-/,u

rcs-m:u662}—xoc-9 6112. ¤Z·S—m1L<sev—%é-"VOM

zooa-ls in het pracs. ‘

I of . I I

\ I / I / ‘

rcamxcéevxwg I me—nc1ecsav-xwg, »xozog I

sZ6yv, .926yg, ::36; rcswzaeéev-xvia, —xv£cxg

mzazazéavxézeg m2—mu5.·2v-xég, -x6zog

eau:-Jv, sire, Jaw. ,

rremxzésvxdzs eihyv I

— i Medium. 3

` . Indicativus 2

__ _ __ Coniunctivus.

) | iderhoofdt1]_den.)der h1st. tI]deI1.l . _

) Sing. I. am¢6.s6—o-Iuaz 5-muéev-6-,myv naeésé-w-,ua¢

g_ 2. m1L5825—sc 1), -3) 5-m1use6 -ov 2) » yzaL5.s15—gy 3) _

E 3. i rzaz6m5—z-ra; §—mu6ev5-e-1o Q rcaeémj-oy-ra: g ”

5 Plur. I. m:ou62v—6-Iuaoa §—rcou6ev-6—lueoa mxL<s.sv—cé—,us19*a I 1

qi 2. :rz<xz6a25—.·2—o¢9.s £—azoz¢6a15-z~;—c1'}e yvazéaei-1)-o2%

§ _ 3. ywuéaé-o-vrcu 5-mxeéaé-o-vw Jzzxzéewj-co—vré;u

D.. Dual. 2 en 3. Jracészi-s-ooov · 5-nazésv-é—o1%yv nazésziwy-o19=ov” ’

3 . _ Sing. I. yzaeésé-oo-,uae . — .... _

_ 2. rcaz6s2s—oeL, -gy ‘

g 3. mxeéezf-as-wu

:5 Pluf. 1. . :1o168o-o6-,um9a

A VE 2. mxzégaj-o8-o198 ` _ i

3. rz<1L6s15-oo-vmu

) Dual. 2 CH 3. :r<u5s19-as-o19ov 3

Sing. 1. 5—¢ccu6sv~-adymyv m1¢6e25—ocu-Iuae

_; 2.. 5-naeéeé-ow 4) m1us.—;25-ogy ,

Q 3. _ 5-m1L6e25—oa-1o :zozus.s25-my-ran A

fg Plul'. 1. 2 A §—zzaL§cv—od-Iue29a a·c<1ecs.sv—oa3—,ua¢9·a ·

`5 2. . >§—7IGL6815·O(1·Ol9`8 azaeészj-my-o1% I ‘

< 3. 5-muéewf-aa-Mo m1uss25—oco-wma

Dual. 2 Bn 3. §—:z<u6sv-ad-o19oyv nanésw}-my·m9·ov I

ES Sing. 1. me-naiéev-[uae §·7`C£·.7ZGL·68?j·Ill.77V nanaeésvluévog o3

g 2. azs-m1i6.·2v—oaL 2 évce-ycaiésv-oo ——

Q 3. are-rza£6av—mL _ 5-as-7za£6sv—ro — —

E Plur. 1. me—rca¢6ev5-,u.·2oa §—m9-mxzésé-,uew9a yzcyzcxeésvluévoe o5,usv i

5 2. rcé-naiéav-o2% 5-rcs-azaiéev-oo8 —— Zn:

°"C.: 3. aze-mxiéavwwu 5-rcs-m1i¢ssv—vzo . —— oso¢(v)

V _ i g Dual. 2 en 3. rrs—Jzai6sv-o19ov _ 5-ns¢2zaL6sz5—m%]v rrs:za¢6svyévw Ewa:

1) Uif 7Z(XL(S£U··;8·o'(1L, naL6s1s—a-az.

aaiémi-ei is dc jongerc, naiéaé-gy de oudere vorm.

2) Uit em1c<ssv—e-oo, Emxc6s1}-.¤:-o. `V A. .\

3) Uit na¢6sv—¢y-aaa, ara¢<ss2}—¢y-aa. ·

4) Uif erwu6sv—oa—ao, §r:az6.sz9—oa—o.

Medium.

, Optativus. I Impcrativus. I lnfinitivus cn-Participium. I .

azazésv-oijlmyv I

` :zozksm5—o¢-o 1) m1us.2v5—ov 2) yzcuéswj-2-m%u

I rwuégé-oe-1o ’ azaeéev-é-ov9w

I m1usev-o£-,ue19q I

rccuéazi-oL-oo8 » rz<1e6e6—a-oo2 · na¢5sv—6-Iusvog

7'CGL68’L5·OL·'l/TO azazésv-é—m9wv :zaz<sw—o-Iuéwy I

I m1L6av-of-o191yv :zaccsm}—s-ooov y;aL6gv-6-//Lgyoy I

azaeéw-coiymyv

I muécé-ooL-o 1) ncuészi-as-oocu

1 azazémi-ooL-1o

yzazéev-ooi—,usoa

mucs.sv5-ooe-o1% rzaL6av·o6-Iusvog

:·causa25—ooz-v1o Jzaeéev-oo·,uév1y

”¤¢68”·<’°[·°’9’7" rcaeéev-o6-Iuevov

mxeésv-oa£—,myv

I 7mL6e25·o<1z-o‘ 1) mziéev-Gow naeésé-aa-o19aL I I

7cocusa25—o<1¢-1o muéev-od—oow

1 :rcou6av-oai-Iue¢9a “

,27'E(1L(s8?j·GGL·O?98 ycausm5—oa—m9.s mxzézav-ad-Iucvog

i azcuéezf-acwvro mxzéev-od—oow nazéev-oa-Iuéwy

JHXMSSU-Gdf-o19’7]V .7t(1L(s8'l5-o(1-O'”t9OV I _ g·;al6gq)-gé-Il/Lgygy

7'IJ£7ZdL(seU[LLé”VO§ eihv

—— 826); mz-rcaiéev-oo ria-rcaeéai-ooa: I

I —— B25}? are-azacéezi-m9co ~ I

I rcemraeéevluévoc sihyev 824/AEV

- aime aim rz§1a·c<1Z6ev—o19*s yza-aaeésvyuévog I

—~ gihaav siav :za—:z<1e6m5-oocov azevzaeéev-[uéwy I

I vr.<:2jzaL6.·2vIuévw eibyv nsmaféav-o19ov y·w-y-;qL(s,gq)-),LéyOy I

1) Uit nou5.sv—oz-oo (F. yrausav-Goc—oo, A. mu¢ssv—aou-oo). ` .

“ 2)} Uit nakssv—s—oo, m1L6e2}—s—o.

Passivum. _ _

lndicativus _ _ _ I

uernoordtljdenldel hm. ujden. C°m°"°tw"S°

if · Sing. I. azcuéewj-o-[uae é-rceuéev-6-Imyv 7`£Gl68?j·CO·[LLGl n ~

g 2. enaeéeé-ez, -gy V 5-m1z6e25—ov yzcuéezfgy ·i

E 3. na¢cs.·215-2-1o:; §—:muse25-e—ro m1z<se25—1y-uu ~

5 Plur. 1. enz. enz. enz e

ui 2. .

i g 3_ geheel gelijk aan het°1\/ledium p.»56.

Oi: Dual. 2 en 3. 4 g I

Sing. I. a·caz<ssv—2%j-oo-,uaL

_ I 2. a·zae6sv~o1§-Gee, -gy

g 3. uaeéev-o6-oe-ral I _

_ I E-] Pluf. I. 7[Gl5e'l)·7.(}77·(7(§·Il,L8’l9d _

E 2. mxe5ev—1%§—o.s-o1% } ‘ I

3. mxeéev-1% oo-vnu I

Dual. 2 Bn 3. I nae6sv-We?-as-ov9ov _

Sing. I. . §—m1e6e15—2%yv m1L6ev—19o3 A ·

,.; 2. §—:zoz¢6ev5—¢91y-g rwuéav-Og-; ·

Q 3. 5-nause15—@%y :z<1usev·oj 2

‘ Plur. I. . §—2z<1e6eu-e%y-[uw I nazéev-@9o5-Iuev I

I5 2. . 5-m1e6e25—o1y—rz naléev-o5-ze

< 3. 5-2·cou<se2}—o1y-Oav mzeéev-19c5oL(v)

Dual. 2 Bn 3. §—na¢6ev-6%-mv naL6sv·z%j—rov

*5 Sing. I. 7'[8·7'[di6£?)·ILLGl §—yze—m1use25-Imyv msrcczzéevluévog 51 I

ug- 2. ms-yzaiéev-anu 5-m2—m1i6ev—oo ——» fg

Q 3. are-mzZ<szv— wu §—rce—m1[6ev—ro ——

E Plur. l. enz ‘ enz. enz.

5 2. .

qj 3_ geheel gelijk aan het Medium p. 56. _

gf Dual. 2 en 3. 1

. Sing. I . .7Z8·.'i'COlL687j·GOILLGL i

gx 2 axe-azazéeé-ae; . / "

Ig 3. m;-acuéevj-vera; I

>< Plur. 1. enz. ·

m .

H 2. I .·

*3 3.

ui Dual. 2 en 3. i i X i

Passivum._ ‘ 7

Optativus. x Imperativus. Jlnfinitivus en Participiuma 4

| ycaedev-o5·,wyv azae6e15—z2—o1%u

m1e6e25—o¢—o 7ZClL(s8”lj·OU

ymuse25—oL-ro ' mxedcv-é—m'}co azazdev-6-Iuavog

eIlZ. eI`lZ.

__ geheel gelijk aan het Medium p. 57.

na¢6ev—¢9¢y-ooi-/myv rzaedev-w%§—oc—o19a¢ -

:zae6.2v—w91§—oo¢-o i 7 .

aza46evA—19*1§—ooe—zo · ‘

d naedev-@91]-ooZ-/ue1?a rcoudav—191y—o6—,L¢evog

ytaedev—o¢§-ooa-o1% rzcudev-1%y—oo—,Leév1y

az<1z5ev—29*1§-ooa-Mo azaL6ev—o1y-o6—yevov

:za¢6ev—2%y—oo[-o191yv

m1usev—1?eZ1y—v , . .

m1¢6ev·19‘eZ1y-g xacdeu-Gay-zz rca¢dsv—2%§—va¢ . —

yzaedev-—29ei1y m1z6av—29io§—zw

yz<1e5ev—¤9aZ¢y—yev -19eZIuev

mzazdev-w9ehy-za -oaZw 2zou6e25—@%y—ze 7 7zoze6ev—19‘aig, -®9évrog

yza¢d.r;v—z9s¢’¢y—oav -oeZw yzixcdev-1%-www mzidav-Oafaa, -1985o1]; _

¤¤»6·w—¤%¤'-wv ¤¤¢6·¤9·¢’¢7-wv m146.w—z?颻, —¤9颻mg

aemudevluévog siiyv . are-na;6ev5—ooaL

—’ aiiyg m;—m156ev—oo

. ——— eiéy m2—nause25—oow 7`E8·76Clks82l·/,Lé§VO§

Bnz. Gnz. '

geheel gelijk aan het Medium p. 57.

axe-azaedav-ooilmyv i ne-maiden-oeo29az

mz—:wu<se23—ooeo » ———t;—— i

V me-rca¢¢se15—oono 1 yzevzaedev-Géluevog

BH2. i

§ 78. Vorming der tijden

vs 1. Praes. en Imperf. _ Vormsyllabe zijn de vormvocalen -.·s, -o,

· en wel: -e vddr cs, c en klinkers,

. -o vddr y., v en in den Opt.; .

‘ new in den inf. is uit is-ev ontstaan. ‘

2. Fut. act. en med. Vormsyllabez -¤.e, -¤o.

` Vervoeging geheel als in het praes.,

maar coniunct. en imper. Ontbreken. ‘

. 3. Aor. I act. en med. Vormsyllabez am.

. De coniunctivus wordt vervoegd als

in ’t praes.

Ondefscheidz nafdavoov en mudaioov,

· naidavacu BU rraedawbaz BH nazdaécaa. ygdwpanf

4. Perf. I act. Vormsyllabez -m achter geredupli-

ceerden stam. Coni. en opt. worden

vervoegd als in ’t praes. ’

5. Plqpf. I act. I Vormsyllabez ->¤a (-my achter gc- I ·

l‘edLIpI. Stélm. Perfecta met 5- als redupli—

catie krijgen geen verder augment. l

6. Perf. en Plqpf. med. en pass. Zander vormsyllabeg de uitgangen

worden onmiddellijk achter den ge- .

redupl. stam gevoegd.

Inf. en part. hebben het accent op de voor- A

I laatste lettergreep.

,_ § 79. Overzicht der tijden.

De verba vocalia of pura hebben, te beginnen met het

de verba op -&m na e, c, pz a, I

- * anders altijd: vg, _

79 I. I Pracsens Activi I 1%y_g&-m jagen I nlm?-w eeren , I

I I Pass. r(9°77Q(;—O·[.L(1L TL/uct-o-[um

I 2. I Ftltl1l‘Ll—m Activi I Uqgé-cw I u/.w§—aw

o7]Qo7-oo-yan 'CtILL1§—ooj{.¢aL

3. I I §·’I97iQ5(—O¢'1 I {>2·'[iIl,L77—O(1 I

e—19‘17g5<—6d-Imyv e·ZLILL1y—¢7d-lumf

4. I Perfectum Activi I

MEG. PZISS. I 16-fgvjgdr-yan za-ri/,wy-ya:

5. Aoristus . . 2-6 at-o W an ca -» I .

I I { I ’l9'Zg5(—o77;·GO,LL¢1L I ‘Kl;LlLL’;77§i9"l}’g-()‘O{lL(J.L

6. I Adiectiva vemania I

I A I ’l977Q5!—TéO§, 'UILL17-‘Eé{O§, _3,

van den Verbaalstam. I

I 7. Fut. exactum. In ’t act. gevormd door omschrijving

· met part. perf. act. en é’¤oyaL (§ 1o3, 2):

I azamxzésvmbg éboluae.

In ’t pass. komen achter den gere-

' d dupl. stam de uitgangen van ’t med.:

_ _ -oo,uae ehZ.: zzamxedazicroluac 6112.

8. Aor. I en Fut. I passivi. Vormsyllabe -8jy, véér klinkers

. en -vz: -oe; in den coni. vindt samen-

I . trekking met de vormvocaal plaats.

De aor. pass. heeft actieve, .

het fut. pass. heeft m ediale uitgangen.

Let op imper. mu66z5e%yu in plaats van`

naL5av1%y29z 21, I). _

` 9. Adiectiva Verbalia. I Gaan uit op -z6;, -m§, -x6v en

I -réog, —zé<1, —zéov.

. muéevzdg; kumzende opgevoed wooden,

. opgevoed; '

‘· I mzedavzéog: moezfemde opgevoed warden,

van de verba vocalia. ·

futurum, in alle tijden den stamklinker lang en wel:

- de verba op -éw: -·q, de verba op -6w: -w, _

‘ de verba op fw: -i, de verba op -5w: -6.

I awté-w dom · I 6(5’Ul(§—Co totsladfmczker2I wyvé-w mmgeven

I .7`ZOLé—O'[l/(/(ZL 6o'Ul6-O']/LGL lu/g7’y#5-o-[uq; I

azonj-cw I I 6o2;/Io3-aw I Iuvyvzf-565 ` I

ymnj-ao-{ua: 5ov}Ie6-ao-luzu _ Imyv1j—ao—{uat I f

5-7zo[1y-aa I 5-(so6/Ico—oa I 5-Iu7jv27-aa I

` e—3‘ZOL17—6d—‘myv é-(so1116o-66-lmyv E-Il,L'I7‘V77—6d—[1uyv

..8-..o;,,-}.o.

yra—JZO[7]-pac ds-GOQMCLJ-,u<x¢ Aux:-/,L1§’V"U—Iuaz

5-7zOL1§—f}¢y-v n I 5-5o11/@s-1%;-v I 5-/,uyvU—1%y—v l

nomy—z%}-comm dovlw-M-soya; ` puywi-1%-aopeu I

awmy-rég, 3. I 5oo/tw-rés, 3. I ,myvU—z6;, 3, I I

» yzouy-zéog, 3. csovZco—réo;, is 3, Inwyvv-réoq, 3, II

§ 8o. Praesens en imperfectum der Verba Contracta.

1. Paradigma rqudw germ.

oc + E—klzmk (8, o;, ec, Wordt 6c (qt),

~ a + O-klank (o, co, ov, oy WO1’dt co (ep).

L wordt ¢ subscriptum.

é `

II I I Activum. I Med. en Pass.

I (,3 . I. nydw {IMC?) nydquaa '£lIl,L(DIl,l,QL

E rqudaeg nlug; nudes ZL/,L(g

L: uydsz IL/LQ, rzydszaz ·5;Iu6raL

3 P. I . ` wuicyev tqudiluev , w1a6,uez9a uIuc6Iu.·21?a

. .,.. 2, zyudeze uIudr.~3 I uIudso19s uludgqis I

E u;.wiov¢n(v) uyghaefvj I uydovmn uILw'jvzq;

·-· D. 2 en 3. nydemv nydszov I zqudaadov uydadov

é 1 . érfyaov ~ §t[Iucov éuyadmyv §'lZLILk6IlL’}]7¤' I

E " 2, Euiuaag étiludg Enpuiov §‘[lIl,l,(QT)

3 3, éziyaefvj §zZIu& I ézqudsro §uIudw

q; 1 , 5zLIudoIu.~:v ézllldlj/LSV Erqccadysda §‘LLILk6ILL£i(}CL ,

4;,; 2, Erqucisrs §uIudr I éuydeads §uIud6i9£ I

Q·· 3, ézfyaov grfywv Euyéovro §uIud>vzo I

E D. 2 en 3. éuyaéuyv éreydzqv §nIuaém%yv ézeydcdvyv

_Y`—

cn 1, uydw uyeb ` uydwyae nIud)IuaL I

I3 , ~ ,. __ *

I T6/l¢iI27§.` ILIILQIQ uIudgy nlug

I -5 3. wwrgy ZL/k; madman uIuduu

I x: P. I. uudwgwv uIud>Iuev n;¢a<b,ue·oa uIua3Iu.·-31941

2. rwdme uludw rcydncds n/,edm% I

I S wy<JIwGL(v) It/,Ld')OL(1d zgudwvzaz uIu,gZ)v·5qL

L) D. 2 en 3. uywymv uydwv I uyd¢ym9ov uIudm9ov I

U5 I ILILL—q?1yv nIuao[Iwyv '[lIl,L(?)/,l,’)7V

3 ` IL/L-(é)1]§ uydozo ILIILQDO

> . uIu-cp?] uydowo upedjro

E P, 1 , uydoayav uIuqT)Iu6v -o§¢yysv n,uc1oz'ys¢9a '[LIl,LQ(5Il,L8’l9'Q I

*5* 2 n/Miows I],/,l,é:)I8 -oQms u;4do¢m9.s uIu@m9g

O zqudonsv uIu@5v upuioevw u/,;q5vrg

D. 2 er1 3. nyaoimyv uydmyv —qn§z1yv I I u/.¢aoio1%yv uyq3o19¢yv

' I S 2 I H//u<1·*3 TZILLQ I rqudov {gud)

*·' · ·

E I 3, I nyaézw rhudzw I uIuaéo19cu IL/,L(iOil9‘Q()

a P. 2 mydars Zqudte r¢,ué8G¢9e TL/»L&G/I9`8

E rquaévzwv ILILL661/ZOJ'l’ uIuaéo19wv IL/»L(iOr/l9IC()V I

>-· D. 2 en 3 uydszov uydxov zepdsadov uIudm9ov

Inf, I zqudsev uIudv U I uydeadaa n/,edm?aL I

` I wuiwv uygbv, -d)vzog I uyadysvoq t¢Iuc6,u6vO§ I

Part, I uydowa uludjaa, —(L3o77g` I zlquaoyévq nIuwIuév1y

I uydov u/,ed>v, I —d)vzog I TLIlM16ILL8VOV uIuc6Iu£vov

` OPM. 1. Daar de uitgang vain den inf. get. uit e-av sameugetrokken is, is deze

VOI`ITl u dv, 6o11}.o6v Hitit u dv, dovloiv .

Iu N. _

2. Pafadjgma noeéw oloow, »

e + .2 wordt sc. _

2 ·I· o WOI‘dt Oo,

_ e gaat in langc klinkers en tweeklanken op.

`—_ '""‘* t____.;......;— —- . —._I

II I I Actxvum. I Med. cn Pass. I

I `_ `?`—"—` *; ¤

I qi nocéw JZOLQJ yzoLéoIuaz UZOLOQUILLGL

E 2. froééwq 9tOL6Zg noeéez (gy} 77:o58Z

L-: 3. rrwésc 7wwZ noeésuu y·mwZmZ

cvs nozéoysv 7zo5o75/,55v ’ noL£6Iu819a ;T¢oLo?jIl,L£?9a

o . , ~ ~

.... Z. nozssw JIOLLIE nonésozis £7IOL8LG79`8

E 3. rro¢éow¢(v) 2roLo5o¢[v] rrwécvrae noLo5vr<1¢

·-· D. 2 GU 3. arméezov yzoaehov no¢é.sms*ov nozsZa1?ov I

E S, 1 , énoisov éyzofovv émusdmyv é’yzo¢o25Imyv I

E 2. énofesq ércoiszg émnéov ` 5noZoZ

‘ 3 3. erro¢'&@(v) Exoisz érmcésw eyzo¢eZro

I ··: P. 1 , ézrméoyev §yzoZo5Iu.ev I I e2ro¢s6;wv9a §2zoLo2}ILL£19a 4

QJ Enocészs §.7IOL8ZI£ e:zoLé6oos §7IOLeZ6?9£

I Q' 3. érzoisov Ercoiovv érrocéovro éyzozoiwo

E D. 2 en 3. 51zowér2yv érrowfnyv enoLséc19¢yv §uoLs[o1%yv

`+”_&`;`

Q I , ncuéw aww) muéwpae yzo55Z)/5515

emzégyg » yzo5§g muéyy yzmj

·•-· , rzoeégy 7`COL77 nozéqzac .7'£Ol7§T(1l

U L

C1 P. 1. mnéwyev azou;uIuev nowo5;w9a now3Iue19a

` aroné rs .7zOL NZS nozé o1% HOL ~O7.(}8

77 77 77 77

S 3. azozéwcqv} yzokBoZ(v] nozéwvme yzo5cBvw;5

L) D. 2 611 3. nozénrov Jzonjmv JIOLé7]O79’OV :zow§oi}ov I

, S. I . azoL—oZ¢yv rrowoiwya; :zozo[Imyv

an , , -~

;; 7`EOL—OL7y§ azowom 75o5o5o

I 3. J1:oL—oZ1y ‘ nonéono yw5oZzo

E P. 1 , nocéoqusv JZOLOZILLEV -oL’¢yysv :·zowoz’yev9a yzo4o[Iug1?o5

*5-I 2, muéowa 7zoLoZte -oz’¢yrs 7KOLéOL()"l9'8 y·5o5oZm9*g

3. muéowv yzo5oZ.sv muéowzo yzo5oZwo I

O 1 z / z ;

D. 2 an 3. amwomyv awmmyv -onyz¢yv noLemm9¢yv azoww1%yv

~·-= S. 2. stoics noise I nméov rcowo _

CU ` I · I `

I L. 3, nowezco yzowiw) I 7ZOLe£6'l9’CL) 7IOL8[()'Q9‘(j() I

at P, 2. nocésrs 7toL£Z1.e .7IOL6(8()'l9’8 yzo55Zm9g I ss

E noesévzwv Jzozovjvtwv nmeéo1%ov Jzocdoolgwv I

·—— D. 2 cn 3. mnéswv nowizov :wLé.sm9ov nowZm9ov I

Iflf. I Jzméew HOLEZV · I &'lOLé(8(X'l9’GL JZOLEZOIQGL

I muéwv r5o5(3v, —o5v·5og I armséysvog JLOLOUILLB1/O; II

' P 3, I' '[. nméovoa .7tozo56<1, -o15myg nocsoyéwy noeovyévyy

I I mnéov :1o5o151}, -o6vmg nozséyevoapss `azoeo2}Iuevov I

E c-: n 1 e ttc rg rc p1 gc stammen op -.s trekken slechts tot —a¢ samcn;

dus bv. arléw, zz 2 a Zg, rr 1 as Z, nléoysv, at 1 as Zz 8, nléovow, azlégyg, En 1 e Z g,

5:1/lee, Snléo/Lev, 5fckZr s, 7z}.sZv.I

3. Paradigma 6oo16o; 25o25 slaaf mczken.

o + e of o of oo wordt oo,

o+ 1; of o6 wordt o),.

o -{— tweeklank, waarin ; voorkomt 8;, o;, wordt o;.

{ { . { Activum. · { Med. en Pass.

* U5 6oo166o 6oo162) 6oo16o,uaL 6o1)/1o17,LL<1L

ZS 2. 6oo166%* 6o211oZg ,6oo1622; {gy) 6oo1oZ

L; 3 6oo16sc 6o111OZ 6oo16emc 6o1}1o17‘E<1L

*3 1 . 6oo16o,uav 6OU1o17,LL”V 6oo1o6,us29a 6oo1o15,o;.929o

E 2 6oo1ors 6OU)1o'l7'L'8 6oo16oo19o 6oo1o27o2%

;·_ 3, 6oo1<5ooo;(v) 6oo1o17o;[o) 6oo16ovm; ‘6oo1o27vmu

"" { {7.26113. 6oo16swv 6oo1o17oo1} { 6oo16eo29*ov 6oo1o17o19ov

E: S. I . §6o191oov 56oo1ooo 56oo1o6ooo 56oo1ooooo

:3 2_ §6oo1os; 56o251oo; . .é’6oo16oo :56oo1o17

cg 3_ §6o2}1os(v) 56o171oo A 56oo16sw .*76oo1o17IO

··T P, 1, §6oo16o;;sv §(sO'()1o’lj/,L8V e6oo1o6o·sw9*a .66oo1o2},o.911o

<u 2, 56oo16ezs 56oo1o27rs ' §6OU1(18OT28 .E26OU1.Oi7O"l2£

Q 3, §6oo1oov _ 56o151ooo { £6ov16<ww 56oo1ooo1o

»-· D.2en 3. 56oo1oémv §6oo1oo12yv I .e6oo1oéo192yv 56oo1ooo19wyv

{ 6oo16w 6o1116;) { 6oo16o124o; 6o”o1CZ>,LLdL

> 6oo1637; 6oo1OZg t 6oo16;; 6oo1oZ

E 6oo16o 6oo1.o2, 6oo162;1a¢ 6oo1(DIGL

{ C2 6ov16co,uav 6OU1CT),LL£V 6oo1oo3,us1‘}a 6OU1.CZ>,u819(1

6oo16o18 (6o1)/1CT)'68 6oo16oo1% 6o1)/1eYJG19"£ {

S · 6oo16wo;{v} 6OU1CT)GL(V) 6oo16owm; 6o1)}.651/{CLL ‘

(J D. 2 QU 3. 6oo16171oo 6oo161oo 6oo161yo2?ov 6oo1o7o19ov

_ { S I. { 6oo1-Ohyv 6oo1ool’1uyv 6oo1oZ/,;1yo 1

Q 2. 6oo1-oi1yc; { 6oo16ow 6oo1oZo {

6oo1-o£1y 6oo16o;*:o 6oo1oZzo

E P, 1. 6oo16o2ysv 6oo1oZ/,;.·;o ·o;’1y1;sv 6oo1oo[,ue19o; 6oo1Oi/1;,519g ~

*6* 2, 6oo16ons 6oo1oZre -o52yzs 6oo16o;o29.<: 6oo1oZo1?.<;

Q 3, 6oo16o;.2o 6oo1o5.9o 6oo16owm 6oo1oZwO

D.2eI13. { 6oo1oo[mv 6oo1o[myv ·OL’/jT77V 6oo1oo[o1%yv 6oo1o[o291yv

,.2 S. 2. { 6o191o8 6o251oo 6oo16oo 6o221o172

EE 3 I 6oo1o.éww - 6oo1o19rw { 6oo1o6o1% 6oo1o15o1%;) {

gl 2 6oo16ooo 6oo1o171.9 { 6oo16sm% 6oo1o17o1% {

E, 3 6oo1o6vmw 6oo1o25vmw 6ov1oéo19wv 6oo1o15o29wv _

'*‘ {D.2e113. 6oo1681oo 6oo1o271oo { 6oo162oooo 6oo}.o17o17oo

Inf. { 6oo16oo; 6oo1o17o { 6oo16oo6o;; 6oo1o17ooo;;

{ 6oo16cov 6oo162)% ··O27VIOg 6oo1o61;.2oo; 6oU1.o?5,LL£VOg`“

P El I' 6oo16oooo 6o”U1.o17GOt, -o15oo; 6oo1ooo6oo 6oo1oo/1év2] O

6oo16oo 6oo1o27o, -o5i/TOQ _ { 6oo1o6;;.oooo 6oo1o15,usvov 1

wCP1v\. 2. In den Opt. zijn in den sing. bijna uitsluitend de vormen met 71 in

gebruik; in den plur. meer die zonder o.

‘OPM. 3. De samengetrokken vormen van den 3. pers sing. hebben geen

v 5o2o1o.: ézéua, §7zo;’s;, .e6o291ov. '

f ’ 2. Verba muta. f

(Tweede soort.) ` - ·

l § 81. Zij vormen hunne tijden, te beginnen met het futurum, door 81

dezelfde vormsyllaben en dezelfde uitgahgen als de verba vocalia.

Hoe echter de vormsyllaben en uitgangen volgens de klankwetten ver-

~ bonden worden met de kenletter van den stam, vordert een afzonderlijke

verklarihg. *

l. Bij de dentaalstammen valt de dentalis '»

vddr cs en x weg (verg. § 2o en § 39,1);

I en gaat vddr andere dehtales en M in o over. . A

OPM. Bij mévéw plengen heeft ovcral vergoeding plaats (§ 13):

f cmévdco, amziaw, é’<mszoa, (Eczema], éimaealuae, §cms£m%yv.

2. Bij de gutturaal- en labiaalstammen wordt

met c elke gutturalis E, elke labialis lp, (verg.§ 2o en§38),

V66f/» » .. an ., » . M. I

véér v ,, M, ,, ,,_ fc.

avéér o ,. ,. x. .. .. <p- A

Bij deze stammen ontbreekt het perf. I act. op —m,· als zij

een perfectum act. hebben, dan is dit het perf. ll (§ 87).

s ‘ 3. Overzicht der tijden van de verba muta. I

I Stammen Q/U//LVC<5— (1QILLO'E·· 7IQO(}’· %,Q’UQ9-

. I Oefenen, Isamzmvoegem.1 dome. I verbergen. I

f Act. Praes. I yvluvdéfw dgyézzw f ngéziw \ xgénzw

! Fur. yvluwf-aw dglué-aw f Jzgéfw xgéyxw

Aor. Eyziluwi-ca Hg/1.o-oa éhgdfa Exgmpa

Perf. ` yeyéluvo?-xd Hypo-xd (§ 87, 3. b) (§ 87, 3. a)

M.-P. Perf. ysyduvaa-local Hgluoo-Iuae azéyzgiey-[ual xéxgvlu-[ua;

Pass. Aor. éyvpvda-w9¢yv 1§g,u6o—o1yv I §1zg&;g—¤s*1yv éxgéqa-o1yv

I Fur. EX. — —— r nervgéfgluae xexgtitpoluae

E Adi. Verb. yvluvaa-16; I dg/.¢oo—16g yzgéx-16; I xgwnzég I

ll ‘ yvluvaa-zéog I cig,uoo—zéog ycgéimréog I xgvrnzéog i I

§ 82. Conjugatie van het perf. en plusquamperf. Med-Pass.

sz l. Daar de eindletter van den stam moet geassimileerd worden

aan de beginletter der uitgangen en a tusschen twee medeklinkers uit-

valt, zijn alleen de volgende verbindingen mogelijk:

bij dentaalstammen bij gutturaalst. bij labiaalst.

GM VM . MM

G I 5 lp .

or zz m I

o6* · Xo gm?

2. In den 3. pers. plur. kunnen de uitgangen wma en ww nietaan

stammen op een medeklinker toegevoegd werden; daarom wordt hier

steeds omschreven en wel door het participium perf. pass. n

in het perf. met .~:iaZ(a»),

in het plqpf. met rjmw. -

3. Paradigmata.

II I Indic. Perf. I Plusquamperf. I Imper. I Inf. en Part.

§ é'1Iue:vo—IuaL I §1Ium5o—Imy1} {i"’lIl}87.7o'—’I.9`GL I

, Erpev-can I é%psv—oo Erpav-oo I

Q OE é'1Iuavo—mz éipava-1o §1pe6o-Ow _— _»

S §~ éwséa-/Asda I éwaéa-/,¢soa e1Iuavo—Iuévog

Og ejwsvc-Os 3 l I gi/»avo—¢9.s 7 %'1pa2io-I1;.2 I éggusvo-Iuévry

g I §;»;¢;<;9;svo¢ .swi(v) I gqzjjgijzgriglzifvoe wav Igjjgijzénlgovwv I SIIUEUO Iwsvov

__ I C7`Eé7`CQ5(}7*‘Il,LGL I §7[87IQ(i}7—Il,L77V I I ·£7`£8.7ZQ6l'x·’l9(ZL

§ I néyzgaéaz s éyzézzgafo néyzgzifo

rg I? reéazgcxmrae énéngax-zo msazg<i;g—ocu —; `;

3 gj nayzgdy-Ium9<1 errsazgciy—Iu.s19a nsngéy-Iuévog

IE I ozéazgax-1% I érzéyzgapg-Ge N Iazé:zgoz;g—oa I yzeyzgay-Iuéwy

EJ neupaywévor eZai(v) yz.mgay—Iuéa»oL ijaav nengdx-dmv; nmgayquévov

azénga;g—19’ov I §nangd;g—1%yv yzéngayg-19ov I

g` w··is2<@¤?M·u¤¢ I ·§y·§y@¤iM—/Mw I I V r8r@&<2¤-WL

RQ é` ?’§7Q¤*/ML I I f?’§2’Q“"*/JO I7e7Qojt/JO j

E RS Q/8}/QG.7I•'CClL 8y£yQd.7'E··'EO IQ/8}/QGQU·”l9Co »

.2 Si yeygoiIu—Iusv9<1 £yayg<iIu-Iusrda I I ysyg&Iu—Iuévog I

8 ·¤ yéy@<¤<,v·oe éyéyeaw-#8 yéyeaw-*98 MQGM-Mévv

I g` W yaygaluyuévoe aEOZ[v] ysygaIu-Iuévoz Zaav yaygdrp-29o.wI yeygalu-Iuévov

II gf I yéyga<p—29ov eysygd¢p—1%yv Iyéyga<p—1?ov I I

4. De drie werkwoorden azgéqaw dmaierqzgémb wendew, en zgérpw I

voeden veranderen de e van den stam in o%:

ébzgaluluaz, rézgapyaz, zé29gaIuIu<1¢ (inf. zm9gd<poa¢].

5. Opeenhooping van medeklinkers wordt vermeden;

b.v. in :zéne,u,uou van rcéluazw (niet nénaylu-yar).

3. Verba liquida. I

(Derde soort.)

§ 83. Futurum en aoristus I act. en med. »

` 1. Het futurum wordt van den verbaalstam gevormd door 83

achtervoeging van .

I (—éocu, -éw): -63, -6Z; enZ.

I waarbij wordt samengetrokken op de wijze van het praesens der verba

contracta op -éw (fut. Atticum).

I In den aoristus I valt de a van —aa uit, waarna vergoeding

plaats heeft in de laatste lettergreep van den stam. Daardoor gaat

&na¢en.goverin&: maivw bcvlekkew, st. Iam- f. /.u&vd>. aor. éyiawa,

vzegaivw volfooien, 2zsIg5w— negévrb I énégéva,

£mde1‘S in 1;: cpaivw zfoonen, go5w— <p&vas, é’gmyva,

» I %(1?9(1iQCl) rei?/zigen, xao&g-· xa@?&gcD, émnwvygrz,

I 8 in ez: dégw vzllew, deg- éegcb, é’6eega,

F in Z: xgfvw oo1"deoZew,_ xgiv- xgivé, Exgiva,

17 in D: cifuivw CL]oZU87"e7’l, dzluév- &,m7vc5, Hlewva.

3 3. Paradigma oré/Mw zemien. ’

II I I Indicaiivus. ICOniunctivus.I Optativus. I Imperat. I Inf. I Part.

s.1. o16}.-o5 cw}.-o[ -v cre}.-xiv . azslwfw, -oz7vzo;

17 I

II . 2. owl-sig 6:8,1-my-g ami-m7aa,—ovmy; I

I § 3. aw}.-ai ars}.-oiq are/1-o5v, -O'j1"ZO§ I

__2 P.1. ozs}.—o17~Iusv oral-oZ—;¢sv I

*5 2. aw}.-ei-rs c¢sl—oZ—1s

gc 3. or.s1—o17m(v) oral-cis-az

E D. 2 e1’1 3. cre}.-si-1o1: cre}.-o[»uyv

‘§ IS. 1. O"Z8A·O’l7·Il1,(1L az.s}.—o[·[wyv I Ioze}.—sZ-o19ae ore}.-o*6-,usvo;·

L , 2. o181-sZ{§) me/I-oZ-o I - Gz8l`OU'{1·év77_

§I 3.. o‘zsl·eZ-za; o18}.-oZ-ro· ars}.-o21-peevov

I L5 P. 1. cm}.-o15-Ius19*a GZel—OL,·ILL8l9’(1 I I

I g 2. are}.-si-o1% az.¤:}.—oZ—o19e _

3. azeA—m5—vza¢ aw}.-oi-vzo

I D.2en3. ars}.-si-ooov arsl»o[—m%yv I _

I I s.1. 5-area/la orsilw azdlaa-yn azsilan orsilag, -avzog

. · 2. é'-azula-g crsnlgyg Grail-sea; czsilov arsflaoa, -o261];

I g 3. .e:'—o1ezle(v} oreilly aref}.-wefvj czedd-rw I Gtsflav, -avzog

I3 13.1. 5—o1e[}.a—y.sv aref/Iwyusv azsilaayuev

`5 2. E—oreL7.a—1s azz!/Ivy-rs azeilae-xs azsila-ze I

.I Q: 3. éiazszla-v azse’lw<n(v) oreL'l—.·2¢av czceld-vzwv

D. 2 CU 3. E-azszld-mv ars[}ny—zov ore¢}.a¢'-mv ars[}.a—rqv

.2 I

*5 S. 1. E—orez}.d—Imyv ore[}.w—Iua¢ azezlaiymyv I azsila-o19cu crmldqusvog I

· <Z 2. 5-aref/lm arailvy azsflaz-o czsilae arazla-Iuéwy I

I . , » , . , I

§ 3. 6-azsula-1o azeclmzac arsnlauzo a1:s¢}.a—ooco Grazia-ysvcv

I Q 1).1. E-crsald-ys29a arszké-,usoa arszlaf-Iue1?a II

_ °’ ·2. 5-o1e[}.a-o1% aref}. -o1% o1s[}.az—m9·s czsila-oo:: I I

2 "

I 3.I e—ors¢'}.a~v·ro ors¢'}.a>—vrcu czsflacwro 6zsc}.d—oz9a>v

D.2en3. £—aze¢ld-o29vyv oza¢'}.¢y-o19ov oza¢}.a¢’—m%yv azaila-o19ov.. _ I II

` _ § 84. De overige tijden. A ‘

84 1. Zij worden gevormd op de gewone wijze; daarbij is slechts

dit op te merken:

a) nv aan het einde van den stam vddr x wordt y; J

b) v aan het einde van den stam védr /.1 wordt a; ` I

‘ c) a tusschen twee medeklinkers valt uit; l

d) de a_van éénlettergrepige stammen wcrdt a (verg. § ll, 3. extr.). _

2. Overzicht der tijden van de verba liquida.

P ’ A- b cl- .

Stammen. I qndv- 1foo%6%. I agggmppgz. Iam/I- zenden. Icmeg- z6mzon.I

Act. PraeS. gvaivw dzyyé/IE o1éMw o:18Zgw r .

Fut. <p¢Yw—c5, -:2Zg ciyyel-cb, -8Zg o181-6), -8Zg (meg-{IJ, -sZg .

Aor. é'-qvvyva Hyyez/ta s:'—o1.·21kz é'-cmazgcz

Perf. a1é—goc1y—xa Wyye/I-za é’—o1a/I-xd éfwszag-xa

M.—P. Perf. 21é-go<16—,u<11 o7yye/l—,ua¢ é'-om}.—,11a1 é’—oa1ag—/M11

Pass. Aor. 5-cpdv-o1yv ¢§yyél-Oayv (5-a1d;t-zyvj (é-mdg-m»§86,3)

Adi. Verb. cpav-16; dyyel-16; o1111-16; · o:1o%;-16;

goow—1éog dyye/I-1éog o1c1l—1éog o:1dg—1éog

3. Conj`ugatie· van het perf. en plusqpf. Medii en Passivi.

I I Ind. Perf. I Plusquamperf. I Imper. I Inf. en part. I

_ 7IéQ9G()'·ILL(XL Erzecpdglzuyv ‘ 11egvoiv—1'}cx1 »

§” yvéqodv-can §y1é<pav—oo JIPEQOCLV-OO . A

- § i 7Zé av-1111 éqilé cw-1o me dv—19w

Q ,5 (P (P QD

I `°`“ S :1e<pdo-,1121% éyzarpda-,1m9·a a1eq2qo-,uévog

E rzégpav-1% é`a1égz>av-o.2 :1égvow-1% y1eqaao-luéwy

S. I a1e<p<1o-,11évo1eZo£[v} 71e<pao-Iuévoz Zacw ¢1ego<iv—owv rcarpcca-Iuévov

a1é<pow—oov énszpdv-2%yv yrétpav-19ov P

,2.:; Hyyzs/I-[uae ¢§yyél—/uyv 1§yyé/I-Ha:. `

§n§ Zyya/I-ade Hyye/T-oo Hyyal-oo I

E Zyys/I-1<1¢ Zyyel-1o . éyyél-Ow

tg §· 1§yyél-,uaoa 1§yyé/I-/,1.s2}a éyyel-/Aévog

Yi § Hyya/t—*a9e Hyyel-2% 17yys/t—19.s 1§yyal—,uéw;

n§`§ éyyzl-,uévo¢aZo£(v] 2§yyel—,uévoz Zacw éyyél-Uwv 1°§yys}.-Iuévov

8; Hyys}.-29ov f;yyé}.—2%yv iyyal-19*ov

‘ 4. Van verba liquida wordt Qgeen fut. exactum gevormd. —

5. Over ,6dU.co, xllvco, xglvw, 1a[vco Zie § 91, 4. 6. 7 eI1 Opm. I

i 4. Tempora secunda.

. Y l. De aoristus Il activi en niedii.

§ 85. 1. De aor. II act. en med. wordt van den verbaalstam 85

met de vormsyllaben -o en -o gevormd, zoodat zijne uitgangen

in den indicativus met die van het imperfectum,

1 overigens met die der correspondeerende vormen van het p raesens

Ovcreenstemmen. ‘

Vier vormen hebben echter het accent op de vormvocaal, nam-elijk:

in het act. de iniinitivus en het participium: 5o/leiv, ,6o1o3%

in hetmed. de 2. pers. sing. imper. en de inf.: 5o1o5, pialéadai.

2.· Paradigma.

lmdicativus.1 Coniunct, s()ptativus.i Impcrat. I Inf. en Part. ·

{ 5-,6o1-o-v , ,66z1-cu #(21-oe-[ue · IJ

I é'—[>°a1—e-g [so21-gy; 5o21-o1-; @21-e ,5o1-dv

= é'-,8o1-dv} §oi1-gy p’d1—oz ,6o:1-é—w> —-—;

,,2 5-,6o21-o-Iuev ,6o21-oo-,uav §oi1-oe-/zev ,6o:1-cév, -6vzog

*5 é-§ci1-2-za 5121-1y—ze ,6’d1-oe-rs ,Boi1-s-ze 5o1-o5oo1,-o25o17;

< ’ é'-5o1-o-v I §oi1—o.>oe[v} §d1—oez;—v ,6o1-6-www 5o1-61/, -6vrog 1

5-5111-é-·myv ;?d1-¢y—rov 5o1-o[-mv 5o1-é-zov

} 5-,6’o¢1—6,u1yv { ,6o1-co-[ua; l ,6o:1-oi-Imyv I g I

· 5-,6oi1—ov ,6oi1-gy §oi1-oc-o so1-o5 ,6o:1-é-ooo4

] gs 5-5o21-.2-1o /6o21-oy-me ;%t1-oe-1o 5o11-é-ow9·co ~—— —-I

1 E4 5-,8o1-o-/zeoo ,6o1-o3-/zeoa 5o1-o5—,u.·;29oz 5o11-6-,usvog

gt S-,Bot1-a-o2% §oi1-1y—o1?e [M1-oL-o1% ,Bd1—e—ov9e [so1-o-/zéwy

', 5-§oi1-o—vro ,6o21-oo-wma §oi1-oz-Mo 1 §o¢1—é-o19wv 5o1-6—,u8vov

M 5-;9a1—é·o1%yv /36.1.-7]-o19OV /5a1—o[—o2%yv ,8d1-e-o19ov I]

———-———————-— _{

3[In Attisch proza zijn slechts van de volgende regelmatige werk-

woorden aoristi II in gebruik:

‘ rixzw Uooribrengen, St. rex- Ezexov,

dvd-xgdfw Schiteeuwen, xgoYy— dv-éxgéyov, o

na£oo,uou gehoorzamen, aw}- §azm%,myv (naast 52zeio¢91yv],

/3o211oo werpen, A 55:1- é’,6&1ov,

ward.-xaivw dooden, min}- xm-éxdvov,

6<pei1w schuldig zyn, ogo.s1— o3ooo/iov utinam, o dat ik,

met inf. § 169, 4. Opm. z

» en, op bijzondere wijze gevormdz

o'iyw ooo2*6%, dy- %yozyov, 1§yo¢y6,myv (reduplicatie),

'CQé7ZOIU,(1l zich wendew, zgeaz- étgérréwyv (kl&¤kWiSSeIing).

De onregelmatige werkwoorden, die een aor. II hebben, zijn zeer talrijk.

A KAEGI. Grieksche Gramm. 7e druk. 6

I 2. Aoristus II en futurum ll passivi. `

86 l § 86. l._De aor. II en het fut. II pass. voegen enkel een -y, védr

klinkers en vv een -s als vormsyllabe achter den verbaalstam. De

conjugatie is geheel dezelfde als in den aor. I en het tut.

I pass. (§ 78, 8); echter wprdt in den 2. pers. sing. imper. de uit-

‘ gang -oI niet veranderd: awixlly-ih. I

2. Verscheidene aor. ll hebben intransitieve beteekenis.

3. In Attisch proza worden van de volgende werkwoorden bijnal

uitsluitend de aoristi II gebruikt. ‘ ‘

ygdqpw schryven, st. ygiap- aor. II éygétpzyv,

5/Idmw beschadiyen, play- I éplépm,

lgdictw beg?”Cl?Je7’l, map- éwiqvnv,

` xdrczw Shmn, I non- éxémyv,

axdmw hakken, ymven, amzqp- .. éandtpm,

&/I/Idnw vemnderen, I dlxlay- ij/I/ldynv,

Ugvdttcu 8l;6khi8·7’L, mpéy- Eaepdynv, . ‘

oIpd/I/tw bcdrieyen, ogmiit- éaqodlnv, pass. en intr., I

_ - /.L(zZI/OILLGL 7”CL.Z8I7”L, 4 nav- éydvnv,

cpaivoluae ’oerSch@jn2n, y cpzfw- Sepdwnv.

Stammen met den stamklinker za veranderen deze in (1:

rgércw wendcn, st. ryan- 21ot. II érgdmyv, pass. en intr.,

cngégvw draaien, azgup- éazgézpnv, pass. en intr.,

rgéqyw voeden, weep- ézgcitpnv,

dépw UZHGW, dag- Eddgnv, .

x/Iércrw Siclen, I n/tara- y 5%/Idrcnv,

azél/tw" zenden, uiwfrnsten me/I- éowi/Inv, "

emaigw zcwzien , (msg- émdgm, an ·

dw:-go1'}eigw vernieiiyen, <p19ag— dz-s<pv9otgny, pass. en intr.;

slechts cw/I-/léyw verzamelen, lay- heeft avvwlléylyv.

OPM. 1. Onderscheid: eipdwyv ik verscheen, van maivoyat vevschfynen,

en eqyavam ik ward yetoond, van qvaivw toonen.

OPM. 2. De aor. II pass. komt alleen voor van werkwoorden, die

geen aor Il act. hebben, slechts zgéxw heeft alle aoristi act., med.

en pass, namelijk

~ in he'[ &C’t. é’rgs1,ua cn é%gam>v ik wendde, I

_ in het med. ézgswdlmyv ik joey op de vlnchi,

_ en érgarzélwyv ik wendde wry, ying op de vlulcht, BV

Vin het pass. Etgéepzhv ik ward yewend, · I I

en ézgdmyv ik wand yewend en wendcle any.

3. Perfectum ll en plusquamperfectum ll activi.

§ 87. 1. Het perf. II en het plusqpf. II act. werden omniddellijk 87

van den geredupliceerden verbaalstam zonder x gevormd door achter—

voeging Vélfl -<< eI1 -1];

b,V. ygzlr/ro .~‘¢‘/[rf/¢.‘(’ii, St, yg4<q’—, perf. II ;*#;*gi<q’~-rz,

plqpf. II :3-yaygrly -2} /s11*/_

Zulke perf. II en plpqf. II zpnder x komen slechts van verba

muta en enkele verba liquida voor.

De conjugatie is geheel dezelfde als in het perf. en

plusqpf. 1:

perf.i11d. yfygrzq —rz, wg, —e‘(6j QUZ., pfqpf. Fyeygriry 1/ —w*, -2]: —ez;, —e‘1(1j —m enz.

COHL y·°;'Q<Z¢/`—¢/», —gj;, —]] CUZ., opt. j‘&’j’Q¢Zrf-(1/lzzz, -o1;, —<»1 eI]Z,

inf. ;·e·yg<1q‘-é-1*u:, part. }'¢"}'Q(1Y/·e/SC, -z·Za, -:5;,

-nm:, -z·zu:, -<m»;.

2. De verbaalstam kan in het perf. Il enveranderd blijven;

vaker echter wordt hij veranderd, terwijl

Of gutturales en labiales op het einde van den stam geadspireerd worden,

Of korte stamklinkers veranderd wprden,

Of adspiratie en klankverandering beide plaats hebhen.

Verscheidene perfecta ll hebben intransitieve befeekenis.

3. Onder de perf. Il van regelmatige vverkwporden lette men vooral

e op de volgendez

an met Ol]‘.'C1'E1!lL{CTdCIl verlazmfstarnz

Xl;f{T(l) Eff/I (H//.`A`o?’2. St, zur- pe]‘]°_ zé-xrzp-a,

yyrfq o) .*o/I/`{77.'(?}2, j'Q1zQ`— yé—;’o¢zrp-u.

bf met geadspireerde eindletter van den stum:

Gym 7.`O(.’/`(UY, dy- gym,

ulrrm Ordmrzcxz, my- ré—m;j-rr,

rrgzrww (IUCN, rrguy- mévzgzzl-/1,

xérzrw .~·/oo22, mm- zi-xw a

cs met veranderden SfZ1UlklfI]l<CI` (verg. § lla:

rz WOI‘dt 2]; Ill(ll'l’(JILl/ll 1`N.?/BH, _l¢4ZV· ,11%-,1n;r—a in ra.:*mvzfj 1~c2·A·gg¤m>;;,·

q rz/m/ua; ?.`el'S(‘//Q7}ZC}?, r/iw- :1é-q »jv—rz t`o1r¢c/2672o21 2o.22;

6 wordt o; org.¤Cr,z‘o> ([}'(I(lfe}Z, mprq¤— Eargrnqrra,

Tihéfj (o 77/WLIUJZ, rgsrpr re-zgorp-a,

drw->¢1e[1¤w doodo}?, x1e1*· (Err-?-zror—<1,

JTf[J9¢1) O’ITol‘A`orZ(’71, mm'}- rzé-rnm'}—a ('(?/‘[/`O7L7L'(’?l.

dt met adspiratie en klankveranderingz

Tfélllftw .Z8HL{(’IZ, rreurr- rré-1o_u<p—a,

Tgéfml ?(Y°lZ({e72, 7Qf'.`[· réwgoqv-a,

%}.éFlT(o 5?(o[e}2, 22.2.7- ze-x}.oz;v-a.

OPM. Onderscheidz azémyra ik oo22 Vvczev/zenmz, van qvzzioluat L`e}'&’(’]2Q·7’2o72,

en néqwuyxa ik lzeb gcfuond, van qmivw {oo72672,

·’ * 5. Bijzonderheden in de conjugatie der regel-

~ ’ J , matige verba op -w. »

_ f. 'A. AUGMENT EN REDUPLICATIE.

88 § 88. 1. Zes (oorspronkelijk met een medeklinker beginnende)

*verba hebben als augment en reduplicatie niet ry, maar ec (uit 8-8);

é’%e.> hebben, é'/lxw trek?-cen, sleepen, V éheccuc segccor,

éfdw (2foe)loc2fen, 5occu gewemccen, égydielccac werken, {

B.V. efggov, efbcov, eircélcctyv -—- eihw, ewiaa, eit?F>coc e1‘1Z.

OPM. Om deZeIfde I`ede11 hebben cbétéco (Fco2%co) en ciwéoluac {Fwvéqccac} het

augmentum syllabicum; § 11o, 3 en 111, 18. ~

2. Augmentum syllabicum en temporale tegelijk hebben:

dgciw zietz, impf. écbgcuv, aor. ——— perf. éeégaxec lll, 6),

dw-oiyco Openen, _ dw-é-qayov, 6w-é-qo§<1 (Coni. civ-o55o)), dw-é—qJ%<1 87, 3. b),

pass. dw-e—qJy6,cc¢yv, <iv·e-cg3;gz'}1yv, dw-é—qoy,ccocc.

tlllf. <iv-oc;gn%svac). ` 8

Zoo ook bij het defectieve perf. ll.é’oc%a gelcjkew, sehynen, het

plusqpf. écpmy, waarvan het part. éoeccbg gelcjlcemle op — moet onder-

scheiden worden van einég ¢wctccccocZ@`7c, bcllyk, adv. eiacécwg.

3. ei- in plaats van de gewone reduplicatie hebben: ‘

<sca—léyo,uac een gesprek voereVc, perf. dc-e£}tay—,ccac, (aor. csc—e/lé;g—1%yv),

en mnt-/léyw verzccmelen, perf. avv-eiley-Icccxc. t

_ ` Zoo ook het defectieve perf. Il eibqda gewocm zcjm, plqpf. eZe5z‘}¢y.

4. De Attische reduplicatie hebben b.v.

éxoéw hoore%.‘ dtmjacoec, imyacéry,

O Ggijtcd) gVcw87’c,‘ Ggégvyyac, cbgwgéymyv,

Bij deze reduplicatie worden de beide eerste letters van den stam voor het

augment geplaatst.

5. Eenige met praepcjsities samengestelde werkwcorden hebben

de beteekenis van niet—samengestelde werkwoorden aangenomen en t

krijgen daarom het augment védr de praepositiez f

Ev-cxvccéolccccc zich verzehfen, impf. v§v<1vccow5,cc1yv,

me-éioyat gcnm ziiten, zctzfen, ,, éxadeiélcmyv,

mz?-{iw neerzetten (tr.) en gcccm zétten, ,, émidciov, aor. éxdwaa,. ‘

2cao—e156co Stapen, ,, 5xdoevcsov. V

I B. BIJZONDERIIEDEN IN IDE VORMING DER TIJDEN.

. § 89. Futurum en acristus.

l. ln het tut. act. en med. stooten eenige werkwoorden de o uit 89

en trekken samen als de verba contracta (Ftuturum Atticum); 2oo

/3t[3d@¢.o dom geum, fut. (§q3doeo).· ,8z§d'>, -o7; enz.

xaléw roepen, noemem, ,, (mx/léooq).· mx/ld), -82; ,,. ‘

ze/léw wliooien, ,, (relécw): re/lrb, -.2Zg ,, p

‘ 2. De verbia van meer dan twee lettergrepen op -ig`w hebben altijd

‘ het samengetrokken fut. Atticum,

in het act. op 4o5, agi; enz.

in het méd. Op -to6,uou, -¢.sZ e¤Z.;

b.V. vo,uwT2, -.2Zg, vo,uzoi1yv, vo,uwZv, vo,utcTw, -o5oo, -o*5v,

I &ycowov'3,uou, -eZ, ciycowoimyv, &ycov¢eZooou, dywvzoépevog, 3.

3. aipw opheffen, st. (ig- (nit &.;Q-)·heeft in den aor. at in plaats

Van ty: fut. &gc5, -eZg,· 3.oI‘. Zga (éfgw, 5?QClL,LLl, égov, épqt, éigag).

I § 9o. Verba Vccalia.

1. @6ooo4 gebmikem heeft ty in plaats van az ° 9o

%Q’lO°lu·O”» §%Q’76dM’7"» ”é%Q"7H°“· ` `

2. {dw Zeven en ;;gdo/we trekken niet tot o, maar tot ly samen:

OD, {jig, Cj, s@3;, Civ — ;ggc3,ucu, xggj, xgizcu, égggiw, xg1§o19ou.

3. Eenige werkwoorden laten den stamklinker in alle tijden kort

en hebben een o in perf., plqpf., aor. pass. en het adi. verbale véér

de uitgangen, die met -o, -z en -o beginnen;

yeléw —_ZClChe7’L y.<;l&oo,uou » éyéléaa I ysyé/léxa yelaazég

Pass. ye/lozo2%§oo,uou éya/loio19*2yv ysyélawal belaclteljjk

· cmotw irekken orw?oeo é’omY<oa é'o:z&xoz om1oz6g

o&zouo1%§oo,uou é'oxdo2%yv é’oyvozo,u.ou, gefrokken

re/téw 2JOZiooiem relcb, -eZg ézélsaa zezé/taxa dzélwzog

rel‘.so·1%joo,uae I §zeléo¢9¢yv zszé/teo,u<1t om;oZ2fooicZ

I GZ6éO,u(1L, o%ZZ’Ze7’l aZ6éoo_ucu g}6éo1%yv l g?6ao_uou

cigxéco voZcZoemZe égxéaw %gxaooz ` —

4. Een korten klinker, maar geen o, hebbenlde composita van

aivéw goedkeuwm, vooral

irc-awéw ]o·V@`ze%, é’rz-ouvéoo,uou, 5o;-g§veoa, En-yvexa, éaz-gyvéw91yv,

en nag-awéw aamsporen, mxg—awéoeo, nag-g§veoa, aagqtvexa, nag—gyvéa9¢yv.

5. De volgende werkwoorden hebben in sommige tijden een

korten klinker, maar geeu o:

I bmden 61jaw 22W* Egymz Exxon I_—__i

Pass. csa®91§oo,uae §5éo1yv éééeluaz Garég

I o6o1 I o/feren Oiaw é’v9voa zéviéxa

m7o1§oo,uou ·em?¢9¢yv § 21, I. ré29·»U,ua¢

Mw Losmaken Maw .§’/llvaa _ lé/Ima I I

/h7o1§oo/.u1e é`l2?@9¢yv /Ié/W/Aa; M16;

66o;, tr, I inhullen Maw éfévoa —— ·· I

6*U1%joo/Jae e<s1Yo1yv ééewluae I

I 56o,uaL zich inhullen, 56oo,uae Eéziv § IO]. Gééaimx I -

I intr. owdcrgaom I

6. De volgende werkwoprden met langen_stamk1inker(of tweeklank)

hebben in den aor. pass. en het adi. verb. een oz

xs/Ieéw bevelen, — §x.s}..sz9m9qv, xs/Lsvarég,

x/mw (xleiw} Sluiiew, xéxlgypac, 5xlg§oo1yv, xlgyarég, I

• xgiw ZCLZU672, xégggipaaz, _ §%QiO197]V, ` xgwzég,

I %Q(iOlLLGI, gebmaikem, xéxgn/aaa med., §;gg¢§m9¢yv pass., xgnczég.

91 § 91. Verba met verschillende bijzonderheden.

I. 5/Ixw Sleepen élx- é’/`tfw sibmiaa eiimixcx A

5/Ixv(q)— 5/I%UOi27iQO/,LOtl eZlm5o1%yv eZGbwo,uou

2. mia; chen {wcmoZ<m mx- xaziaw Exavoa xéxavxa

xaiw (dikw. xczm-) mu- %ozm%§oo,uaL §%Giji9"}7V xéxavlucu

trekt nooit samen mv(¤)- I&%av(¤)mg

3, a@@w I Teddewz awé- mbcw ébwaa qéawxa,

Med- I 12oo14 zich redden, ow- aeéaquae éawadwyv

Pass gerecl warden GCOIQTIOOILLGL §ac61%yv aéawaluw

en zich ¢*edcZzm_

I 4. ,6dl/Im wevpen Bal- §&lcT1, °-sig é'§&}.ov ,8é,B/byxd

IBM- . ,6o?lov5,uae,-ei §§&·l6,uoyv. , s

I ‘ E/I77'l9`7§GO/LOL §,6l1j1%yv I. /38/SAUMGI

5. mxléw mepen, 7’LOe’}7’L87?, · xaldaj- awa/{cb, -eZg 5mi/{aaa · Ixéxlvyxa

"I"` ZE'I.(§I2eZ"4FI §ZE°I3°OZ”"”‘I%é#*4#¤*

77 I? M 77 17 I lzeeten

6. xgivw scheiden, Ogwdecfew xgiv- xpivé, -eZ§ Exgiva xéxgixa

xgi- _ xgi1%§oo,uaL Exgwwyv xéxgiluaz

7. zeivw Spcwmen wv- zsvé, -6Zg éiezva rézizxa I

za- r5¢o1§oo,uaL §z&o1yv rézéluap I

OPM. ‘ Evenals xdw gaat xldw, evenals xgivos gaat mmm: § 96, 44 en 48.

Bijzonderheden in het gebruik der genera verbi.

I I § 92. Transitieve en intransitieve beteekenis.

/ Soms hebben van de verschillende tijden van een werkwoord sommige transitieve, 92

andere inttansitieve beteekenis. _

I De aor. I en het perf. I hebben dan de transitieve beteekenis van het acti-

vum, de aor. II en perf. II de intransitieve beteekenis van het med.—pass.

(§ 95); indieu van deze werkwoorden slechts ééh perfectum voorkomt, is het

intransitief. _ e

cpafvw toonen, F. quam}, -2%* A. Stpqva P. Jrétpayxa

<paL’voy¢u verschijmm, blzfilcen, glpawiv//Lab iu gtpaww wwwa __

A wavqaoluai verselzenen zzyn

Mw inhullen, (Show §'csUca — .-

dziqyai zich inhullen, ondergaan, diaoyai §’5vv Sédma ‘

qadw dom ontstcum, epiam étpvaa ——

zpéolucu Ontstaan, · qaiaofucu étpiv néqzixa

I vom nature zyn

Verg. § 99, 2, § 1o5, 9-11 en § 1o7, 1. I

§ 93. Futura media in actieve en passieve beteekenis.

1. Vele actieve werkwoorden hebben een futurum medii met actieve 93

beteekenis (vooral werkw. van geluid en van beweging).

B.V. cixoziw h.oo7‘en, éxoéaoluau, ysldw Zuchen, ysldaoym, ‘

Baden roepen, ,6’m§oo;4a¢, dubxw vervolgen, 6zcé§o,ua¢.

2. Van eenige werkwoorden wordt het fut. medii in passieve beteekehis

gebruikt (vooral verba' contracta). B.v.:

¢i§w5aoluat ik ml waardég gekeurd Aworden, Bldguoyat ile: ml gesclzaad worden,

noleogxijooyaa ik zal belegerd wordem, o3<pe}n§ao[uaL ik zal geholpen wordem.

3. Bij andere wordt in passieve beteekenis zoowel het tut. medii ais het-9

tut. passivi gebruikt: b.v.

éno-azagéooyaz en &:zo»o1ag¢y19v§aoya¢ ik zal beioofd worden,

uAm§ooyaz en u‘myz%§ao[ua¢ ik zal geéerd warden,

V _ § 94. Deponentia. 3

94 1. Van deponentia media (§ 71, 3. Opm.) kemt vaak de aoristus i

pass. voor, met passieve beteekenis; het perf. heeft dan zoowel actieve

als passieve beteekenis; b.v. ‘ ,

aiudquae besckuldigew, giuaadzuyv ik beschuldégde, i

_ f]”CL(i'(9`7]’P' ik werd beschuldigd,

giziaydi ik heb of ik ben beschuldigd.

Zoo ;3ui§o,uai dwingen, Iué/zgvopeaz gispen,

csé%o,uou Op-, cwmnemezz, [asm-yzé,uyzo,uou ontbéeden,

. épydioyat werken, ` yiyéoyat mzdoen,

éyroxgivo/kat t19®ZwooT6Ze%, xeegéo/kat Overzveldigen,

_ » idquat heelen, év-rélloyat opdmgen,

loyiioluai berekenen, xaza—ozpé<po/zat onderwezpen. .

2. Depqnentia passiva (71, 3. Opm.) hebben meestal een fut.

medii; het zijn vooral werkwoerden, die een beweging, een gemoeds-

beweging of een meenen te kennen geven.

B.v. evowu6o,ua¢ zieh kamten evowuo5oo,ucu 7?]’V(1’V'Ck6i977V

{gl/Q(1,lL(1L, égdw Ziefhebbew §gaoo1§oo,u<1t 7?Q(iG"t(}7]V .

56o]/LOL zieh verheugen _ 1§o19¢§oo,uozL #o19zyv

1§rt<io,uai het Onderspii delven 1§zm§¤o,u<1i 1§rm§1%yv

é'v—ov,uéo,uat bedenken 5v-v9v/,u§oo,uat ev~e1s”v,Lu§v%yv

ago-ov,uéo,uat berezciwillig ngo—ov,m§oo,ua¢ rzgo-e¢9v,m§1%yv _ ,

Iwxivo/zat meek peavozipiai é/zdvm . _

dw:-voéo,uou in den ziiz hebben 6u1—vo1§oo,u<1t (St-evo¢§w91yv

en vele cmregelmatige werkwoorden; vooral § 11o.

l § 95. Media-Passiva.

95 Bij vele media met intransitieve (reflexieve) beteekehis behoort een aor. pass.:

meh uoemt ze media-passiva. B.v.

aiaxévw beschamen M-P. ziclz schamen aiaxvvoéym g§axw5m%yv

éneiyw acmzetten ziclz hemsten énsfoyae ¢§nsi’;p%yv

xwécu bewegen zich bewegen mwfaoycu {-?%LV7!]”L977V

xoiydw te slapen leggen inslapen xotyéooyai §xmw§z9wyv

‘6gy[Cco ¢oo7'nig weaken too7'nig zijn 6gyLoz7,uaa osgy[o1‘}m»

égiudw aandrzfven Opbrekem dggujooyac c5gpu§1%yv

n.si19¤w overreden gehom~zamen,gelooven neiaoyat §:wlm9¢yv (§ 85, 3)

rracgdw bepvveven zich-, krachten nscgdaoyaz _§7zezgd1‘}¢yv

aan iets beproeven A

nlavdw dom dwczlen ` dwalen zzlawjaopai énlqviwiyv

nogséw voeren reizem, marcheewm nogeziaoyai §nogaz9z9·¢yv

<pop’éw doen schri/cken schrékken, vreezen <po,6’¢§ao[ua¢ §<po,(>’¢§1%yv

qaafvw toonen · verschvjnen ;;;;;l;;;L e éepdwyv.

P OPM. 1. Het activum is bij deze werkwoorden veelal het causativum

van het medium. .

OPM. 2. Eenige media hebben een aor. II act. en een perf. act.:

615o/.wu, zpéoluae 92,) Zbmluae 99, 2). `

96 § 96. Ovcrzicht dcr tijdcn

{I Praesens. { { Vggsffl- { Futurum. { Aoristus Act.

a. Verbavocalia. 1 · ”

1, rwuémiw Ojavocden muégv- azaeéaéaw énaiésvaa -

2. 1%ygdw jagen . 1%;,ga-1 Gwygéow §1%§g5eoa

3. uluciw 662*o72 wm- WY u,m§ow A ézilmyoa 2

4. vweéw do6Wz mmy- azowfaw é'rco£1yo<1

5. éovléw tot slaaf maken 6o111o)- V éov/leéaw é’<sm5/lwaa 1

. 1

b. Verba muta. q {

{ 6. yvluvciiw o6/www yvyva.6- yvluwaw éyéluvéaa

7, (igluénw somwnvoegen,o¢*denen égpoz- égluéow Hgluoaa

8. azeww Oveweden ::84o- azaiaw éhcwa ·

9. n.si¤9o,uaL gehoorzoemen,geZooven M1o- ` mzioqueu —-

IO. zpeééw " bedriegem zpwé- _ xpmiow .%’1,uavoa

II: 1,o865o,ucu Ziegem ’ yzevé- guaéaoluaz A Eipavadlmyv Zoog

12. cmévéw plengen amvé- { aazeiaw § 13. é’amma

I 13. azgézzw dome yzgay- ngéfw éhgaéa {

14. nina; mngschékken my- zéfw §’r&§a ‘

{ 15. éigxw heerschen, beginmm (Egg- cYg§w ’l§Q§(1

16. éiyw voeren V éy- éifw Hyayov § 85, 3.

I7. rzélumw zénden www- azé/,1,1,vw éhsluipa

18. ygdqmo SCh7”éj•U67’L yg<i<p— ygdyzw é’y,ga1pa

19. xéyzzw SZOLom xox- x61/you .%'xo1pa -

2o. ,61dmw benadeelen 51126- fgldipw éQB/{awa j

21. Oeimw begmven mp- o9dzpw § 21, 2. .§&9·azpa .

22. Qfrczw werpem éiin- @#1/xw Eggizpa

23. rgéyzw wemden zgm- rgéyzw grgegua § 86, 3.

l h Ezgaézov Opm. 2.

24. rgénpw voeden zgaqp- Ogézpw § 21, 2. é%9gs1,ua

ozgégvw dwmicw czgsep- argéqzw é'ozge1,ua A

van het regclmatig wcrkwoord.

Perfectum Activi. I Perf.Med.en Pass. Aoristus Passivi. { Adi. Verb. ‘

I

qzemxiésvxa msycaiéevluaa x é`:zaz5.s15o1yv rwuéavzég, —zéog

_1.·219*1jg6<:{a re1%§g6<,uou V 5vS*1yg&o2yv ’z%ygc?i6g

zsziluvyxa V Q zazilmyluae £?'KL/1,7il971V _ ulwyrég I

1 mmoivyxa ‘ azerroivyluaz '§7ZOL7i?.9`7]'V srzouyzég ·

586o15/lwxa 6s<so25}.w,ua¢ { §5ovlc6ooyv 5o21/lwzég I

e 15 vobacz .-2 15 vo?o ae é v mica? v v vaarég

7 7 M 7 V M M 7 M *7 7 M

Hg/uomz Hgluoaluae _ 1§g,u6oo1yv rigluoazég ·

rcéazsmcx ~ l rzémualuaa 3 §7ze£ov91yv azswzég

—— rcénezaluaz 5n2£o@91yv zic § 85, 3. mszaréov

[ éipwxa é'2,usvo,uaL §1pm5m%yv uzefd bedmgen zpcvozég f

1 —— <;.I/’l7il8't)OIl,LO!L I §1p.·26oo2yvV vergisie —- 1

ébmzxal ébazszcluae } §ms»’m9¢yv amsmzéov

azérzgicxa § 87, 3. ézéyzgmzluaz I §2zgéxo2yv , yzgiemég

zénixa zérohguae £z&%2%yv ` zimrég

¢s@x<¤ M ¢?@V/1¤¢ °?@x°9*7*’ éémég

Zxa Zyluaa ( 7?%'l97]'V eixzég !

*______i _

I nénopqaa némsluluae §azé,ugm%yv rzsluyzzég {

. yéygacpa 3 yéygaluluaz éygdnpyyv § 86, 3. ygcmrég i

xéxmpa xéxoyluae } Exérmyv xoyzzég l

)6é§l<xgba ;%,8la,u,u<1L §;5{ld;s’¢yv pl(1.7Z'E6§ J

zéwrpa ‘ Iéigd/,L],L(1L érdcpvyv Qgdntég

Zggupa gggiluluae · §ggf<p1%yv Qmzég

zézgoqpa rézgaluluae § 82, 4. ézgdmyv . zgeatrég

» £rg.é4p1%yv 3

zézgmpa zéoga,u,ucu érgdgmyv Ogmzég

.§’azgoqaa . ébzgalu/,¢ou éorgdqmyv M ozgsnzég J `

”_\7grbaal- ` · .

II Praesens. I I Stam I Futurum. I Aor1§tus Act.

c. Verba liquida. ‘

26. luwzivw 7 bez‘o6d@Z@n wav- Iuwwcb, -sZg éluiéva ‘ 7

%<1i(}GiQCO 7"ei7’Z?;g67’L xa1}&g— ;g(;19qQd)) ..,5Zg §%dq9~g7Qq I

28. npaivw ¢oone% zpdw- <pavcT>, —sZg ggmyva . I

29. <pocivoIu.aL verschgvzen qmv- ‘p°""f"’“‘°") 8L I I

qpawyaoluaz I

I3O. dyyé/Ulm boodschappen dyysl- I dyyalé.3, —aZg Zyysela ` 5

I3]. azéllw zendem aw}.- azelrb, —sZg Ears;/Ta V

32. éégw villen I 6.eg- Gsgrb, -eZg Eéaega 2 I

33. cmsigw zcmiem _ may- cmegcb, —eZg Eanaega

34. érzo-msfvw cZoodem mw- 6momevo5, -.9Zg I drzxzswa

I .

d. Vcrba met dcI I “

cen of andereI I _. ~

I bijzonderhcid. -

35. voyiiw meemm, houden 12oo1*I myzé- voluub, —eZg évépuoa

_ 36. amico ` zfrekken aww)- ¢m&aw é’<m&mx

I 37. reléw voZtooieM ml.s(¤)- ze/lab, -sZg été/loa7

I 38. ééw béndcn (Sq-, 68- (Maw é’5¢yaa

39. xgdolucu gebfuizién 3 I ;gg¢y(¤)— · %Ig¢§ooIua¢ §xg1yoé/uyv

II 4o. xalaéw bevelew, x.e1w(¤)— xsleéaw Exélsvaa

`I 41. émoéw hoore¢/L dmv- dxozjaoluao Zxovoa

42. xlyw (x/laiw) Sluifen/3 x1;y(¤)- `xlgjow gx/Igyaw I

43. xaiw, xéw Idoen Zwanden I mv(¤)-,m- xcwjaw I Exavaa

44_ xlaiw, x/Ida) weenen I x}.av(a)—,x}.a— xlaéaoyaa I éiwlavaa

| _;__________ o 5

45. oq3§w I vedden I awé-, aw- I cxeéaw _ I ébwoa ‘

46. aZ@co o]9heff67® · Fig- (deg-) égcb, -8Zg Zga (égaej

47. xgfvw Schezden, Oordeelen xgzv-, xgz- xgiwb, -8Zg gxgiva

xlivw docu Z@u?ze1®,bu?Ig6?Z xliv-, xii- xlivcb, —sZg I éhliva

49. reivw Spamaen wv-, n2— ·csvo5, -8Zg Eweva ·

5o. Igci/Mw zverpen 6.2}.-, phy- ,8a/1o5, -.sZg· é’IBaZov »

II 51. xaléw roepen, noemen mule-, why- wa/1o3, -sZg émileoa

I I Perfcctum Activi. IPcrf.Med. en Pass.I Aoristus Passivi. I Adi. Verb.

Iuquiayxa Inwluiaalucu é’,uuim%yv ci-,uZowzog

msxcivixgxa xsxcizhgluac 5xa1%zgo1yv %doClQ'C(5§

mézpayxa hel} getoond azécpaa/uae £<pciw91yv ward geimmd 6e—<pavzog

I azé<p1yva ben verschenem écpgiwyv verscheen

_A Zyyslmx %yy.·2lya¢ 1§yyélo1yv dyya/{16; _

ébralxa - ébmlluaz écrdhyv I omlréov

` éééagxa éééagluae éédgm éagzég

_ éimczgmx · ébazaglucu éandgqv oazagzég

cinémova ——— -— —— 3

vsvéjuxa vsvélmalzuzn §vo,u£m9¢yv volumzéog

I I é’am%xa ébmxaluae §omim%yv amxarég `

. tézélsxa zezélaaluae §zelém%yv relwzég I

ééésxa éééeluae · 5<sé1%yv `(s8Z6g`

~ I Méxowu §%Q’§m%7" x@w¤¢6@

xaxélewsa ——— §2¢z}.s15o1%yv xelwazég

dmjqxoa _ ~— I ———— ~—·~ I

I xéxlgyxa xéxlgyluae I 5>c}.g§o1%yv . %l?7o'£6§

. lxémxwaa xéxavluae 4 5xa251%yv (Y-xav[o)mg *

xéxlavxa xéxlavfuaz I ex}.a1s1%yv I GZ-x}.av(o)zog

_ oéowxa I céawaluac I 5oc61%yv f I éi-aww; .

‘ Zgxa Zglucu %go1yv égzéov

xéxgixa xéxgiluae é'xgFo1yv xgizég

. `xéxlixa xéxliyaa éxliihyv xlizég

. ‘6éIo?%(1 _ téréluaz §r&19·1yv ubérég

I ,6°éj3}nyxa /Eé/3/hyluaz §,B}.1§o1yv ;s°}nyz6g

xéxhyxa uéxhyluaa 5xM2%yv t xlmég

B. Twccdc Conjugatic

1 I. 5VERBA OP -,555 MET]

— § Q7. Paradigma

153-o11.1 ZGQQGTZ, praesensst. 15191]- en 15o6-, vcrbaalst. o1]- cn o6-,

5 51]p.5 287265872, ,, 51]- en 56-, ,, 1]- en 6-, *

l. Pracscns cn imperfcctum activi. ,

97 Is1.I 15o1]- en 15o6- I 51]- cn 56- I 656oo- en 656o- I 5o11]- en 5o1o-

15-o1]-,555 5@1]—,555 65-6 oo-,555 5@o 1 1]-,555

éi 15-o 6 5; _ 5-6 5; 65-6 oo-; 5io 1 1]-;

jg 55-o77—()'L(V) 5L77—OL(¢/) 65-6 o1-o551Q 5@o 11]-o5[1/j ~‘

§ 15-o6-,5561/ 5@6-]561/ 65-6o-,5561 5L()'5o\5—]l,L8V

L5 15-o6-16 5C·8-58 65-6o-16 5io1o(-16

E 15-o6-oo551/] 5-o5o5 ’1/j 65-66-oo5(1/} 5-o1oo56/) _ -5 I

'L'L/· o6 - 1o1/ 5- 6-1o1/ 65- 6o-1o1/ 5o1o- 1o1/

_ 6-15-o1]-1/ 5-55551/ (55) 6-65-6oo1/ ,5-o11]-1/ [55] ·

g 6-15-o65; 5@65; 6-65-6o11; 5-o11]-; _

*6 6-15-o 85 5@6 5 » 6-65-6 o o 5-o 1 77

ii 6-55-o8-/LSV 5@6-,5561/ 6-65-6o-]:5561/ 5@o1o(-,5561/

' & 6-15-o6-16 5LB-T8 6-65-6o-16 5o1o5-16

E 6-15-o6-oo5v 5LE-O'(1V 6-65-6o-oo5v 5—o1(Y(-oo51/

,-4 6-15-o6-11]v l 5-6-11]v 6-65-66-11]v 5-o1(Z-11]1/ 1

V3 IL-o65 (uit 15-o6-(o} 565) (mit 5-6-5o) 65-6C3 Iuif 65 66-5o) 5-o165) (uif 5-o1o5-co) I `

E 'CL··'l9’Q'i§ 5-]]; 65-6o5; 5-o1§; ‘

A3 15-o]] 5-]] 65-6o51 5-o1j ‘ ‘ ~

g 15-oo3-,556v 5-o3-5561/ 65-6o5-,5561 i 5-o1o3-,5561/_ _

E TL-`19`77·‘[8 5-1]-16 65-655)-1 5-6575-58

8 15-oo3o5/1/) 5··C5)OL(V) (SL·6C5)o'l»(’V) 5-o-15oo5(1/}

TL~'l977-TOV 5-1]-1o1· _ 65-6o5-1ov · 5-o11]-1o1/

15-o651]-1/ 5-651]-1/ ` 65-6o51]-1/ 5-o1o551] 1/ I

(,5 15-o651]-; 5-651]-; 65-6o51]-; 5-o1o551]-; `

g 15-o651] 5-651] 65-6o51] _ _ 5-o1o551] _

Lg TL7.9857] 1561/ — 1985//,L8V 5651] ]LL8’V - 65,5561/ 6 56o 51] ,U8’V - 6 o5,5561/ 5o1o51] ]LL8V - o1o5]:,561/

E; 15o65o16 -o6516 (5857778 -6516 656(J51]16 -6o516 5O'El1LI’I]Z8 -o1o5516 _

G 15o65’1]ooz1/ -o8581/ 5651]oo(1/ -8581/ 656o5'1]oo1/ -6o581/ 5()“'5GL,7]G(1”V -o1o5561/ ¤

15o651]11]1/ ·’|985Z’I7'V 58L7}'E7]V -8L/‘E7]'V 656o51]11]1/ -6o5'11]1/ 5o1(x51]11]1/ -o1(x511]1/ U

_ 55-o85 E/-EL 65-6o11 I 5iO577

E 15-o6-1oo 5-6-1oo 65-66-1oo 5-o155-15o ·

3 15-o6-16 5-6-16 65-6o-16 I 5/·O'C6/(-58

E 15-o6-1/1oov 5-6-1/1co1/ 65-66-1/1co1/ 5-o1o5-1/1oov

,-1 15-o6- 1o1/ Zia 1o1/ 65- 6o-1o1/ 5'·GZ(`Z·77o’V

EI 15-o6-1/o15 I 5-6-1/o55 I 65-66-1/o5 I 5-o1o5-1/o15 _

QI 15-o65;, -o61/1o;I 5-65;, -61/1o; 65-6o15;, -661/1o; 5·()'Io5§, -o161/1o;

s-3 15-o65oo5, ·’I98l5o’}7§ 5-65oo5, -65o1]; 65-6o17oo5, ··6o’oG77§ 5-o1ooo5, -o1o5o1];

,¤"I 15-o61/, -o61/1o;I 5-61/, -61/1o; 65-661/, I -661/1o; 5·OZ(,5V, ·G'C&'V'5o§ - ] , ]_

OPM. 1. Zeldzaam zijn in den ind. de vormenz T5'l9'I]§, 11o65 — 56];, isi en in het 5

of Verba op -pu. `

PRAESENSREDUPLICATIE.

der vier vcrba, 6

5£5mp.c geven, pracscnsst. 6c6oJ-, 646o-, verbaalst. 6w-, 6o-,

{amy.; stellen, ,, iam-, iam-, ,, amy-, ani-.

2. Aoristus II activi. _

U SLI On- BH 1%- I E- en é- I 6o1- 611 6o- I any- el'l o162- I

I —- é'-On-xa —-— Z-xo: —— é'-6o6-:—¢oz é'-any-v

6 Q -—— é'-o1]-xa-; — Z-Mo:-; -— é'-6o>-xa-; 6-any-;

_ 3 — é'-{M-xe(v] — fj-:—¢:;{v} — é'-6oo-mh) é'-any

_ § 5-2%- pew af-/mv E'- 6o- ,LL8’V é'- any -,u.sv

6 I E s;'—os—r.·; ~ ei-rs 6-6o-ze I é'-amy-rs ·

E if-1%-aaw ei-oow é'-6o-oow 5-any-oow

5-1%-mv siiuyv 5-66-mv 6 §~an§-mv

U5 oo5 (uit 1%-w) o5 (uit é’—w) 6o71 (uit 66-ea) ouB (uit ami-ea)

· g o% Ec @@2; UTHQ

~ iq ~ ~

3: @977 ¢y 6o9 any

6 L) /l9IL.~ L? b~

5 Ci)-;/LSV gu-,u,6v , ci)-/Jaw o1o3-{wv

E oogy-ra · 1]-za 6oJ—r.·; anywe

8 6cZ>aL(v} o3aL[v) 6o3ae(v] I au;e>aL(v}

{M -1ov ai]-1ov. 6o3-mv an? -1ov

Oeioy-v sZ6y -v_ 6o51y- v amizy-v

U3 #@17-; V .sZ3y—; 6o51y-; ozoz£ay—;

E Oeivy 8ZGy 6oZay azaioy 6

*5, 29867-yev @955-,usv sib-ysv ei-/awv 6oi¢7—,usv 6oZ—,uev araz’¢y—;wv ara?-yew

45,, Gaby-rs o8};% sib-we 8;-T8 6oby-rz (SO?-T8 aw¢’¢y—zs GHI?-Z8

© 2%£¢y-aaw 19£Z8v 6 si6]—aav BFSV 6o[¢y-aav 6oZSv am[¢y—aav GZGZBV

v.‘}eu§-mv 29si-mv sE1§-mv siimv 6ow§-mv 6o[-mv arom§·nyv ami-wyv

J

_ 1%-; 5-; 66-; am?-@9*1

‘*" x cz z »

Q 6s-rw - s-rw 6o-1:oo any-rw

I g_ 1%-ze .§’-ra 66-ze o115-za

E w9é-wmv 5-www 66-www I ami-www

1%-1ov é' wv 66 ·zov ‘ az1§—1ov

1%Z—voL _ I ai-va; I 6o27-wu I an§—vou ·

,6 __: 6.25;, 2%vzo; ek, evro; I 6o15;, 66vzo; I 6az&;, azdvw;

2;] Oaiaa, vleiaoyg eiaa, zZ'a1y; 6o15oo1, 6o15o1;; azéaa, azémy;

O" Oév, Gévm; Ev, Evw; 66v, 66vw; I arab}, awivro;

m§eI'V. VOIfmeI1 met -xa: 5E%yxav, §6asxa,uev.

3. Praesens en imperfectum medii en passivi. -

II Stammen. I 55-198- I 5-8- I 65-6o- I 5-o512- I *

S. I,. 55-198-/55o55 5L8·/LOL 65-6o-,55o55 5-o555-,55o55 _

‘ 2. 55-198-oo55 58-oo55 65-6o-oo55 5-o5o%-oo55 ’ 9

__; 3. 55-198-5o55 5-8-5o55 65-6o-5o55 5-o5o5-5o55 ·

{rg P. I. ‘CL·”•9`é·/LLEQ2d E-8-,:5819o5 6L·6(9·IlL8od 5-o5o5-,558oo5 ~

I-5 2. 55-198-o198 5i8·O'i9‘8 65-6o-o198 5o5o5-o198 ·

E 3. I 55-198-55o55 518-1/'CGL 65-6o-v5o55 5o5o5-115o55 I

. D. 2 en 3. I 55-198-o19ov EC8-o19ov 65-6oo19ov I 5-o5o5-o19o11 I ·

. S. I. I §·'lZL·Q9’é·Il.l/IQV 5-8-/.51yv (5t} 5-65.-66-,551yv I 5-o5o5-,551yv (5I] ,

g 2. §·'IZ5·'l28·OO 5/·8·GO · 5-65-6o-oo 5-o551-oo .

*5 3. I 5-55-198-5o 58-5o 8-65-6o-5o I 5-o552-5o

‘ —§ P. I. §·TL·i9"é·/l.L8Q9(1 5·é·[LL8’t9‘d §·6L·(96·IlL87.2d I 5-o5o5-,55819o5

3 2. 5-55-1%-o198 5i8·GQ2'8 §·65·(9o·O'Q9’8 5-o5o5-o198 ‘ ,

E 3. I 5-55-198-v5o 5L8·’VTO 8-65-6o-1»5o I 5CG'CG·”}/IO I

hq D, 2 cn 3, é TL-’l2é·G’L9’7]V 5-8-o191yv I 5-65-6o-o191yv E-o5o5-o191yv I

U5 S. l. 55-19551-,55o55 5-552-,55o5 65-6o3-/55o55 5-o5o5)-,55o55 I 5;

‘ E 2. 55-19j 5-j 65-6o3 5-o515 I ‘

3*: 3. 55-1915-5o55 5-15-5o55 65-6o5)-5o55 5-o515-5o55 ~ I

A ca; P. I. _'KL·'l2'Cl9·Il,L8?2G 5·C5)·Il,L8i2CL (9l·6(,l95/oL8’L9`G Z-o5o3-[55819o5

I I 2, 55-1915-o198 5-15-o198 ` 65-6o5o198 Z-o515-o1% D

O 3, 55-19o5—v5o55 I 5-o3-1»5o5 65-6o3-1»5o55 5·G‘CC5)·VI(1L I

I L) D2 en 3, TL·i277·O'l9’OV KI 5-15-o19o11 65-6o5-o19o11 ‘ _ 5o515-o19ov -

S. 1. 55-1985-/uyv I 5*85*/Ll7’]V 65-6o5-,551yv 5-o5o55-/,51yv —

.,5 2, 55-1985-o I 5-85-o ‘ 65-6o5-o 5-o5o55-o , I

I E 3. 55-1985-5o 5-85-5o 65-6o5-5o Z-o5o55-5o I ·_ I

E P. l.— 55-1985-,55819o5 5·85··ILL8’l9‘(1 6L·6o5·/Ll.8’"t2G 5-o5o5-/.5819o5 · - I

*5., 2. 55-1985-o198 — 5-85-o128 65-6o5-o198 5-o5o55-o198

O 3, 55-1985-v5o 5-85-v5o 65-6o5-115o I E-o5o55-1¤5o I `

j D. 2 Gu 3, TL-7.285-6227jV 5-85-o191111 65-6o5-o191yv 5-.o'E(1L5·o19‘7]V I

S. 2. 55-198-oo I 5L8·GO I 65-6o-oo I 5-o5o5-oo I

E 3. 55-198-o19oo 5-8-o195o 65-66-o19oo I Z-o5o5-o195o '

°C‘Q_I P. 2. 55-198-o198 I 5-8-o198 65-6o-o198 I 5-o5o5-o198 _

EI . 3. 55-1%-o19ow 5-8-o19oo1} 65-6o-o19ow 5·G'Cd·O19C1)V I

I 6-l D. 2 en 3. I TL,*T9'8·G'|.9'O’V I5-8-o19o11 I 65-6o-o19o11 5-o5o5-o19o11 _ I

I Inf. I 55-198-o19o55 I 58-o19o55 I 65-6o-o19o55 5o5o-o19o5

II Pam I 55-19é—,558vog,-1;, I 5--,558vog, -17, I 65-66-,558vog, -1y, I 5-o5o5-,55811o;,-1y, A

_ _ -ov I -o1} -ov -ov

OPM. 2. o in -oo5 en -oo blijft in ’t praes. en imperf. (beh. coni. en opt.);-"

verdwijnt echter in alle vormen van den aor. (beh. in 85oo); dus:_3(3"l9QTl},`I

OPM. 3. Milldcf vaak Vindt mcn Opt. met o5: 5519o55o, o12v19o55o, 5r5519o5l55819o,· IY

afwijkend accent: z5g6o191y5a5, :5g61y5o55, o1sv19o55o, d<p5o58v. _I

. . 4. Aoristus ll mcdii.

"I Sfamhlen. I I 1%- I é- 6o- I -

I I I I

I II__L_—I__ ; I I - V I I

I I I S. 1. .§-1%-Iuvyv ag-Iuvyv 5-66-Imyv I

. Q I 2. 8·’l9OU ei-oo é'-6o11 I

“ __?_ I 3. 3/·’l98·'CO 8;-1o if-6o-1o

I § P. a?/-1?é-,1181912 e2e—,11e19c1 §·66·ILL8?9‘(1 ~ I .

- IE 2. I 8-198-6798 I 8i·O'?9`8 3/-6o-o798 I

I E 3. 3/·’l9I8·V'l7O ef-v1o 5-6o-v1o `

D. 2 BH 3. 5-1%-o19mz si'-o1%yv 5-66—o1%yv .

U5 S 1. 193-Im o5-,.1o1 ·

» g 2. o5 I5 (Sq; .

Q'?-' 3. 1217-1o1 7s·'C(XL 6o5-1o11 _

§ P. I. I 1%3-/.1.21%z (D-/,L£’l9Cl 6o3-Iu.e1%¢

E 2. I2'}?-6198 15-o1% 66;)-o298

5 3 Q9(Y)*'V‘EGL o3—v1oz1 66;)-1/{GL

.1 D. 2 BH 3. 195-o19o11 7E’I··O'L9‘OV 6o3-o12ov _

I _ »S. 1. 7985*/.L7]V siilmyv 6o{-Imyv k I I I

» . U3 I 2. ’l9`8Z·O ai-o 6oZ-o

» 3 1%Z-1o 8;-IO 6oZ-1o ’

";§ P. 1. I 1%i—Iua1%z cZ@Iu619<x 6oZ-,11219*11

` IE. 2 1%Z-o1} 8;-6198 6OZ·O19‘8

O 3. 1%Z-111o sf-v1o 6oZ-v1o , I

D. 2 611 3. ?9’8lf·6’l9’l7’V si'-o191yv (SOL,-o197]*);* II

I I__: S. 2. I 19*o17 o6 6o15 1 __

S 3. I 1%-o1%o ·£;'-ooo) 66-o19o; . II

I §°j°_ P. 2. 1%-o1% 3/-o198 I 66-o1% II

J 3. 1%-o1%ov 3/-6126o7 66·O'Q9`(l)V I

I D.2eI1 3. 1%-o19ov I é@ooov . 66-o19*ov I

I Inf. I 1%-o1%u I 3/··O’l9‘GL ‘ I 66-o19o11 ' I I

II Part. I 1%-Iuevog,-1y,-ovI e—,uavog,-1y,—ovI 66-Iuevog, -1y, -ovI .

dlusi ‘C6’l28o(1L, é’1i1%oo, 1i1%oo—6Z6ooou, §6Z6ooo, 6i6ooo,· n

5o'7—O?'5—··3/(SOD, 6o17. I

ovv£m1%Zv1o, 5<p1oZ,u.·2v, JZGQLOZIS, :1goo1oZsv, YIQOOIITTO, r1gooZv1o cn coni. cn opt. met

§ 98. Opmerkingen bij het paradigma.

98 1. In het praesens, het imperf. en den aor. II worden de j

modusteekens en persconsuitgangen zonder vormvocaal aan den_·`

stam gevoegd. A j

2. De stamvocaal is lang in den sing. van den ind. act. van _¥

deze drie tijden. .

3. De sing. van den ind. aor. act. is (in plaats van é%9~¢yv, Ev, é’6wv)

altijd §'v91yxc1, Ewa, Edwxa. .

4. Het accent staat ook hier (§ 71, 11, 12) zoo ver n1ogelijk naar voren, maar

alle vormen van coniunctivi hebben het accent op de lettergreep, die door samen- {

trekking is ontstaan, alle vormen van optativi op het modusteeken. r .

5. Accent van den imp. aor.: éiqpag, dvzidsg, éniblec, dmiéog —

oigvoG, rrgoo‘oo27 (Of 21g6o19ov}, 2sn619ov. 1- ` _

§ QQ. De _overige tijden. ` _

99 1. Zij worden regelmatig, juist als bij de verba vocalia, ge-

vormd. Een uitzondering maken slechts eenige vormen, waarin

of de korte stamklinker voorkomt: éééoyat, ééédm, amzég,

bf de lange in afwijkenden vorm: ei-hat (uit 5-e-itat). {

. { rut. Act. { o1;-aw I 17-aw { aa;-aw ”{ .

{ Med. { O1?-oo/zat { Z-aoyat { 5o5-oo,uou { {

U { Perf. Act. { zé-t%y—x<1 { eF—xot { dé-66o-xcz

M.—P. { (xeiyatj { _ee—,uaL_ { 6é-6o-/za; A

‘ { Ao11 Pass.{ 5-té-o1yv { eZ@o1yv { 5-6 6-19oyv ¤

Fuf. P3SS.{ ze-o1§—oo,u.ou { 5-1%§—oo,uae 6o-o1§—oo,uou { -

[ {{ Adi, verb.{ 6a-zég, -zéog { §—rog, -zéog { 6o—r6g, —tjéog{{

2. Yrmyzu heeft naast den intrans. aor. II étmyv (ik gmg of bleef _

stacm) 'nog een trans. aor. l éimyqa (ik sickle); de andere tijden zijn

deels transitief, deels intransitief en wel volgens de volgende tabel.

” Beteekenis der tijden van Yawn:. ‘

{{ j *__ Transit. * w_L{;WIntransit.

. Act. Med. { Pass. { zich sz‘eZl‘en : gcnm

‘ stellen { vow zich stellen {gesteld woorciew of bljtjven swam. {

P1'8.eS. { i27I’}7,LLL { Zero?/za; { -Zbrc?,ua4 Zoz&,uat ik gu Sicum

Fut. A cmjaw { amjaoyat { or&o1§oo,uat { awjco/za; zal g. sri. .

AOI. ébnyacz éamyatilwyv é’oz&1%yv ébmyv Q7;7’LQ SZ. § lOl {

{Perf. —~— — — { ébmyxa Sm {

Plqpf. { —— — { —— { aiamjmy Sim/acl i

‘ _Fut,eX_{ M — { - éamgw zal stacm

De intransitieve tijden vervangen ook de°overeenkomstige van het passivum.

§ 1oo. Verba, geconjugeerd his itmypu.

Volgens itmyzu worden in het praesens en imperf. de volgende werk- mg

woorden geconjugeerd: de drie laatste zijn deponentia zonder praesensreduplicatie.

’ j Praesens. [ St. jFuturum. /1/\oristus.j Perfect.} Opmerk.

1. dviwylue 6wy éwicw ` diwyacz . lmpf. rhpélvvv

bevoordeelen, 6m l

6V{V<1/LLQL dwjaoluaa Cri)'l/7i‘l9‘7]V — '

voozdeel fzekken _ I I

1 2. ni/.ml¢y,uz nh; Jcltécw . 521/ltyaa nénlvyxa Bijv. zzhédw, A

UZLHGVL wld at/lvym%§oo,uac §7Cl7§O"l9’}7’V yzérrlzyaluac 111ff. vol ·

3. Jlilufcgiyllzt vtgzy ngévw éhgqaq yzérzgzyxa

, _ZH ZJVCLWCZ SZGZCGW, ngci azgzyafhjoogzac §.7zg1§o®91yv néngqaluac

(gew. qi-)

4_ 6{y&Iu(xL &y&(o) ciydooyaz 1§ydoz%yv -— A. V.: ziyaozég

. bewondleren

5. dajveiuaz 6mm 5vv1§oo,u<1e §6vv1§t91yv dsdzfvvyyae

Mmmm (Sum .§6wdm%y¢»

i §J'LiGI&[u(1L I Enwmy Emcujooluae 7:7JILO‘L'7é797]V ———

l weifen, kmmen émam _

OPM. 1. Evenals het imperf. en praes. dezer deponentia wordt ook geconju-

geB1`Cl de 3o1`iS{L1S Errgadluzyv ik 76oo/zi, inf. r:gc'ao19aL (p1`aeSe1”lS osvo17{uaL § lll, IS).

OPM. 2. Afwijkend van itmyin trekken deze deponentia in den coni. en opt

het accentterug:

dus Coni. dévwyal, Earfazwluai,

opt, dévcuo, Syzfamtm, ¢Yyawro.

§ 1o1. Primitieve aoristi (é’¢my»» en dergelijke). .

P 1. ’E<myv en de aoristi van eenige werkwoorden, waarvan de meeste 1o1

. in het praesensv tot de conjugatie op —w behooren, zijn onmiddellijk

van den verbaalstam gevormd. Ze hebben alle

. den langen klinker in den ind., imper. (beh. 3. pers. pl.) en inf.,

den korten daarentegen véér klinkers en vddr -w. t

2. De meest gebruikelijke dezer werkwoorden zijn de volgendez

a) Stammen op een A-klank (al, pz &).

I. &a·co—5¢6gdaxw mzfloopen " éga, (Sgt; dn-édgéw § 1o9, 9,

2. flaivw gcnm, SCh7"7£f·d67Q Bn, ,612 éyjhyv

3, <poévco UOO?"k6’m8% <P7·9”77, <p1%i £'<p1%yv § IOS, 2. P

. b) stammen op een E-klank (ey: e).

4. stroomen . } §v—»y,‘§v-s Q Eggthyv ]

c) stammen op can O-klank (o1; o).

5, Q/L}/’V`C(6G%(J) Z661"611 YCGWWGYL I 1111o1, 1111o 61111o111 I IO9, 11.

6. 6/IZo11o,oo1 ge11o11ge11 ge- 1211o1, o2.o 56/1o111 § »lO9, 4. '

11o111o11 ?1UO7’6Z87’l ·

1 7, ([?L6CO}'CdCl) 68o6% ,6cw, Bw I 51525o.111 § IH, I3. ·

d) stammen op een Y-klank (11: 11)..

8. 615o,oo1 cZuiko11 61, 611 6/6177/ Act. § 9o, 5, § 92.

9. o115o,oo1 Omfsfowm 111, gm? 6,Q9’UV Act. Q9i56oo7oe7’l o111-

‘ _ , s1oo11 § 92.1

1 · 3. Paradigma. I

‘ St, I o111-, o1o- I @1111-, @118- I 1111o1-, 1111o- I 617-, 611-

5-o111-11 I 511-@151111 6/—Q/VC!)-V I I é'-611-11 I

(,5 5-o111-; ég-@1511; 6,-}/VCO-Q . 7 é'-611-;

é'-o111 §@-@1511 é'-1111o1 6/-67.1

**5 6-o111-,11.211 I Eg-@1511-,o.-211 6- 1111o1-,o811 6-611-o611

E é'-o111-1a §@-@1511-1o ‘ é'-1111o1-1a é'-611-1s

"" lg]/—OI77-GOV é`@-@1511-oo11 6/-Q/VCO-O'(ZV 6-611-oo11

5—o111—11111 §@—@1111—11111 (3-}/s•'CL6—’E')]V ` 5-615-11111

Q OIC?) (uit o16-co) @11o5 1/76o9;) 615o1 I

E 6*279 61117; 1116; 61111c

§ 615 .6116 VVQB 61111

'E o1o7-,o.211 @11o7-,1,11211 1111o7-/,111 (s?jCO—,LL8’V

o . »

U cnz. zne pag. 83 _

, o1oi11-11 @11.261-11 1111o£11-11

(D

o1o111-; @11.2111-; 1111o111-;

gg o1oi11 @o8677 g 1111oZ11 _

*o-* ~ C ~ ~ _

S- OTGL-/,L8V 1) @1161-,o.911 2) 1111o1-,o.211 3)

cnz. zie pag. 83 ·

, o117-191 1111cZ1-1% 617-191

E o111-1o1 1111o5-1o1 615-1o1

g o111-1.2 111161-1c 617-1.2

E o1o-111o111 _ 11116-111o111 615-111o111

o111-1o11 I Q/V(Z)··'[O'V 617-1o11 I

“é I o111-11o1 _ I é'l)’I?'-’)/dl I Q/'VCT)—V(ZL I 617-11o1

4-; o16;, o16111o; @11.%;, -é')/'EOQ 1111o15;, 11116111o; 611;, 615111o;

51 OIGOG, o16o11; @11sZoo, I-sio11; 1111o17oo, 1111o15o11; 617oo, 615o11;

o1611, o16111o; @11é11, -6111o; 1111611, }7’V(5’V'CO§ 61711, .615111o;

1) of o1a[11;4s11. 2) Of é'l}£67],l1L8’V. 3) Of }"VOl{17[u81•'.

4. Bij al deze aoristi behoort een futurum med. en een

. perfectum I act.; b.v. —

a) ]31§oo,uou, 5Q61yv, I6’é,B1y11a, ‘ _

b) §w§oo,ua1, éggqjvyv, éggzhyxa, —

I C) yvc6oo,u<11, é'yvo.1v, · é’yvo1m1,

d) @ooooo1,- ékpvw, néqama ben vom nature). .

I § 1o2. Gemengde perfecta (met en zonder -11o).

1. Naast het regelmatige perfectum é’o11yxa ik sm komen Idikwijls 1,o2

vormen voor, die zonder *943o, onmiddellijk van eden geredupliceerden

verbaalstam 5-o11%-, gevormd zijn. Zoo vooral:

Pf.I11d. 5o151-[ucv I Plqpf. 5/o14}-oow Part. 5o1o3;, GET!. -611o;,

5o16-1e Inf. 5o1o%-me £o161ooz, -o5oo;, I

eo16oL(v) ¢‘sO‘C66§, ·(I)‘CO§.

. 2. Evenzoo naast het Perf. zéwryxa ik ben. daod (Praes. § 1o9, 7):

Ind. 1éom-new Plqpf. e1év9"v&-cav Part. IEQQVEQGQ`, G. -2o51o;,

1éz%»a—1e l 121%%-vo1 n 1.2o-veo3oa, -2o5oo;,

1.21'}v6o1(v] 'L“£?9V86§, ·8CT)‘L'O§.

3. Evenzoo 118351 o25o111o1 o21*662o% (St. 6::21-, oF?-, 8.o11 é/686OCL

ik vreesdef _

‘ Perf. Ind. PI. 6éo1-[ucv . Inf. o261-é-v<11

P I 555(SL-T8 Part. (s8`6l·IC6Q, -26o1, 6;

I o26Z-<1o1(v] GEI1. -61o;, via;

Plqpf. 5-o2o1-oow

4. Hierbij sluit zich aan het perf. defectivum met praesens-beteekenisr

I oe6oc wczfen

(eig, ik heb gezien van 256-, 56-,.(1-16-), v1id—eo, aor. .s?6ov, ik zag (§ 111, 6), —

_ ..-- Praes. en aor. worden vervangen door ytyvaéaxw (§ 1o9, 11).

II Perfect. (Praesens). I Plusqpf. (lmperf.) Modi

o16-o ik wget I gso—2w, -1y ik wist Coni. 25oo3, —g; I

OeG’l9(1 I %6·8L§, -17ooo I .Opt. 25oei1yv

o56-e(v} I #s-21, -261) I Imp. Zo-o1, Zo-1o1, ibm, I

Zo—,u,ev §o·,u.2v I Zo1wv I

II §?)';”C8 Q?O·I8 ’I11f. 85o-é-va:

I 1ooo1o) @o-e-aav I Part. 25o-o3;, -26o1, -6;, I P

II Zo-1o12 %G·‘K7]V I _ -6-mg, Jvfag

Fut. EZLOOILLGL ik zal 1oo1o%, Zo?} de ervotriwg komen.

2. DEFECTIEVE VERBA OP -,uz. *

‘1o3 § 1o3. 1. <p·qp.£ zeggen, beweren, st. gmy-, <p&—, lat. fciri; 4

( bijvotm qadaxcp. · T

I Praes. Ind. ( Imperf. I Coni. ( ‘ Opt. l Imper. g

1 / 3/- \ ~ /

. ' 9"7'/M 8"P’7_y ‘ I (pw 1 ·‘PO°”7"’ 1 V

I sw?-c (Ms) %’·<2M2·¤*9<¤ . me svaiv-c evo?-1%

O vm-<¤i(v) %'·<;¤¢1 ` @27 _<2¤¤i¢7 <P&·wJ

gm-Iuév · é'-<po?—,uev ( (pcb-[uw (pai-ysv (

_ <p&—zé s;’—qo&-ze ` °qm§—ze ` (pai-is cp&—1:e

‘ (,U5<·()'[(/V) é'—<p5<—oow q¤eZ>m(v) (pak-v 1 qadwzwv ·

<p&-161} é’—<p&-mv ( gn?-iov qr>az’—n;v cpé-mv

'_

M Inf. <p&-vm Fuf. 996-aw 1

.4 Part. (god; of) quiaxwv ; Aor. é'-guy-aa . .

· — OPM. 1. De ind. pfaes. is in alle personen, behalve in den 2. pers. sing. P

@5;, enclitisch.

2. <p¢yy{ beteekent: a) zeggm,/fL1t. égcb of léfw, aor. efnov of 52pm:. 1 (

. b) beweren, bevestigen, toeggven, fut. qméaw, aor. §’<p¢yaa; oi? <p¢y[m : nego -

(ik zeg, dat niet): ontkemzen, loochenen, weigeren.

· . 3. cpdvaz en het imperf. worden oo1: als aoristus gebruikt.

2. eign zgin, st. .·§¤—, Lat. es-se. V

Praes. Ind. Im erf. Coni. O t. Im er. ‘

P P P

I ai ,5 ‘ g(v CE *uit§[¤]-w) ei' -v (uit§[¤]—w;-v) I e _

I M ’7 *7

_ * ei 1§Gi9Q fj; { .2367-g 26-%

{ EG-zZ(v} Ev g { z;Z6y 5'o—rw I .

éayuév hluev cirluev ‘ eZ6y-luev sY—/wv 1

l eo—zé · Eze (@1-ze) - Z-rs & eZ5y—ze ss?-re 5o-ze U A

aZo£[v} Eacw csoL(v] ( gaZ6y-oow eZ<;—v - so-zwv .

V §o—z6v 1%-mv 7§—'L'O’V ( eZ¢§-mv siimv 521-zov

P1*L P

W Inf. sivac (Lllt ic-vm) *Fut. ’eoo/Mu, ease ·gy, - ~

Part. div, o27oa, 5v, 3. Sing. é’o-wu, ° · ·

H G. Gvwg, m‘3myg_ overigens regelmatig.

g 1. De ind. praes. is in alle personen, behalve in den 2. pers. sing., si

i enclitisch als copula, maar heeft een eigen accent in de beteekenis: bestaem.

De 3. persocn sing. is in dit geval paroxytoncn (étm), zooals ook in de be—

t teekenis van §'§eau(v): het smut vrtj, is mogelijk, — en .na o5;, ctx, si, xat, even-

eens na mei en &U.’; o13% §Qm(v), &M’ §2m(v). “

2. ACCGUIE der COmpOslt&: (YJZSLIILL, éfyzez, éimzan, (ffl!/Gl9L, évzcév.

— mélaf eine'}, eizrailusv, &m§lusv, dnéazae.

g 3. sip.; ik earl genome, st. ei-, Z-, Lat. /Z-re, /Z—te2·f.

U Praes. Ind. . Imperf. l Coni. l Opt. ` Imper.

A Z - . ` , . V J, ll

I ei—Iu¢ tk ent g’7—a QZVZQ 1 iiw L-o¢—,u¢ l l

at QGLWL jj—e¢g l Zigyg iiot-g { Zi-1% i

at-ot(v) g7—8c(v} Zig e Zi-oe ZLICO {

t Zlluev gi-/mv Zim-[uw Zion-Iuev

I Z@ze 5-za Zi-1-12 tion-ze` tire

1 ” ' n

Z@6<ot[a¤} g?-oem} Ziwcu(v] Zioee-v 5-6-www

I Ziwv l Q:§·Z7]'V Z’—1y—zov t 5-ot-mv 'Z'-mv V

Inf. Z-é-vat. Part. E-o31}, Z-o5oo, 5-61}. Adi. verb. E-réov. tl

` G. Z—6vzog, Z-mjmyg. s

’ I

_ 1. De ind. praes. heeft steeds de beteekenis van het futurum;

opt., inf. en part. hebben zoowel de beteekenis van het futurum

als van het praesens. l

2. Accent der compcsitaz éimtyt, ¢Ymluev, &'¢m%, maar dugg, éngyev,

duffoav, dyrtwv.

4. Xpi) het is noodég, men moet,

Bij mt (sc. éaziv, opus e.s·U Worden door verbinding met de over-

eeI`1kOlTlStlge VOI'ITlel'1 V&l’l BEILLIZ geVOl'mdZ 1

imperf. yggiv en e;{g¢§v, coni. XQE; Opt. xeein, ·

- . _ inf. xgiivcu, part, gggecév (ui': pggh 5v) indecl.

5. xd{i·>yp.a¤ ik zit, st. 11111%-· { 1

6. xeigaac ik Zig, st. :1121-.

11pme¤S.1impa1ec1um.1 lmper. Praesens.1 Imperf. 1 lmper.

I %()1o77·`,LkLl 5-xm%§-,u1yv ·xdo1y-ac msi-,111111 §-xsi-/uyv x.si—¤o 1

1 xd1%y-oo11 e—2·¢d1%y—oo _ %¢1'l9"I§-O'l9'oJ xsi-o111 é'-xy-oo 1 x.s1’-m9w 1

mi1%y-1o11 5-xd1%y—to e1‘1Z. 5 x6Z—wu é'—xe1—ro e11Z. 1

eflZ. el'lZ. EHZ. eHZ. A

1 . 1 Inf. xsZ—m?ou 1 1

1 Inf. %GQ97?·O’i9ClL Part. MSZUMEVOQ

< Part, xa1s*1y—/,16vog ——;—j——%;———»;—

. Fut. %e1oo,ua1, -oe1(gy), -o:21o11 el’lZ. ,

1. Het simplex 1s11a1, 7e]o'(ZL, 7e]G'L'(1L‘Z?:Ch bevmden komt alleen bij dichters voor.i

Coniunctivus en optativus worden evenals het futurum, door de overeeukomstige

vormen van m1'%é§o111z1 (§ lll, 14) vervangen. _

2. K8ZOi?Gl dient als perf. pass. van zi191y111 (§ 99, 2); clit geldt ook

voor de composita; b.v.

15:1o111%,111 ten gromlslag leggen, —— ’l57'C6%8L'[CIl ten gromislag Ziggem,

v6,11ovg m9é51o1v oi éigxovzeg —— oi v611o1 %8Z”V'E(1L,

1%oo111 rd 5nla éxélevéev — rd 5o1/1o1 531811o.

OPM Geheel of bijna gelijkluidende vormen van i,7],LLL, ?a11y111, o?6a, eiyi,

8;-[LLL, ’Is,LL(1L cn hunne composita.

sragév, mzgvjv, ndgsg, r1dgs12, 7{GQ5, zmgj 3, mxgcj 2, nagfgy, rragsfvy 2, érpsfoy,

&Jl£L'?], azaggfm.

` 9T(IQ8L’§, JZCIQSZSV 2, 7'L'(iQ8L()'I/V 2, HLIQEZGLV, d(p£ZOLV, (YTZSLOLV 2, .7'ZGQLdo'L’V, JZCIQLQXOLV,

7I(1QL,(DGLV, 7ZGQLO'ljo'l'V, YIGQOGGLV. _ V

iLl9'L/, Z27291 2, Zlrs 2, ibm 2, 5%.2, n¢zg1§zs 3, mzgjrs, nagsirs 3, mxgsiwa, mxgafm 3,

nagebyzs 2, Em 2, Eze, jars, Ears, EG19.2 3, ébz9s, sfoéls 5.

éozé, 561.2, éimy, Fam 2, §'aw1, é'()'8o'l9GL, sibsm9s 2, 8Zb'EGl9`(1L, 8iGé.{U'l9(1L, sZcrsZm9s 5,

8iO8i~G’L9(1L, xa19éo19a1, x¢119sZooa1, %G’l977Gi9G.L, 1sosa~3<x1. ,

ZQTZLIOGV, EE/OZGGGV, f(7Z(iU(X’V, §o'Z6<~)O'(Z‘V, J'L'(XQL,6`GdV, YZGQSZGGV 2, ??()'(IV, 7?]‘O'CL'V, %(l'l9'i]~o'OV,

xci1%yoo,‘ xd1%o1?s, xd1%ym9s, mzo1§o19s, xaoaZo1% 5.

. 3. VERBA OP -v¤»p.e (-wspin). .

§ 1o4. 1. Zij volgen de conjugatie der verba op -;.u slechts in het`1o4

p1‘&esens QH impetfecfum act. 611 med. (pass.); cdni. en opt. worden

altijd, andere vormen sdms, vclgens de conjugatie der werkwdcrden op —w gevormdz

b.V. deexvése naast dafxvvadvj, édsfxvvs naast édsfxvv.

2. De v van de lettergreep vi is lang in den sing. van den ind. `

praes. en imperf. act., bovendien in den 2. pers. sing. imper. act.,

anders kort.

3. Paradigma: Geix-vop.c toowcn.

Véfbaéllsf. dem-, pI'aeSel1ss1. daex-va;]. I _

I I I Activum. I Medium en Passivum. I

P1‘&es. {Hd. S. 1. deix-vD—/,u 5.%%-ve?-[ua:

2. 6.sZx-mi-g · 68o:-va?-aaa

I 3. deix-vU—o¢[v] 58Zx-M7-me

I P. I. 6eZx—vU-/wv deux-viz}-Iusoa ’

2. deix-vU—zs sZx—w7-m9.·;

3 6em—ws-6<o¢[v] daix-v ai-waz

D. 2 eIi 3. dslx-vv?-zov · 5s[x—vi·o19ov

Impéff. S. 1. I 5-deix-wi—v 5-decx-v1?—,1,wyv ‘

2. 5-6sZx—v/17-g 5-6eZx-vU—oo

3. é-dsix-wi ` 5-5.six-vii-1o

P. I. é-68ix—v2U-[asv §—cseLx—v5Iuc19<1

_ 2. E-dsZx—wi—ze £—5eZx-1/17-o1% i

3. 5-6sZx-—m7-adv e—6s£x—w5-wo

D. 2 en 3. 5-6sm-vz?—uyv §—6.sm-vd-c1%yv

COIN. S. I. dem-viz?-w d.sm—vv5-w—,ua¢ I

{ 2. 68l%·V’UL··Q’]e e11Z. _ éeex-v/6-gy enZ.

Opt. S. I. dam-v6—oi-[ue <sem—vw?-oZ—Imyv

A 2. ¢ssLx·v2s-o;; BH2. (s8l%—'V7§·OL·O e11Z.

Imper. S. 2. 685%-vD . 6six—vz?-oo

3. 68L%—’VQ)£·—TCU dem-1/25-oow

P. 2 685%-wi-rs 6eZx—¢#v-o1%

3 demwzj-vzcuv dem-M5-oowv

D. 2 en 3 6s[x—v17—1ov 6s¢'x—vv—m?*ov

Inf. I I dem-vU—vou I 68£x—va7-o19ae

Partic. 6·SL%—v6g,/ -w76oz, iwjv Gem-mj-Iuevoe, —Iuév1y,

G, -vw»rog, —vvo1yg -[uevov

Futurum Act. dzifw, Med. deifolucu, Pass. 6ee%—o¢§oo,u<1¢ A

AOI'1St1,1S ,, e’—68¢§a ,, édecfdlmyv, ,,- 5-685%-291yv

Pe1”feCf. ,, 6é—6&;g-a' dé-deny-[uci

§ 1o5. De overigc wcrkwoorden op -vv/M. I V

. _ raesentxa. St. Futura. Aor1st1. Pcrfecta.

I a. Stammcn met cen A-klanky I .·

1. %eQ(iIVVU/LH %éQO\e(O') ZSQCZ}, ·@§ 62%éQ(16(1 — I

I _, .»~ ‘ I MQ5 >cgEu%§ooIuaL 5Mgm9I¢yv xéxg&Iua4 I

I %Q8,LL<i"VVUIu.L o])- xgs,ud(o} xQ·syc5, —QY<; éxgéluéwa —~ I

h6WLg67’L xgsIuam%§ooyaL §xg.=:Iudo1%yv xgéyayaa I . *

I 7Z8IdVw7ILLL ’b&?;Zsb7”8Z- vzsr&{a) rcszcb, -@g énénica —-

CZQW ani nszam%jooIua¢ ensxdo1%yv Jrénzdluac

4. G%86(i'VV‘UIlLL ’U8¢”— axs6&(¤) o%.26o5, —gYg . §oxé6&oa — I

stmoien oxa5<xm9¢§ooIuou §oxscsdm%yv écmééacluou

` b. Stammen met een O-klank. ‘

5. QIQBVVIUILLL St87"]e87’L éw(c;) écéaw ° gggwca —

I I §wm%§ooIuaL _ Eggeécilhyv eIggwIu<1L

I Gtgcévv/Ulut S]o7'eid67’L mgm o1go5ow ébzgwaa — ”

I I ‘ ozgw1%§aoyaL 餷cga3z%yv ébrgwyaz

c. Stammen op —y. I I

I 7. Cmiymv/.u verbimim Qwy I Qgégw A I é’;.w.»§a _ —— I

~~ /_ ·_.}_1 gi, _ I Q`svx1%§ooIuaL I eC81};g1°}¢]v gl;-Sv}/IlLe1L

I 8. Iueiyvv/,u fmengen yscy Iueiéw Ez'/.we§a I —

I I I Iu2c%v91§oo,uc1L 5/.wi%2%yv yéluazyyae ‘ I .

UIQ?}/1*/UIl,LL UGSZ, héwd myy m§§w · émyfa —— I '

I · maken

I JIT?}/VUILLGI UOLSZ miy migwjaoluou Enéynv azémyya vas?

women ‘ ~

I I 1o. @1%/VQUILLL ti', SCh8u— ééy §¢§§w %@g¢y§a , —

779%, ééyviyac ifiti', édy édyvéaoyan éggdiymz éfggwya

scheuwm ‘ ·• I _

d. Stammen cp een liquida. I

ll. daz-6MfU,uL't1‘. perdo I 6/I-s(¤) érco/Io5, —eZg I circcb/Ima dmolaélsxa I

te gym/ade Mciztem dnwlwlémy

I _ drz—6/Hailum intf. éaoloiluae, -6Z érzwléguyv énélwla

~ pereo, te grondc gcnm I ‘ I ’ énwlréln » I ‘

l2.I5Iuvv,uz zwercn 6;:-o(o‘) 6Il,LOY5ILl»dL, -8Z diluoaa 6Iuo3Iuoxa I ·

_ . o3Iuwy6my

7 7 C. Onregelmatige conjugatie.

7 § 1o6. 1. De onregelmatige werkwoorden hebben deels andere

praesenswersterkingen dan de drie in § 75 genoemde,deels vormen zij

7 ‘ hurme tijden van verscheiden, meest werkelijk verschillendey .

t stammen.

s . _ Zoo krijgen wij hog de vijf volgende praesens—klassen, § 1o7-111.

_ · 7 § 1o7. Vierde of verleng-klasse.

7 Terwijl deze wefkwoorden in het praesensé den langen of ver- 1o7

» lengden stamklinker hebben, heeft

de aor. II verreweg het meest den korten, ·

het perf. ll soms den gewijzigden stamklinker (§ 11);s

. A tpgejyw vluchzfew, act. II é’<pvyov, verg. 6 qwyni, 6 cpvydg;

V leiyzw verlazfew, péff. II léloma, Véfg. Zomég BH2. 1

1 OPM. Hierbij behooren bok vier werkwoorden op —ég>, namelijk:

4. yp/léw vcwen (fut, zn1¤z5—¤oym), xéw giezfen (zé ;;.·zw3—ya het uizfgegofevze),

ywéw ademew (td mm?-ya adam), Qéw szfmomen (:6 @86-ya szfmom),

7 Uit mtmim werd nkspw, dam mtéw; over de tijdeh van ééw § 1o1, 4b.

Praesentia. ~ St. 1 Futura. ‘ Aoristi. 1 Perfecta. r

1. www dom smeltevz tr. mx " miéw é’ny§a —

mjxoluae Swtélféw, init, wx mmjaoyae A éuimyv 7 zényxa

2. az/t1§ncosktcz¢@_(§1l1,15)` nhyy yzhfw ` Ejhlqyfq ` L.

. Pass. vt/7117;/¢§Go,uozL én/Mytyv rcéycfwyylucu

5%-mtajzzw doem sChMk- nhyy §x—7z}t¢j§w éf-éyzltyfa ——

ken, tr. rzlziy 7

§x—yz}n§rro,uaL schrikken, 5%-mtéytfaoluaz 55-ear/t&y1yv 5%-vzérzlay yluat

intr. iwue2~vvu»~2v~ingz@;7n

‘ 3. zgffiw wrtjwen zgz,6 zgitpw ékgmpa mgztpa

Pass zgZp’ zgifhfcoluac eZ@i,f>°¢yv Iétgi/ILILLOLL

4, leiyzw veflafen lem /teh/xw ` 7 5/tiazov Zéftomcx

7 Pass. Am }»8LQ9?97§OO/LLGL §A8[Q9”191’]'V }té/tetluluae

5. <pe25yw vluchiem I qpevy gvewjfo/uae Egmzyov I aréqoevya

1 M I

7 6. mtéw varem ' rrlav , rz/leéooluae \ ébzlevoa 1 azéyzlevxa

I7. Jzvéw Ocdemew l msu l yweziaoluae \ éhvevaa * rcércvewca

7 xéw gi8!f87’L 4 xw xéw éjsa xépgimx 7

7 · _ Pass, gv xv’l9’77GOllMXL §x151%yv xéyghyae

I § 1o8. Vijfde of nasaal-klasse. _

Het ptaesens is door een nasaal element versterkt. —

1o8 ITW—@¤&?¤ti¤- H er,Cta·

A e 21) P1‘aeSe11S Op -vw. II

I 1. zfvw boafan, baialan zi reiaw Eretaa réwwu I

I zfvoluae Dasira an, ziah wt raiaoluae ézeeadlunv Té77<‘JLU,i»¢¢U I

wrakan zwd op iam. - I i_ _ '

- 2. <po&vw voork6¢nan (pw q»z9¢§¤oIm» é'gm?nv I I

iam. rwd arozcbv u · 4p·z97y é/(]QQ95?O(l I %'<p19&xa I

3. Mdlll/VCI) ZiC]'b Ua7"1%Oaian min xanozjuaz é/%5<IuOv xéxlwymx I

(.7IOQ8'U6Il,L£'VO§} A Q

l 4. réluvw snijdan - I rsp I renal —sT; é'z8Iuov I zézlmyxa

I pf I qw; I rIun1%§ooIua·L ezIunv9nv __I rérltanrluae

5, élaévw d7”é]·U87’&, élav I aid), -gTg 17/Moat I 5/III/Mxa I

intr. voo2I‘fh"akkan 5/Id I 5/Iao1§oo,ua¢ n~@n_y__ étjitgluae

b) P1‘&eSe11S Op -véo-[um.

6. ix-vé—o,ua¢ kmnan ix ei¢pi§oIuou égvixélmyv étnpiyluaz

I I (gew. dqz- aunkoman) . I

C) PI`3eSeIlS op -dvw. I

I 7. r(1i`GT9(i1'O/LOL bavnarka-n, aim?-q aZm9o§oo/M11 g§m%,uayv gIm%y,uaL _

I A. gawrww tvordan (¤?¤°9‘é¤1’<¤¢) (2?¤o*?¤¤9¤¤) I

I... __K( ____-_

..tI 8, ciluagrcivw zondigan, éuagr-n ciluagwjaoluczt Hluagzov nyégznxa I

I I misdoan (u), anissan &Iuagmyo1§oezaL Tl?/,LGQI7§197]V npdgznluae I

_&1és2e.eK_?_d* 4,+__¢4,? ”___W O

- Q, aéfdvw, afféw aw?’§—¢y I aééécw nzfnaa nifénxa I

’L`8I”U2e87”de7"67’L I aéfnooluac ’}7’l;§1?'l9"’)7')/ n2Y§nyaL I

d) Praesens op -dvw met een nasalis in den stam.

I IO. layxdvw (dow hatlmf) I idx I 2.¢§§oI.taL I é'/téxov eilngga

I 17aTk/"iytgan (uvég Bn u) I lng I I

II. ldILLp(iV(J.) nainan, MIG I /Inipo/M1; _ I 5'l5c,Bov eZ21y<pa I

Ycdjgan LMI? Ir /In<pQ1§oo,ua¢ I*§(Ij§?1'}nv_ 6ZZn/.e[ua¢ ‘ I

I2. }»am9dvw‘va2"boo"gan M2o Maw é’}I&29ov I lé/M17o e

(zwd voor iam.) lm?

l é,.7'lZl-},G')/’l9(i'l/Ollldl, va1"—I éne-/Moana; é’yz-gl&w9~6IwIyv ém-léhyapat

gallan (rmi;) I - I I

13. Iuaw%ww Zaavan I ,u&o—¢y I ,um%§oo,uou I .%Qu6’n7ov IJIE/,L(i"(977%(1AI

- I4. m1v1%ivoIu.<1L utizfvor- I nit? I azeéaolucu 5:15176,myv I mirwoluaz I

I SCIZCZE, varnavnan (nvég zz} I nam? I I II

I5. wyggdvw iaavallig ann, zvxw; zmfoluac Eiviggov I I zzmixnxa I

I fnafyan (uvég); arlangan wv); · I

I Lzwdg wm; iats van iam.) —_— O I

V § 1o9. Zesde of inchoatief-klasse.

- Het praesens is door -a>¤;, -¤Mo (-wm, -m%o) versterkt.

11 ijraesentia. J1 St. 1 Futura. 1 Aoristi. Pggcta. 1o9

I1 a) Zonder praesens-reduplicatie. 1

1. Q/77Q(1o%Cl.) O?/Ld ?,UO2"6Z67’L 1 wygé 1 yvygéaoyaa 1 qéyvégioa 1 yewjgimz 1

2. ¢?,6’<i¤%w Wdw wl- Wa ¢sx%¤w Wvva 17/9v~<¤

_ wassen wordew 6,81; . _

- 3. égéaxw béhéléw 1dgz 1 cigéaw 1 1’ZQ8G(1 1 —

4. ciliaxoluae gevmf, ge- (il-w &/1o5oo,upu éélwv édlwxa

_ women wordem 5/1wv ‘ Wwxa

1. 5. dvédiiqxw &v—w1- 6w5<lo5ow évfélwaa évélcuxa E

éwéléw ’l}87'b7”M7;]ee7’l w &V5<lCl)’Q97§OO[LLClL éwy/1a3o1yv éwjlwlucu

` V 6. ségiemw viwdew ségwy eégéaw vyégov owgayxa

zig-s E'ljQei97iO'OIlLGL 1y25géo1yv ¢y5g¢y,u<1e

7. &yzo¥ovg§oxw. Sievrvcn 1%.v éno-Gavoiyaz 6m—éw9owov zéi%nyxa ‘

I vw; . ik ben dood

4 fut. CX. zs19·w§§w

1 1 ` 1 zal dood zyn

_ _ . 8. sus<ioxw ondemvijzem 616.2;; éeédéw ééiéafq égéiéaxa A

6L(sd%i97?OO[LLdL §6l6(i%o’l]'V 6e6¢’6ay[uac

1 Med. (zichf Zaten Leeren 6L6d§Oym é6.6a§dww (héqmég 11 .

11 A `b)·Met praesens-reduplicatie. 11

1 9 6mo—6¢6gc?<mw 6gzx &m>-égckaoyae U &az—é<sg5w é°mo-6é6g5<xc1 1

1 _ omfloopen 1

1 1o. @111/1v1/%6xw}¢eVin%@¢e% pm dm- a/aw (iv-é v aa . — 1

1 P1 M 27 PL ’7 N ’7 1

V. (geW. éwa-, 25no—) ~_ ’

11 (iam. acm {ets uvdu) _ V 1

,ue,uvg§oxo,uae zich te ywy(¤) ,uwym%§oo,ua¢ . §,wm§oo1yv yéyvqluae

1 bémeeqa brengen, ge- _ memini 1

. 1 ' demkew; vermelden lusluvéaoluae 1

A 1 <w6¤1 __ · mcméneaeo

1 I1. yzyvcbcmw 1869*6% yvw(o)1 yvcéaolucxz Eyvwv Kyvwxa 1

1 ‘ kemnen, iwzien. yvwm%§ooIucx¢ §yvo5m%qv gyvwaluae

» . A (uitz. op 73.211

1

12. mgeécmw wonden may zgcéaw . é’zgw¤a e zézgwxa 11

zgwz%§oo,uou é'zgo3w%yv rézgwluae 1

1 1 zgwrég 1

§ 11o. Zcvcnde of E-klassc. 1

Devcrbaalstam is door een E—klank verstcrkt, of iln

het pracsens of in de anderc tijden. s

11o Préescntia. 1 St. 1 Futura. 1 Aoristi. 1 Perfccta.

a) Dc versterktc stam is de praesens-stém. 1

1. Q/C¢,LL•‘ECLs h'LL?/oo% (Van yay-s ya,uc5, —aZ; .231;/1y,1,Lot ysydwyxa

de11 1113.11, yvvaixa) yay-}?

· Méd. (Vim dc V1`OL1W, ya,uo17you, -8Z §y1j,ud,1,L1yv y·Syd,my,uaL

nubo, eivégi) 1 _

1 2. ooxéw so/ztjnon; 6o%-8 éoéw é’cso§a 1 —

_1 meenon

ooxei Uidozfzw 665.% 56o56 oéooxrae is

» _ . 1. bgslozfen .11

3. owéw szfooiem (impf. Fw?-8 diaw étuoa éwm

§c6oovv, § 88, 1, O,) o3m9=¢§aoyat ' §o5o1%yv §’wo;mz ,

b) Dc kortere stam is de prac-zsens.-stam. 1

1 4. &2’l9éZo)(w91é}.o>1 mum 1 @o81-U 1 éogmaw 1 twézqaa 1 tamwa 1

1 5. ,ué/Moa @6177/]9Z(l7’LZ@?172,' ysllwy ,usl/Maw 5,ué/1/hyooc

1 zfalmow

6. 59- (égwuico) wagon égqy égwmjow cn 1’1go3myoa en 1‘1go5myxa

1 §Q’1OOP“” ’1Q6W7" _ 1

. 1 7. yiyvoyat wordow, 1 yew-vy ysv1§oo,uou _ Syevo/myv yéyévmuat 1 1_

owisiaan pf. H. 9/éyovot

1 8. cY;gv}o,ua4zio}LeVgo1"ow &;p9-so U éxtiéooyat ¢§%z%m%yv 1 1

- (wwf, Enf uw over ieis} A' _

/3o15/1o,lL(Xl wide?/L1 1.18ovZ—¢y 1 ,5OUl7§O'O,l,l,d[, 1 é`§ov}t1§2%yv 1ié-1;;%/l¢y;»a¢ 1 1

WO. <5sZho£és·¢2oocZig,1o1oet 1 58-7; omjou 1 éoémse 1 éeééqm , .

11. oéoyou Moodég hob-, 5s-¢y 6s¢§oo,uou •é’5.s1§2%yv éaééwqt

hen (mdg), vm/zoekcn °

(tin'os; tt) 1 ,4* i___ ___ __ _~j-

1 I2. ,ué/tm ,uoz my gown! ys}.—¢y ,u.s/Most 5,u.é}t1yos ,u8,ué/11yxo .

_ tots (W6;) view howto

—fsi§7IL-,LLé/11o1,udL (-,u.<:}.o27yaL) pal-¢y §.7IL,LL8/11§OO,u(1L §7I8,LL82.1’;o1]v errL,u.¢:,uéMy,uaL 1

1 ZO1"ge1’z (voor {ets zwoc, `

_ dai @»¤) 1 1 _*_}_;__W

14. oioyou [oauou, cf}/mv} oi-vy oZ1§oo.,uou 1 o§>1§®91yv

1 women, goloovon - 1 11

15. ,ud%o,uou SZsF@1CZ61® pax-s(<r), ,u,ot%o27,uot¢, -.2Z 1 §,uot%eoot,wyv1 yepedgpyyaa

(togen iam. 1wO "7 __“ A Y

I I § 111. Achtste of gemengde klasse.

Werkwoorden met verschillende stammen.

I Praesentia. I I St. I Futura_ I Aoristi. I Perfecta.

I 1. czigéw 126111612 onion, I aig1§oco ai/Iov I. élefv gsg1yx<1 1

'I Med, voor zioh 12., Fel, aigvjoolucu ailéwyv I. 5},6o1962 fgvyluae

j ‘ kiozow _

Pass. (bij "[ 21Ct GH med.) aigs (1ZQ8i9`7’i()'OIlLGL g'1gé1?1yv ;}?Q’l7[l»LCll

I. 2. Kgxolucxe gcncm, 76o112*612 59;;, ei, i, 82'[LLL . 1sl19ov “ §l’};]Z.U19(1

s (Impf. ja) é/h?(v)o I. 5l19.·;Zv Exo; 2k /1612 621

3, eo1%w, I6L;s’go3oMco GZIGW, 5o1%, 56, §'6o,uou I gcpayov xam—;s’ép’gwxa I

I Op62I612 <pay,,6°gw xam-,6’gw191§oo2¢a¢ xaz-s,6goS191yv xaza—[5’éf>’@wyou I

I I4. ého/2a: SeqLlOr 1JOLg6w, 5::, · Ezpoluae I§—cm6,myv I I

° Sqngggaan GSH (wr) OHOB/¢a#§”[G”e°#aL

A C / • .O'JTOZ'UO 87TL/GJTOLTO

, » Imp' "”"°I"7" Q S8, I _ Imp. (mo snzmov

5, §'%w /2656612, /2o2¢6Z612 5;;, osx, gfw éoggov é'ox1yxd

I . Bijvorm Zbggw gxqy Igxqégw C. oxcb

Impf. eiggov § 88, 1 O. vxvfnv

I. oxég, oxérw I

I _ ‘ ,I NIECI. 6/5o,uGu eo%6,u1yv Eogpylurxe.

· _ oxéaoyae C. oxo?/ML

· . O. axoiyvyv _

I ICOITIDOSIIEI, b.V. I I. @{o11, oxzm?co

a) nag-éggw 1J611S6hdff612 nag-ééw nag-éopgov nag-éoypyxoz

.» . ` · I rcaga-o;g1§oco C. mz9d°%<¤

, _ C).7Z(1QU;()'xOL[l,LL

V . I. nagdoxey ,

I ,NIed. 1/cit 6?;g8TL 1122dcZ6- swag-éfo/ocaz nag-6o;g6Iu1yv 2zocg—éo%1y,u<12· ·

I Z67’L verschaffen nogo-oxqjooyou C. mxo<i¤;gwu<u ‘

" I I O. nagoioggowo

— I. mxgoiogov ` I

b} &v-éxo/2o2 2z2i}Loud612 6 év-éé-'o,uou I I hw-sqxoyqv 1§v—éo;g1y,uczl

Impf.1§va2%6,u1yv(augm.!) . C. uvavxwuuc

C) 25111-16%-véo—,u<1L b6ZOU611 imo-Gxéaoyac 15rc-£G%6,u,1yv 15%-éO%77/,L(1L

` w . I C éndoxwyaz I

I 6. égciw 26877, 6ga(Fo,oa) 5yJo/we aiéov I. Zéciv Iéégmaa [écégoz- I

I ~ Impf écbgcov § 88, 2 . xg}

‘ 6zz,26(F26)| 6<p191§ooya2 ICIj('Ui977V 56g@¢¤¢(·e¤39U¤pcaL}I

I 7. mioggw I’{7d67’L nao;;,m2o, areioo/ozae é?m1?ov 7'[éC7ZOV?9(1·

. nam? I

I yzfvco d7"i’}’Zk612 ` I xiv, ru, nioyaa ‘ éhiov Ttéftwxd

_ I noo, no :zo191§ooyaa §rc51.%yv. _ nénoluou

9. azfnzw ’UczLZ612 . mz, mo, 7I8oo?j/MIL, -6Z- éfrzsoov rcénrwmx

I nm} . I

§ 112. Lijst van minder voorkomende afwijkingen bij de Attische Buigingsleer (verba), om bij de lectuur geraadpleegd te worden.

éiyvvye braken, tr.; (Fay-): xaz-o15oo, xanéafa (augm. 88, 1 Opm.);112

. éiyvv/aca: Zwekew, init.: pf. waz-éaya geb¢‘ok6n zgjn, siuk

BOI'. P. éayyyv. i 3 ` .

éiywz daarbij aor. act. fjga.

aivéwi 9o, 5; fut. oOk Enawéaw en azagawéaquac, pf. P. g7wy,aaL.

eixoécui 88, 4. 93, 1, 96, 41. fab.; pass. pi. Hxovquaa, ,21of. i)xo¢5m%yv.

éxgodoyae; hoo¢"6%; &xgodoo,uaL, ¢°)xgoaod,myv. `

a/ialiaiw kr@'gsgesc/weeuw aanheffem iaor. Ma/1a5a: 75, 3, b. opm.

dleigpw zaZven,· pf. P. §§-aliilqaaae met Att. red.: 88, 4.

aléfw afwewm (vooral poét.); (alex-, ij alzmjjz F.'&»1.·z§oioa>. .

N1ed. éléfoyaz, 11112. &l.·2§1§oo,aa¢ EH ci/1é§o,ua¢, E1OI`. vjlaédyyyv.

iéhéw malens pf. P. é/1¤§2..·;(¤)ya1, verg. 88, 4 cn 9o, 4.

ai}./1o,aae springen; F, &}.m7,ua¢, A. I. ij/1a,myv, alaasvog, (vcrg. éigag 89, 3),

1 A. 11_1§l6,myv, <i}1éooae.

&n—a,aeZ§o,uaz a%¢woorcZen (meest dicht.) Dep. Méd.; oOk &my,ua£qm%y.

ayepeyvoéw onzeker augm. ajyxpeyv. o1 vjpqoeyv. , 1

dyepwgeyzéw oneewig zijn; augm. 1§,a<pm)5’. of éaepsa,8. i

&vaHaxw:' 1o9, 5; (cmjuist) ook ‘&va11wmv icnz. zonder augm. _

avéévw behagen; {ac)-, oFa6-, ¢§625gj:_ fut. &61§ow_, 21o1*. é’acsov, eiéaiv,

` pf. éhéa. “

&v25zw· naast ciwjw (amico} UOZZfOOi87’?..' civéaw, Hvvaa, Zvvxa, ejvvqaai,

¢§w5¤w9¢yv, avvoz6;,· vcrg. 75, 2 opm. en 82, 1. a

av-ogo6w dubbel augment: §myva3goa>oav., '

zigagiimw saimemzoegen; (ag-, vcrg. 1o9, b): aor. ¢7g&gov, pf. éigaga

passcn.

aéaivw uitclrogem soms zondcr augm.: .az5aivaw en iyéaivew. ·

Qaivwi 1o1, 4. 21; pi. p21SS. (5v,u-, rcaga-) —]3éjs&,ua¢, 3.o11 -8j5’dw91yv.

/346w: 111, 13; aor. opt. ook [Sigh] in plaats van ,8mZ»y, en

· part. oOk ,6za5oag naast ,6eo1sg,· j3.s5iwrae.

meéaxoyai, awa-: 1) Ywrleven; 2) wear dom leven, aor. -,6w3aam9a¢.

,8 laazavw om‘Spruiien,‘ (/3/1aaz-o;, 1o8, c.): ,5laau§ow, é',Blao1ov, ,622,5/1aomyxa.

/1/1q5`oxw gdcm (Mo}.-, [.1/1o2-): ,u.o}.o5,ua¢, §',uo}.ovZ Véfg. 6 a6z6,uo}1og;

5o6/1o,ua¢Z 11o, 9; heeft soms aj tot augment (¢§;5’ov}.6,myv, ¢§,Bovl¢§o¢yv).

yqaéw zich verlzeugen; pf. yéyqaa met praesens—betcekcnis.

yiygdoxw: 1o9, 1; 21o1*. Eyvjgav, yiygavaz, volgens 1o1, 2. a.

Gcixvw b’éf•?f67’l,° (éayx-: éax-, 1o8, a); 61§§o,uaz, §’<saxov,'5écs1yy,aaz, éévjygehv.

oGQi9‘61VCO inslajnen; (éag-19vy, 1o8, c); xar—é6agoov, xara—6e6dg2%yxa.

éee-, (SF-: 1o2, 3; plqpf. 3. pl. ook ééeéieoav. ‘

KAEG1,_GfiekSC}1e Gramm. 7e druk. 8

Oéw bindeni a11d61‘6 S21m61111'6kk1I1g611 dim 1o1 ec: £'6ovv, 1sno<so5vwu, A

1srco5o'5v, 2sno<so15,wavog.

élaezdoyae le12e%,‘ augm. 5zgyw5,u1yv, cszjym§1%yv, 611 11161 16d. Eéaécghoyro. _

6561y/.11, bijVO1‘m bij Géw bindevq 3. p. pl. élééaow.

611,o ci w GZOFSZ kebbeizg sam611’[1‘6kk1r1g als Crim 9o, 2: éewjg, éupj, Eéiwy, <su,m7v.

égdw do@n,‘ pf. P. éééga,/M11, 21o1. P. é`<sgdm91yv, adi. verb. Ggaazéog.

évmyar kuemem in het impl. ook ééévw in plaats van §6z5vaao,· heeft

SOmS 11 tot augmtéflli éévvdpayv, a§6vw§o¢yv.

Mw: 9o, 5; pf. émo-ééévm is (doch zelden) ook trans.: rroMo25;(W6lliC11’M`J).

éyyvéw vo1*pcmden,‘ m6t augm. 611 r6d. 2%;/. o1 éveyvjwv, Eyyeyahyxa.

éyeigw wekken; F. Sysgcb, -:2Zg, A. Hyezga, A. P. 1§yég1%yv ik ward geweki

en ik ward wakker. V

éygipoyal wakkerr worden,· A. II M. riypéwyv, ik ward wvlkker;

`P. éygéyoga. Plqpf. Eygryyégvy ik 66%, @oo18 wolkk@V,‘ Vel'g. 88. 4.

§yxw,u1<i§`w pr@y`zen; ful. -6ww 611 -doopwu, impf. évexwy., pf. éyxaxwy.

aiyit 1o3, 2; adi. V6rb. Gvv-earécw (impf. Www).

eZ_,u¢Z 1o3, 3; b1jVo1m impl. 1. S. gijew, 2. fjeem9<x, 3. {jew, 3. pl. ijwav;

opt. ook Zoieyv. lmper. 3. pl. ook imv. `

Adi. verb. ook Zmyrérw (van Bmw, dat in het Att. niet gebruikt

wordt). _

éxx/l1yold@'w volksvergadering houdewg augm. §58%k7]U[GCO’V of 1%%/lryaiafov.

é`/léyxw vom schuld overzfuigem reg. maar perf. met Att. redupl. (88, 4):

A £,l¢§/leyxzac, plqpf. 5/lv)/leyxro. 1

éxliaaw wem‘eZew,· ook gi/16¤¤w,· augm. .<sZ9lraaov, gilryyar enz. volgerrs

88, 1; ook met spir. lenis.

évavuéoyacz 88, 5; ook 5v—1yvuo13,myv, 5v-1yvuc61%yv, év-ryvriwpal.

é’vvv,u1, &,uq2e— bekleedew; &,u¢pwZ>, -.2Zg, 73],l/LQDLGG, 1§yqa£eo,uc1L.

Evo);/léw Zczsiig val/len; laugm. @#o3;;/lovv, -1ycm, -,u.ou, volg. 88, 5.

é'oe:~¢a: 1111. oOk eixévcu, part. eixcég, Z. 88, 2-

éauogxéw o6% meineed dorm; augm. §mo3gxovv,—5aLc6gx1y1id. A ‘

éaziarayazc 1oo, 6; 1166ft ook érriazw 111 pl. V. érciomao 611 haiarw

111 pl. V. 1§rc[omoo.

§gyoiCoya¢ werken; augm. eigy. (88, 1.) 611 égy. —

Egxw en épmiiw krmpen serpo; augm. eigmw, aigmvoa volgens 88, 1.

épxoyarz 111, 2; fut. 5}.825oo11o1 (schier uitsluitend poet. en lonisch);

,_ imper. aor. éwé evenals einé 71, 12.

5ooiw: 111, 3; pf. A. §(s?§oO%Cl, P. éérjéeoyae (V6rg. 88, 4), Adi. V6rb. A

ééeméov. 1

éomdw O7’L2ihCLZe7’L,' augm. siaziwv, eiaziaaa, eiariqmx 6112. VOlgel1S 88, 1.

81566o Slapen, g6W. xm}-; Z16 %Ot19`81j6CO, pg. 1o3.

eéegyeréw 7/U6ldO87’l,' augm. eéegy. o1 eévygy.

éywdvopat gew. (in- zieh gehaat vnolken; (st. éxét-ly, volgens 1o8, c);

It (i.7'E—£%?97?O'O,LLGL, érz-1yx1%,myv, dn-¢§%o1y,uou.

exo): 111, 5; &,mz—é%w en -ioxw ornhnllen; impf. ijunzoxov.

dyaéxopoz mn hebben; augm. nnneaxépnv, volg. 111, 5, b. I

éhpw kokon: F. éynjoco, A. ngunoa, Adi. Verb. égunzég en 5<;m96g.

Zeéyvvpet ook 3o1‘. Il éfvjynv. V

Ceovvvye gordon, volg. 1o5 b. Ccoow, eiwoa, é’@‘w(o),uou.

Zoot, x6n9n,uou: 1o3, 5. impf. ook xou%§,unv, xa1%§oo, xa¢%7o1o enz.

C. xon9*o5,uev9a, O. x<1og§,u1yv o1 x<1ooi,unv.

@115 zeggen: impt. iv 6° éyoét en 5 c5° 5; (zei ik, - hey), verg. 1o3, 1.

Oéw Zeopen, praes. en impf. 8o, 2 (uit1s*e6w, Mpeg als mléw 1o7, Opm.);

' 1111. oe1soo,u.az.

Oeyyoivw aanrczkeng (O1;}-, 1o8, d): 1%§o,uou, e‘3¢yov.

Ovjoxw, érco-Z 1o9, 7; Cig. Om-[aww, fOL111e1 Gvvjaxco, Opt. P. zeova[1yv,

I111pe1‘. 3. S.: zeéwdzw.

19 Q aj yr 1 w sink broken, verwg)fd1nakon,· pf. P. rér9gv,u,ucu van zgaiqa-, volg. 21,2.

Zégéco zweoion, reg.; 113381 Zégoivu Ook Zégdbvu.

Zfw: Zie xm%§`w.

i’ry,ue: 97-99; éepiryynz impf. ook iitpiew, augm. volg. 88, 5.

Zldoxoyaz vorzoenen; (Zloz(o)-): Z/lotoquou, Zlaodpanv.

i’amy1u: naast zo éowig (1o2, 1) ook zo écrég, rb >¤aoeoz6;; imper. in

pl. van Zbmeo ook wel ibm).

n<119e25§oaZ 88, 5; 3ugI11. 113381 §%d198”UOOV Ze1de11 xa1%y5<sov; F. xonievérfow.

xoion,ua1: Zie Zyae.

xczoZ§`co: 111, 14; 3L1g111. 113381 excwzooz (88, 5) ook x<1oZoa.

xozivcoi 85, 3; pf. x<1m—xéxov<1 VO1geI1S 87.

xaiw: 91, 2; verg. 75, 3. d. opm.; A. ook emya, éioea (poet.); A. P. ook

éxeiry (poet. en ion.), .

xaléwz 91, 5; Opt. pf. P. Mex/@7o (zonder omschrijving).

xeiluazi 1o3, 6; C. xénwe, xécovmt. O. xéoew, xéowro. ‘

xegdvvvycz 1o5, 1; p3S8. pf. xexégaquac, élOl’. exegdovhv.

xegéozivco winszf mczken; 113381 exégénva ook éxégéowa 111 S11‘ijd met 83, 2.

x/1dQw klinkon: P. xéx/tozyya, F. nexlciy§o,uae.

· xldw broken; (x}.&(o)—): xltdow, exlaoa, xéx/Iaquou, 5%/1o1oo2yv, volg. 9o, 3.

mlénzw Stolen; F. x/té1po,uou en xléguw; A. é'x»1e1,ua, P. A. xéxlotpa (87, 3. d);

P. P. new/1e,u,ua¢, A. P. exlotmyv (86, 3); A. V. xlenrég en xlerzzéog.

nlivwi 95, 48; 3or. P. ex/tfwyv en exlffnyv, fu1. xlzwjooluaz. .

xvotco: krabbon; med. xvnzcu, %V77()“19GL, 83me1111‘. 318 {Inv e11Z. 9o, 2.

xogévvvluz vorzcwZigon,' (nogeo-): xopéow (xogcb) exégeoa, xexégeoluou,

§xogém9*1yv. ~

xgdéco Schreeuwen, P. xéxgecya, Imper. xéxgax19*e, F. xexgdéoluaz.

11@é11o111o11 ·ha11go11.‘ 1111. %Q8,ll/I§GO,l/LOL. » ~

%QO'l.jCt) s1oo1o1/1.' 11é11gov11o11, §11,go15o191y1, %,QOQ)O176§, eVe11&1IS 112111o9 9o, o. I

%'C(iO,LLdL 21o11 1%:11oo1oo11; reg. Opt. Perf. %8%'L'C13,ll,8oCl (zo11de1·omschrijving).

%‘Cl;’VVQ),LLL, o111o- 11oo11o11; bijvorm bij o1r1o-111o11oo (-111o111;,111). I

1o1oo ,,Zo‘z‘o11", 111 511-, 11o11o1-, oo/1-/1o11o; 111, 12, P. pf. OOk -11o1o%:1o1,

aor. oo1;.·z1.é;p91y1 (bijz. [o11.).

1o11o ooggo11, fut. ex. oZg1§oo1o11.

/1o191o LS1o`o111go11; A. P. 11111o/1o15oo111 VOIge1”1S 9o, 6. _

AO'l5CO ’LUol1SSChe7’& (/161:1o, l&VO), fég.; oOk AOGICIL, o/1o151o, o/1o1711o, 1o17ooo11,

1oo11o1o; en soortgelijke.

11o1915o11w 1Z1*o11ko11 11111ko11.‘ o11ooooo1.

,bL8?9"ljO%O_,l,L(1L o11 11872756o 111;*o1111o11 é’11o1%o191y1.

11o1;/111111: 1o5, 8; AZ P. 51111111 (11o11-, 1111- 11, 1).

,11éMw: 11o, 5; heeft soms 11 tot augment: 1711o11o1, 1%.1o111oo. I

11o11o o111*oo11, I:. e11 1‘egeIm.; pf. ,LL8,LLéV7]%G, adi. AVe1‘b. 11o1216;, 11o1o1oo1.

,l,L8Q— 1oo11ooZo11 (1o 11o11o;, ,Ll·8Q1C(,O — 11611o;, 11o1oo1): pf. p21SS. oZQ1111g1o11 71o1

1o 11oo1 /181 1o1 oo1o111111; 1 8i,Ll,GQ,LLéi/77 7’lOOdZOt.

111y1v,111, 11151o OHjL1lS}[e VO1”me11 Vém 11o111111o ,LL8i§CO,’ Z1e 11o1y1v111,. 1o5, 8.

111,11111oxw: A 1o9, 1o; (OOk·,LLL,LL'V7§O%CO en 5,1,61/?!]O’l9"77V geschreven); vo1mt

Van het pf. pass. de1'1 CO1’ll. 11o111os11o19o1,‘ Opt. 11o11111o, 11o111§1o,

118/LV2!]/»L8?.9`(1 (O1 11o11115o, ,l18,LLVC15,LL8't9`d) ZO1”ldeI' O1T1SCh1‘1jV111g.

,lLV’}],bLO’V8’l56O 21o11 h87"?;7’17’L8i”87’L,‘ 1‘edL1pI. &.7Z—8,lLV771L6V8U%Cl, Vel'g. 73, 2. 3.

1o111o 1oo1ZOOZo11,' 1o1é111y11o1, V8Vé,lM],lLClL, §V81L76i97]V volg. 11o, b. . l

1o1o o1oo111111o11, volg. 1o7, Opm. eVe11&IS 111o1o, 1o7, 7; VEQGGO/LOL, o1o11oo1, _

1o1o111o1. ’

OZ/Q/Co, o11-: 88, 2; oOk 111o11o1 e1'1 171o1§o1,· fut. eX. P. &1o11s§o1o11.

o16o1: 1o2, 4;- bijvorm pr. o16o;,- impf. 1561); en 17oo1o19o: plur. Q768,Ll.8V.

. 17oo1o, @oo1; fut. o5o11o1o; adi. Verb. 1o1oo1 111o11 111oo1 1oo1o11

k87’17’L87’L, 1o81871. ,

OE%I8lfQCL) 1’}”L8d8Z’17d87’?» 118oo872, teg.; oOk OZ%'lZfQCO (75, 3 CI), o111111117),

I 1§5111Zgo1. I .

o11o,11o11 1oog 21].71, 1ooggo16111,‘ fut. Oi%7§OO,LL(Zl, pf. o1jg1o11o1 (C§3xCl)%(1 (-311 o§;g1y11o11).

o11ooo111o 1111gl1)`do11,· 21o1. II C15A.lO'o9OV. I .

61LVU,LLLZ 1o5, 12; pass. 611o511o(o)1o11, 1Z>116(o)191yoo11 ——¥ @1o511o1o;,

611111111: 1oo, 1; ook (poét.) A. II M. 1o11111111 (o31o111111), Opt. o1o111111,

Inf. 5’VdOQ9'CLl ooo111oo1 11okko11, I

I 611o11o: 111, 6; Imper. A. A. ook 1oo (als einé 71, 12 d); A. M. o566111)%

Imper 1oo17, als uitroep 16o15 o1o11o111/

6ooo1/11o o878oo/bbld?;gd 115o2o/1o1 85, 3; 6<,oo1}111o1o, o592o1/111oo1, 611o111119%;.

6(PALO'}6 o111o so71111111g o1111 (1o1.9 SZ6ohZ8 1o11Z1o11o11).‘ (o111-11), 6q2}.1j¤1o, 1511/1o1

(aCCe11’t O11ju1St 5(PAELV CH 5o1/11o1) 811 1Z`5<pl1yoo1, 125oo111;:111.

ncio,aac (dor.) = mdqaca en azércogaae = xéxzmaae Izezittew.

azagavqaéw iegen de weifen handelen: azagev6,aovv, azagavevéguqxa. 5

yzagowéw overmoedég hamlelen; augni. énagqéwyaa 88, 5.

rcqéw doen ophouden, regelm., slechts azavozéov, éirmvawg (bij Herod.

ook §7'El1’i§O’l977i/) met o. — .

yzav5o,aae Ophouden: azaéaqaac, énavaawyv, rcéyzavlaaa. 7

nswdw honger 12o66672,* Samenfrekking als Cdw 9o, 2: rcswgjg, yzawgj,

éyzsiwy, nszviv. n

ascgdoyae N1eC1.—PasS.'.94, 3; oOk A. N1. Exéegaaamyv.

izézeyaaz ’oZi@go%,‘ fut. 2zr1§oo,aoa [mmjoo,aaQ,‘ aOr. §yu6,a1yv (volg. 85) Of

éyzzdparyv (VO1g. 1-oo) Of Ermyv (vclg. 1o1).

yzérzw koken; fur. rcéipw e¤Z. , o

rmjyvvyac: 1o5, 9; Opt. pracs. myyv17zo (VoOr myyvviw).

, vzian/hype en nipmgwa worden na 5,a- ook zonder ,u geschreven: .

§,arcZm12y,az, é`,aazZazg¢y,La, Qanmgaoev en soortgclijke, doCh stceds

ev@:·cZ,ayc/Tvyv env SOor’tge1ijke; évaazipcngwv bijvorm Van Evsni/angaaav.

Naast Sv-an/1o§ov92yv ook évm/1¢§,am2 met pass. bet.

yzléxw vlechieni azlééw, ébz/1e§a, rzérzleylaae, énlamyv, 86, 3.

n/léws 1o7, 6; fut. ook nlevaozmar (zoogen. futurum doricum); verder

nenlevayévog (bevarem), éimlewzog (mg mmf bevawm) en azlavazéov.

n/11§zzw: 1o7, 2. 111, 15; m2yzl1yyévae= azsrzhigwae.

rwfyw dom szfikken, worgew (evenals rgfaw 11, 1 en 1o7, 3): m»i§w, ébméa.

N1.-P, Siikken, verdriwkew m»iy1§oo,aoa, ércviyvyv, rcéawLy,aoa.

aoaéw verlawgen naar, wenschew., reg.; zeldcn ook m>w%ao,aa¢,§n61?eoa.

nag- verschaffen (awgifw, rcogawjvwfi aOr. II grwgov ik gaf; PT. P. rcéazgwzae

het is dow hefnoodlof bepaald; 1§ aeagwyévq er1 za nsagwyévov fafum.

aganw 96, 13; bovemléen azérzgaya het is mg} gegaan, ik bevémd

§¢y6w verklew/nd zgjn, reg.; daamaast ook C. éryrp, inf. élyav, part.

éeycévrwv.

aa/lyziiw op de irormpezf _bZazen; (aa/heyy-: 75, 3. b. Opm.): éad/1auy.§.sv

(6 Ga/1yuyxm§g). n

oBévvv ,a¢ uiiblusschevz (aaw-,. xara-) tr. o;?éow, £'o;3°soa, é'o;?so,aaL, é'o,6ém%yv.

_ o§évvv/aa; uiigaan, infr. o;?ojoo,aoa, o/O'[3’I]V (1o1, 4), é'o;31yxa.

Gsiw Schuddeaj Pass. met o: aéauqaaz, é`oc£m%yv, crswzég Vo1gens 9o, I6.

aajyzw 61o6% UGWOHQM, (iam-, xazaarjxoyac, intr. vewoifen (eVeHa1s m§xo,acu,

1o7, 1): oamjoqaaz, éaémyv, ano-asmymég vewoi.

azdfw dwappelen (amy- Sfagnum): cmiéw, ébzafa, év-éaraxwuz Verg.

amygiifw Siuizfen (amygny-): éozégeéa, éamjgemro, O'L“7]QL%198[Q` 75,3. b.

czifw Szfeken (any-): arifw, ébnfa, é’auy,aae, emxzég 1 Opm.

rdzzw: 96, 14; zeldzaam: reiaxawa en ézezdxazo (in strijd met 82, 2,

zcmder omschrijving, volg. Ion. gebruik). .

zi¢91y,ui: 97-99; pf. ook zéeisma (ecrst bij laterc schrijvers).

zixrw: 85, 32 F. zééoluaz, P. rémxa.

zivw: 1o8, I; O11juiS’tZ dow, é’uoa enZ. (nu-, ri-, II, I).

uzgdw (zezgaivw) borens é’:g1yaa, zézpiypeae.

why-, my-: dulden; stam zonder praesens: F. z/bjaopm, A. é’z/Im (1o1, 3. 4),

P. réthyxa. _

zgéxwi in samenstcllingen fut. ook -6Qé§o,ua4.

rgéwz Sidde1"em,’ 21o1. 5'zgwa, volg. 9o, 3.

rgéyw kmzgen, 7moLbZ96Z@n,' I:. rgcéfoluac, A. Ezgayov. ·

zg[,6o.> zvrgfven (IQZB-, zgY§-, 11, I) A. P. érgfqaébyv e1’l §zgf,61yv IO7, 3.

énoarrsziw ?»UCWZt’}”O?M.U87’Z,' augm. érccénravov, érccérnsvoa. ,

qagéywz 1o7, 5; fut. ook qaevéozmai (zoogen. fut. doricum). I ·

gmypi: 1o3, 1: bijvorm é’<,myg bij é’<p¢ym9a en ¢pm9i bij @2191.

gmhigw, 6m-: regelm. volgens aaeigw 96, 33; ook pf. II act. éiégwoga

trans. en intrans.; pf. pass. 3. pl. ook §gm%Qami, evcnals zazdxazae

(ion. zonder omschrijving). -

qogéco (slechts in compos.) Zaien: ¢5La—qop¢§aw, aio-gpg¢§ao,uai (bq} zich bii/men

laden); inf. aor. med. én-am-nppémhe (bovemdéen by zéch bimzen

Zmfen), vcrg. ¤§*ém9a¢.

xaigw zich vevheugeiw xaegijow, éxdpoyv, xaxdpnxa Volge11S IOI, 2. b. A

xaldw Zoslctien: ga/Idaw, éxd/Iaoa, éggaldaihv, VOIgeI’lS 9o, 3.

%(iO%CO g6I]9e7’&.‘ XG'}/OY;/LLGL, g`%GVO'V’, %é%27V(1.

xéw opwerpen, opmchtem xéxeuapai, §%¤3az%ya», Zwauég, volg. 9o, 6.

xgdw omkel geven; xgijaw, éypayaa; med, het omkel mczclplegen, rcgclm.

pass..xé;gpoyov:a¢, §%g1jm%y cle omkelspreuic és, ward gegeven,

xgdw Zeenen, verZeemen,· samengetrokken ggggjg, gpg, xpijv (9o, 2);

éygiyaa, £%g1jo<1zo/hg Zeemie (vom; zich). —— Evenzooz dow-, 5x-,

xazaxpéw voldoende Verder dawxggj (soms fouticf dmixgiy)

het is voldoewvle, eiazéxpay, égiéxpvy.

zpeééwz 96, 1o; F. 3. sing. wave? (in een Dorischen tekst; zoogen. fut. doricum: verg. 111, 9 en 1o7, 5 en 6: \gr{pl'ew, fe'ugw}.


- o - o -



DERDE DEEL: SYNTAXIS


I. Congruentie.

§ 113. 1. Is het subject een neutrum pluralis, dan staat het verbum finitum gewoonlijk in het enkelvoud, het praedicaatsnomen echter altijd in het meervoud.

\gr{T`a meg'ala d~wra t~hs t'uqhs >'eqei f'obon.}.

\gr{P'anta t`a d'ikaia kala >estin}.

2. Op een subject in den dualis of op twee subjecten volgt het praedicaat nu eens in den dualis, dan weer in den pluralis.

\gr{D'uo kal'w te k>agaj`w >'andre t'ejnaton} of \gr{tejn~asin}.

3. Op mannelijke en vrouwelijke appellativa volgt dikwijls het praedicaat in het onzijdig enkelvoud (als substantivum).

\gr{>Aj'anaton <h yuq'h} de ziel is iets onsterfelijks.

\gr{O>uq >agaj`on polukoiran'ih: e<~is ko'iranos >'estw}.

4. Als het subject of object een pronomen is, richt het zich in genus en numerus naar het praedicaats-substantivum.

\la{Ea demun firma amicitia est.}

\gr{A<'uth >'allh pr'ofasis >~hn}: dat was een andere grond.

\gr{P'antes o<~utoi n'omoi e>is'in}: dat alles zijn wetten.

\gr{L'ogoi m`en e>isin >en <ek'astois <hm~wn, <`as >elp'idas >onom'azomen.}

OPM. 1. Ook zoals in het Nederl.: \gr{>Eg'w fhmi ta~uta fluar'ian e>~inai.}

OPM. 2. In definities staat het pronomen, dat dan niet het subject maar het praedicaat is, in het onzijdig: \gr{T'i f`hs >aret`hn e>~inai?}

5. Bepalingen van plaats, van tijd, van wijze, van opeenvolging en gemoedstoestand, die in het Nederlandsch adverbiaal uitgedrukt worden, sluiten zich in het Grieksch als adiectiva aan

bij het woord, waarbij ze behooren (subject of object).

\la{Socrates primus hoc docuit.}

\gr{Skhno~umen <upa'ijrioi >en t'axei} (in de open lucht).

\gr{Trita~ioi >ek Sp'arths >eg'enonto >en t~h| >Attik~h|} (op den derden dag).

\gr{Kat'ebainon e>is t`as k'wmas >'hdh skota~ioi} (in het duister).

\gr{>Ep'uaxa prot'era K'urou e>is Tarso`us >af'iketo.}

II. Het Lidwoord.

§ 114. Het lidwoord \gr{<o, <h, t'o} was oorsptonkelijk aanwijzend voornaamwoord. Deze beteekenis toont het nog

1. in \gr{<o m'en — <o d'e} de een — de ander (in alle naamv.);

in \gr{t`o m'en — t`o d'e}

\gr{t`a m'en — t`a d'e} adverbiaal: deels — deels, nu eens — dan weer;

in \gr{pr`o to~u}: voordezen, vroeger en derg.;

2. in \gr{<o d'e, <h d'e, t`o d'e} hij echter, (hij nu), zij echter, (zij nu);

3. in \gr{ka`i t'on, ka`i t'hn, ka`i to'us},

of \gr{t`on d'e, t`hn d'e, to`us d'e (bij den acc. c. inf. voor \gr{ka`i <'os} en \gr{<o d'e} (126, 1 Opm. 2).

\gr{O<i m`en >et'oxeuon, o<i d`e >esfend'onwn}.

\gr{K~uros d'idwsi Kle'arqw| mur'ious dareiko`us: <o d`e lab`wn t`o qrus'ion str'ateuma sun'elexen.}

§ 115. Het gebruik van het lidwoord stemt in het algemeen overeen met het gebruik van het bepalend lidwoord in het Nederlandsch. Dus gebruikt men het lidwoord:

l. om een bepaalden persoon of zaak te doen uitkomen en van andere te onderscheiden (individualiseerend):

\gr{T~wn <ept`a sof~wn sof'wtatos >~hn S'olwn.}

\gr{<O sof`os >en a>ut~w| perif'erei t`hn o>us'ian} (zijn vermogen).

\gr{X'erxhs <htthje`is t~h| m'aqh| >ek t~hs <Ell'ados >apeq'wrei} (in den bekenden slag).

\gr{K~uros <upisqne~ito d'wsein tr'ia <hmidareik`a to~u mhn`os t~w| strati'wth|} (distributief: singulis mensibus singulis militibus).

2. om een bepaalden persoon of zaak tot vertegenwoordiger te maken van de geheele soort (generaliseerend):

\gr{Nik~a| <o me'iwn t`on m'egan d'ikai' >'eqwn.}

\gr{De~i t`on strati'wthn fobe~isjai m~allon t`on >'arqonta >`h to`us polem'ious.}

OPM. 1. Men onderscheide:

\gr{pollo'i} velen en \gr{o<i pollo'i} de meesten, de groote massa;

\gr{>ol'igoi} weinigen en \gr{o<i >ol'igoi} de oligarchen;

\gr{ple'iones} verscheiden en \gr{o<i ple'iones} de meesten;

\gr{ple~istoi} zeer velen en \gr{o<i ple~istoi} de meesten;

\gr{>'alloi} alii en \gr{o<i >'alloi} ceteri;

\gr{>em`os f'ilos} een vriend van mij en \gr{<o >em`os f'ilos} mijn vriend;

\gr{toio~utos >an'hr} zulk een man en \gr{<o toio~utos >an'hr} de man van dien aard.

OPM. 2. Let op: \gr{<o boul'omenos} ieder, die maar wil;

\gr{<o tuq'wn} de eerste de beste;

\gr{<o tolm'hswn}: iemand, die het wagen kan of zal (qualitatief).

§ 116. Afwijkend van het Nederlandsch staat het lidwoord:

1. bij apposities van het persoonlijk voornaamwoord, zelfs als het voornaamwoord weggelaten is:

\gr{<hme~is o<i <'Ellhnes} wij Grieken, \gr{>eg`w <o tl'hmwn} —

2. bij cardinalia, vooral als zij een bepaald deel van een bekend geheel aanwijzen, dus ook bij breuken:

\gr{t`a d'uo m'erh} twee derde,

\gr{>Ap~hsan t~wn l'oqwn d'wdeka >'ontwn o<i tre~is}.

3. bij \gr{>'amfw} (ambo), \gr{>amf'oteros, <ek'ateros} (uterque), dikwijls ook bij \gr{<'ekastos}:

\gr{t`w pa~ide >amfot'erw — >ep`i t~wn pleur~wn <ekat'erwn — <'ekaston (t`o) >'ejnos — <ek'asths (t~hs) <hm'eras}.

4. bij de possessieve genitivi \gr{o<~u, <~hs, <~wn}, wiens, wier;

\gr{>ap'ejanen <o f'ilos, o<~u t`on u<i`on paide'uw}. § 66.

eveneens bij de possessiva § 64, 3; de demonstrativa § 65, 4; en \gr{p~as} § 121.

OPM. Bij dichters ontbreekt het 1idwoord dikwijls ook daar, waar het in proza volgens bovenstaande regels zou moeten staan.

§ 117. Afwijkend van het Nederlandsch ontbreekt het lidwoord:

1. bij het praedicaatsnomen:

\gr{Poll~wn <o kair`os g'ignetai did'askalos} (de leermeester).

\gr{K'alliston >esti kt~hma paide'ia broto~is} (het schoonste bezit).

2. bij persoonlijke begrippen (\gr{je'os, strathg'os, >'anjrwpos} enz.), wanneer zij als soortnamen gebruikt zijn (§ 115, 2):

\gr{P'antwn m'etron >'anjrwpos >estin.} De mensch is de maatstaf aller dingen.

3. bij soortnamen, die in het gebruik bijna eigennamen geworden zijn; b.v. \gr{basile'us} de koning (van Perzië); \gr{>en >'astei} in de stad (Athene).

OPM. 1. Het lidwoord staat bij het praedicaatsnomen slechts dan, als men het praedicaat als geheel bepaald, reeds genoemd of algemeen bekend wil doen uitkomen; zoo vooral bij gesubstantiveerde participia en bij \gr{<o a>ut'os} dezelfde, enz.

\gr{O<~ut'os >estin <o s'wfrwn, o<~utos <o >andre~ios ka`i fr'onimos (de waarlijk verstandige).

\gr{O<i <; andres e>is`in o<i poio~unetes, <'o, ti >`an >n ta~is m'aqais g'ignhtai.\

\gr{>Eg`w m`en <o a>ut'os e>imi, <ume~is d`e metab'allete.}

OPM. 2. Eigennamen hebben op zich zelf het lidw. niet noodig.

Let echter op: \gr{,o Swkr'aths} of \gr{Swkr'aths <o >Ajhna~ios} de bekende Socrates (van Athene).

Namcn van landen hebben het lidwoord.

§ 118. Attributicve plaatsing (§ 64, 2. Opm.).

\gr{<o >agaj`os >an'hr} de goede man,

òf \gr{<o >an`hr <o >agaj'os} de mom (en wel) de goede.

Zoo: \gr{<h t~wn Pers~wn >arq'h — <o d~hmos <o >Ajhna'iwn — <o par`wn kair'os — kat`a to`us n'omous to`us keim'enous.}

Door attributievc plaatsing krijgen adverbia en adverbiale uitdrukkingcn de beteekenis van attributen; b.v.

\gr{o<i t'ote >'anjrwpoi} de toenmalige menschen — \gr{t`hn >'anw <od'on — t`o >en Plataia'~is >'ergon — to`us o>'ikoi stasi'wtas}.

OPM. De attributieve genetivus van zelfstandige naamwoorden behoeft niet altijd attributicf geplaatst te worden: behalve \gr{<h t~wn Pers~wn >arq'h} ook \gr{t~wn Pers~wn <h >arq'h} en \gr{<h arq'h t~wn Pers~wn}.

§ 119. Pracdicaticvc plaatsing (§ 64, 2. Opm.).

\gr{>agaj`os <o >an'hr} of \gr{<o >an`hr >agaj'os} (sc. \gr{>est'in} of \gr{>'wn}),

de man is goed, of

de man als goede man (in zoover hij goed is).

\gr{E>~iqon p'antes t`as >asp'idas >ekkekalumm'enas}.

§ 120. Verscheidene woorden hebben verschillende beteekenis naar gelang hunner plaatsing. B.v.

1. \gr{<o a>ut`os basile'us} dezelfde koning, idem rex;

\gr{<o basile`us a>ut'os}

de koning zelf, rex ipse: § 62.

2. \gr{<h m'esh p'olis} de middelste stad (tusschen twee andere);

\gr{<h p'olis m'esh}

\gr{m'esh <h p'olis} midden der stad.

3. \gr{t`o >'akron >'oros} de hooge, spitse berg;

\gr{t`o >'oros >'akron}

\gr{>'akron t`o >'oros} de top, spits van den berg.

§ 121. \gr{P~as} (\gr{<'apas, s'umpas, <'olos}) beteekenen:

1. bij een substantivum dat met het lidwoord staat, dus bepaald is:

a) bij praedicatieve plaatsing: geheel, meerv. alle.

\gr{p~asa <h p'olis}

\gr{<h p'olis p~asa} toute la ville, de geheele stad;

\gr{p~asai a<i p'oleis}

\gr{a<i p'oleis p~asai} toutes les villes, alle steden.

b) bij attributieve plaatsing: gezamenlijk, te zamen.

\gr{<o p~as >arijm'os} het gezamenlijk aantal;

\gr{t`o p~an pl~hjos} de gezamenlijke menigte;

\gr{<h p~asa p'olis} de stad op alle punten;

\gr{a<i p~asai p'oleis} de stedenbond.

vandaar \gr{o<i p'antes, t`a s'umpanta} bij getallen: in het geheel.

2. bij een substantivum, dat zonder het lidwoord staat, dus onbepaald is:

ieder, alle; geheel, volledig, louter:

\gr{p~asa p'olis}

of \gr{p'olis p~asa} een geheele stad, iedere stad (welke dan ook);

\gr{p~asai p'oleis} geheele sleden, alle (mogelijke) steden;

\gr{p'ash| t'eqnh|} ka`i mhqan~|} op iedere manier;

\gr{pant`i sj'enei} met volle kracht;

\gr{p'antes >'anjrwpoi} alles, wat mensch heet; de heele wereld;

\gr{>en p'ash| >apor'ia|} in volslagen gebrek; \gr{p~an >agaj'on} louter goeds.

§ 122. Door toevoeging van het lidwoord kan ieder woord (adi., part., adv., inf.) en zelfs een deel van een zin of een geheele zin gesubstantiveerd worden.

\gr{t`o >agaj'on, o<i pollo'i, o<i ple'iones, o<i par'ontes, o<i n~un, o<i p'alai, t`o <'opws, t`o gn~wji saut'on}.

OPM. Zoo verklare men uitdrukkigen als de volgende:

\gr{t`a o>'ikoi}: de toestand te huis;

\gr{t`a t~wn f'ilwn koin'a}: goederen van vrienden zijn gemeenschappelijk;

\gr{t`a pr`os t`on p'olemon}: de maatregelen voor den oorlog;

\gr{o<i per`i K~uron, o<i >amf`i >Aria~ion}: Cyrus, Ariaeus en zijn mannen;

\gr{t`o to~u Dhmosj'enous}, verg. illud Ciceronis.

III. Het Voornaamwoord.

§ 123. 1. Het pronomen reflexivum (§ 63) wordt gebruikt:

a) als direct reflexivum, terugslaande op het subject van den zin, waarinl het staat: \gr{s'unoida >emaut~w| — gn~wji saut'on} enz.

\gr{<O sof`os >en a<ut~w| perif'erei t`hn o>us'ian}.

b) als indirect reflexivum in onafhankelijke zinnen, terugslaande op het subject van den regeerenden zin.

\gr{>Or'esths fe'ugwn >'epeisen >Ajhna'ious <eaut'on kat'agein.}

2. In plaats van het indirecte reilexivum van den 3. persoon kunnen gebruikt werden:

a) de casus obliqui van \gr{a>ut'os}, gedacht van het standpunt van den schrijver:

\gr{L'egousi Xenof~wnti,<'oti metam'eloi a>uto~is (se paenitere).

b) de vormen \gr{o<~i} (of encl. \gr{o<i}) en \gr{sf'isin} (minder vaak \gr{sf~wn, sf~as}:

\gr{K~uros >hx'iou >adelf`os >'wn basil'ews doj~hnai o<~i} (sibi) \gr{ta'utas t`as p'oleis} (\gr{>er'izont'a o<i}: An. 1. 2, 8).

§ 124. Over de wijze, waarep de bezitter wordt aangewezen, zie § 64, 3.

\gr{So`i d`e to~uto d'idwmi,<'oti mou t`hn mht'era tim~a|s.}

\gr{Ka`i <ume~is <'apantes to`us <umet'erous pa~idas >agap~ate.}

\gr{K>ap`i to~is saut~hs kako~isi k>ap`i to~is >emo~is gel~a|s.}

\gr{>Astu'aghs t`hn <eauto~u jugat'era metep'emyato ka`i t`on pa~ida a>ut~hs.}

\gr{M~allon piste'usate to~is <umet'erwn a>ut~wn >ofjalmo~is >`h to`is to'utou l'ogois (verg. vestra ipsorum opera).

§ 125. Van de aanwijzende voomaamwoorden (§ 65) wijst \gr{<'ode} (deze hier) gewoonlijk op hetgeen juist tegenwoordig is, op hetgeen volgt, daarentegen \gr{o<~utos} (deze) op wat reeds genoemd is, op wat voorafgaat.

\gr{<'Hde <h <hm'era}: de huidige dag.

\gr{Tekm'hrion d`e to'utou} (van het gezegde) \gr{ka`i t'ode.}

\gr{Ta~uta m`en d`h s`u l'egeis: par' <hm~wn d' >ap'aggelle t'ade.}

Hetzelfde onderscheid, dat er bestaat tusschen \gr{<'ode} en \gr{o<~utos}, bestaat ook tusschen \gr{toi'osde} en \gr{toio~utos}, \gr{tos'osde} en \gr{toso~utos}, \gr{<~wde} en \gr{o<'utws} enz.

\gr{Kl'earqos m`en tosa~uta e>~ipe: Tissaf'ernhs d`e <~wde >apekr'inato}.

§ 126. 1. Van de relatieve pronomina en adverbia (§ 66, 68) slaan \gr{<'os}, die, welke, en de andere niet-samengestelde relativa (\gr{o<~ios, <'osos, o<~u, <'ote, <ws}) op iets bepaalds, (individueel), daarentegen

\gr{<'ostis} wie ook, en de andere samengestelde relativa (\gr{<op...}) op de eigenschap of soort (algemeen).

\gr{>'Estin D'ikhs >ofjalm'os, <`os t`a p'anj' <or~a|.}

\gr{Mak'arios, <'ostis o>us'ian ka`i no~un >'eqei.}

OPM. 1. Let op de vaste uitdrukkingen:

\gr{>'estin <'ostis}, menigeen \gr{>'estin <'ote} somtijds, \gr{>'estin o<~u} hier en daar,

\gr{>'estin <~w|}, aan menig(een) \gr{>'estin o<'i} en \gr{e>is`in o<'i} menig(een).

OPM. 2. \gr{<'Os} is demonstrativum in \gr{ka'i <'os} en hij, \gr{>~h d' <'os} sprak hij, zeide hij.

\gr{O>de`is >ant'elege, ka`i <`os <hge~ito}.

\gr{<'osper} slaat terug op iets bekends: qui quidem. An. 3, 2, 10.

\gr{<'osge} geeft tevens een reden te kennen: quippe qui. An. 1, 6, 5.

2. Een betrekkelijk voornaamwoord, dat in den accusativus zou staan en op een genetivus of dativus slaat, neemt vaak den naamval aan van zijn antecedent (assimilatie of attractie van het relativum).

ls het antecedent een aanwijzend voornaamwoord, dan blijft dit weg; is het een zelfstandig naamwoord, dan komt het meestal zonder lidwoord aan het einde van den relatieven zin te staan.

\gr{>'Axioi >'esesje t~hs >eleujer'ias, <~hs k'ekthsje}

\gr{N~un >epain~w se >ef' o<~is l'egeis te ka`i pr'atteis.}

\gr{To'utous>'arqontas >epo'iei <~hs katestr'efeto q'wras.}

\gr{<Hripp'idas >epore'ueto s`un <~h| e>~iqe dun'amei.}

OPM. Veel minder komt het voor, dat een nomen of pronomen den naamval aanneemt van het relativum (assimilatio inversa).

\gr{>'Elegon <'oti p'antwn <~wn d'eontai peprag'otes e>~ien.}

3. Wanneer twee (of meer) relatieve zinnen op elkander volgen en het tweede relativum in een anderen naamval zou moeten staan dan het eerste, dan wordt het of weggelaten òf vervangen door \gr{a>ut'os} (minder dikwijls door \gr{o<~utos} en \gr{>eke~inos}) of een persoonlijk voornaamwoord.

\gr{>Aria~ios <`on <hme~is >hj'elomen kasil'ea katist'anai, ka`i} (sc. \gr{<~w|}) \gr{>ed'wkamen ka`i} (sc. \gr{par' o<~u}) \gr{>el'abomen pist'a, <hm~as kak~ws poie~in peir~atai.}

\gr{Po~u d`h >eke~in'os >estin <o >an'hr, <`os sunej'hra <hm~in, ka`i s`u m'ala >eja'umazes a>ut'on?}

\gr{Ka`i n~un t'i qr`h dr~an? <'ostis >emfan~ws jeo~is / >eqja'iromai, mese~i d'e m' <Ell'hnwn strat'os.}

§ 127. Van de vragende voornaamwoorden en adverbia (§ 67 sqq.) gebruikt men:

\gr{t'is, po~ios, p'osos, po~u, p'ote, p~ws} zoowel direct als indirect,

\gr{<'ostis, <opo~ios,<op'osos,<'opou, <op'ote, <'opws} alleen indirect vragend.

\gr{T'is te ka`i p'ojen p'arei? — M'aje pr~wton, t'ines e>is'in. — O>uk >'iste, <'o, ti poie~ite.}

OPM. In plaats van het indirect vragend voornw. gebruikt men ook \gr{<'os, <'h, <'o}. (Verg. § 176, 1). \gr{>Ako'usate, <~w| tr'opw| <um~in <h dhmokrat'ia katel'ujh}.

IV. Over het gebruik der naamvallen.

§ 128. Het Grieksch had oorspronkelijk, evenals de verwante talen, acht naamvallen; daarvan zijn er echter drie verloren gegaan, namelijk de ablativus (vanwaar?), de locativus. (waar? wanneer?) en de instrumentalis (met wien? waarmede?). Deze drie naamvallen worden deels door den genetivus, deels door den dativus vervangen.

A. DE ACCUSATIVUS.

§ 129. De accusativus is de naamval van het zoogenaamde directe of nadere object. Dit is òf een uitwendig object (d. i. dat buiten de handeling ligt, door de handeling wordt getroffen), b.v. \gr{>en'ikhsan to`us polem'ious}, òf een inwendig (dat reeds in de handeling ligt), b.v. \gr{t'ina n'ikhn >en'ikhsas?}

1. De accusativus van het uitwendig object.

§ 130. Opmerking verdienen de volgende werkwoorden, die in het Grieksch transitiva zijn:

1.bevoordeelen, benadeelen: \gr{>on'inhmi, >wfel'ew, bl'aptw tin'a}.

goed doen, kwaad doen: \gr{e>~u (kak~ws) poi'ew, e>uerget'ew, kakourg'ew, >adik'ew tin'a.}

\gr{M'emnhso plout~wn to`us p'enhtas >wfele~in.}

OPM. \gr{Sumf'erei} het is voordeelig, \gr{lusitel'ew} nuttig zijn, regeeren den dat.

2. vluchten, ontkomen: \gr{fe'ugw, >apo-(>ek)fe'ugw tin'a}.

verborgen zijn, voorkomen: \gr{lanj'anw, fj'anw tin'a}.

zweren, een meineed doen bij: \gr{>'omnumi, >epiork'ew tin'a}.

\gr{O>ude`is poi~wn ponhr`a lanj'anei je'on.}

Vandaar: \gr{n`h D'ia} ja, bij Zeus; \gr{O.u m`a to`us jeo'us} neen, bij de goden.

3. zich schamen, ontzag hebben voore: \gr{a>isq'unomai, a>id'eoma'i tina}.

zich in acht nemen, hoeden voor: \gr{ful'attoma'i tina}.

bang zijn, schrikken voor: \gr{fob'eomai, >ekpl'httoma'i tina}.

zich verweren tegen, zich wreken op: \gr{>am'unomai, timwr'eoma'i tina}.

\gr{>Hisq'unjhmen ka`i jeo`us ka`i >anjr'wpous}.

\gr{>Adiko~unta peiras'omeja s`un to~is jeo~is >am'unasjai}.

§ 131. Eenige werkwoorden, die oorspronkelijk intransitiva waren, worden transitief gebruikt, vooral werkwoorden van beweging, die met praeposities samengesteld zijn; b.v.

\gr{m'enw} blijven, wachten — \gr{tin'a, ti} op iemand, iets wachten, afwachten.

\gr{spe'udw} ijverig zijn — \gr{t`i} iets bespoedigen, met ijver (haast) doen.

\gr{pl'ew} varen — \gr{t`hn j'alattan} de zee bevaren.

Zoo \gr{diaba'inw potam'on, paraba'inw to`us n'omous,}

\gr{<uperba'inw te~iqos, >'oros, di'erqomai t`hn q'wran,}

\gr{<uf'istamai kind'unous, parapl'ew n~hson} enz.

§ 132. Een dubbelen accusativus, één van het uitwendig object en één praedicaats-accusativus, hebben de werkwoorden, die beteekenen:

noemen, houden voor: \gr{>onom'azw, l'egw, nom'izw tin'a ti}

benoemen, maken, kiezen tot \gr{poi'ew, >apode'iknum'i tin'a ti}

\gr{>Id'ias n'omize t~wn f'ilwn t`as sumfor'as.}

\gr{Dare~ios K~uron satr'aphn >epo'ihsen.}

OPM. Beide accusativi worden in het passivum nominativi:

\gr{K~uros strathg`os >apede'iqjh.}

§ 133. Een dubbelen accusativus van het uitwendig object, n.l. één van den persoon en één van de zaak, hebben de werkwoorden:

herinneren, vragen: \gr{>ana-mimn|skw, >erwt'aw tin'a ti,}

verzoeken, vorderen: \gr{a>it'ew, >apait'ew, pr'attoma'i tin'a ti,}

ontnemen,berooven: \gr{>afair'eomai, >aposter'ew tin'a ti.}

\gr{>Anamn'hsw <um~as kaì to`us t~wn prog'onwn kind'unous.}

\gr{K~uron a>it'hsomen plo~ia ka`i <hgem'ona.}

\gr{T`on p'anta d' >'olbon >~hmar <'en m' >afe'ileto.}

OPM. 1. In het passivum wordt de accusativus van den persoon nominativus, de accusativus van de zaak blijft onveranderd:

\gr{A>i'akhs >apest'erhto t`hn >arq'hn.}

OPM. 2. Over \gr{>apoter'ew tin'a tinos} en \gr{>afair'eomai tin'os ti}: § 144, 2 m. opm. 2.

2. De accusativus van het inwendig object

§ 134. De accusativus van het inwendig object of accus. van inhoud bij transitieve en intransitieve werkwoorden is:

1. een met het werkwoord stam- of zinverwant zelfstandig naamwoord, meestal door een attribuut (of een relatieven zin) nader bepaald:

\gr{ta'uthn t`hn strathg'ian strathge~in — k'alliston >'ergon >erg'azesjai — doule'ias doule'uein, o<'ias o>ud' >`an do~ulos o>ude'is — pore'uesjai to`us pr'wtous stajmo'us — t`on <ier`on p'olemon strate~usai — >'apimen <'hnper >'hljomen >`h >'allhn tin`a <od'on?}

\gr{O<~utoi m'egista ka`i >anosi'wtata <amart'hmata <amart'anousin.}

\gr{Z'hseis b'ion kr'atiston, <`hn jumo~u krat~h|s.}

OPM. Het attribuut ontbreekt slechts in eenige vaste uitdrukkingen: \gr{fulak`as ful'attein} op wacht staan , \gr{f'oron f'erein} cijns betalen en derg.

2. een attribuut (soms een substantivum, soms het neutrum van een adiectivum of pronomen) bij het weggelaten substantivum:

\gr{>Ol'umpia nik~an = >Olupik`hn n'ikhn nik~an}.

\gr{<hd`u (= <hd`un g'elwta) gel~an — dein`a (= dein`hn <'ubrin) <ubr'izein — p'anta nik~an, o>ud`en front'izein, t`a >'alla >epimele~isjai} enz.

\gr{O>uk >'estin <'ostis p'ant' >an`hr e>udaimone~i.}

§ 135. Een dubbelen accusativus, één van het inwendig en één van het uitwendig object, komt voor bij vele transitieve werkwoorden (verg. § 130).

\gr{Basile`us <hm~as t`a >'esqata a>ik'izetai.}

\gr{Lakedaim'onioi poll`a t`hn p'olin <hm~wn >hdik'hkasi ka`i meg'ala.}

OPM. In het passivum wordt het uitwendig object nominativus, het inwendig blijft onveranderd: \gr{>'allhn e>uerges'ian e>uergethje'is — o>ud`en >adiko'umenos}.

3. De accusativus in vrijer gebruik.

§ 136. De accusativus wordt op meer vrije wijze met verba, die een toestand uitdrukken, en eveneens met adiectiva verbonden, om nauwkeuriger het begrip van deze woorden te begrenzen, om aan te wijzen, met betrekking waarop zij gebruikt worden (accusativus

van betrekking, acc.limitationis, acc. graecus; verg. os umerosque deo similis).

\gr{k'amnw t`hn kefal'hn, to`us >ofjalmo'us} aan de oogen lijden.

\gr{(t`o) >'onoma, g'enos, e>~idos} van naam, afkomst, naar het uiterlijk.

\gr{(t`o) e>~uros, <'uyos, b'ajos, pl~hjos, k'allos} in breedte, hoogte, diepte enz.

\gr{B'eti'on >esti s~wm'a g' >`h yuq`hn nose~in.}

\gr{Tufl`os t'a t' >~wta t'on te no~un t'a t' >'ommat' e>~i}

§ 137. De accusativus van uitgebreidheid in ruimte en tijd geeft antwoord op de vragen: hoe ver? hoe lang?

\gr{T~hs <Ell'ados o>u me~ion >`h m'uriast'adia >ape~iqon.}

\gr{Yeud'omenos o>ude`is lanj'anei pol`un qr'onon.}

OPM. l.. Let op: \gr{tri'akonta >'eth gegon'ws} triginta annos natus.

\gr{>en'athn <hm'eran} sedert acht dagen,

OPM. 2. De accusativus van doel (op de vraag waarheen?) komt alleen bij dichters voor. In proza worden, ook aan stedennamen, steeds praeposities toegevoegd:

\gr{e>is >Aj'hnas} Athenas.

§ 138. Zeer vele accusativi van inhoud, van betrekking en van uitgebreidheid zijn geheel en al adverbia geworden (adverbiale accusativus).

\gr{O>ud'en} volstrekt niet, — \gr{ti} in eenig opzicht, eenigermate,

\gr{t'i} in welk opzicht? waarom? \gr{t>~alla} overigens,

\gr{pol'u} verreweg, \gr{poll'a} dikwijls,

\gr{(t`a) p'anta} in het geheel, in alles, \gr{t`a poll'a} meestal,

\gr{(t`o) pr~wton} \gr{>arq'hn} met. neg.: volstrekt niet,

\gr{(t`hn) pr'wthn} eerst, aanvankelijk, \gr{t`o loip'on} in het vervolg,

\gr{makr'an} verre \gr{t`hn taq'isthn} ten spoedisgte,

\gr{t'ina tr'opon? — to~uton t`on tr'opon} op welke? — op deze wijze, \gr{t`o kat' >em'e, t`o kat`a to~uton} wat mij, wat hem. betreft (§ 195, 5),

\gr{t`o pr'in} vroeger, nu, \gr{pr'ofasin} onder voorwendsel enz.

OPM. Over den accus. absolutus zie § 199, 4.

B. DE GENETIVUS.

§ 139. De Grieksche genetivus is deels eigenlijke genetivus, deels vervangt hij den oorspronkelijken ablativus (vanwaar?) en geeft i dan het uitgangspunt eener handeling te kennen, òf in locale beteekenis (scheiding, vergelijking; stof) òf in logische (oorzaak).

1. De eigenlijke genetivus.

§ 140. De genetivus possessivus wordt gebruikt om den bezitter of den persoon, die de oorzaak van iets is, aan te wijzen bij substantiva en adiectiva, bij \gr{e>~inai} en \gr{g'ignesjai} behooren tot, passen voor, getuigen van ....

\gr{<h K'urou strati'a — t`o to~u S'olwnos, t`a t~wn <Ell'hnwn} enz.

\gr{<ier`os <o q~wros t~hs >Art'emidos. K'imwn Milti'adou. Perikl~hs <o Xanj'ippou — >en <'Aidou} (sc. \gr{t~h| o>ik'ia|}), \gr{e>is <'Aidou}.

\gr{Pen'ian f'erein o>u pant'os, >all' >andr`os sofo~u} — maar \gr{>em'on >estin,}

verg. cuiusvis hominis est errare — maar meum est.

§ 141. De genetivus obiectivus, die dient om den persoon of de zaak aan te wijzen, waarop een handeling of gevoel betrekking heeft, wordt gebruikt:

1. bij substantiva verbalia (verg. cupiditas gloriae):

\gr{<h t~hs patr'idos swthr'ia — >epijum'ia <hdon~wn},

\gr{t`o m~isos Pausan'iou} de haat tegen Pausanias (subj. de haat van Paus.);

\gr{b'ia| t~wn polit~wn} met geweld tegen de burgers, trots de burgers.

\gr{di' a>isq'unhn ka`i >All'hlwn ka`i K'urou} uit schaamte voor e. en C.

2. bij de verba, substantiva en adiectiva, die op een gerechtelijk handelen betrekking hebben, om de schuld of het misdrijf aan te geven; zoo bij

beschuldigen, aanklagen: \gr{a>iti'aomai, gr'afoma'i tin'a tinos}.

overtuigen, betrappen: \gr{a<ir'ew tin'a tinos, <al'iskoma'i tinos}.

schuldig, onschuldig: \gr{a>'itios, >ana'iti'os tinos}.

\gr{>E'an tis <al~w| t~hs kak'wsews t~wn gon'ewn, ded'sjw.}

3. bij de verba en adiectiva, die beteekenen (en hun tegendeel):

begeerig: \gr{>epijum'ew, >er'aw, >ef'iemai, >or'egoma'i tinos}.

ervaren: \gr{>'empeiros, >'apeiros, >epist'hmwn tin'os}.

gedachtig: \gr{m'emnhmai, mn'hmwn — >epilanj'anoma'i tinos}.

bezorgd: \gr{>epim'elomai, front'izw — >amel'ew, >oligwr'ew tin'os — m'elei mo'i tinos — >epimel'hs, >amel'hs tinos}.

deelachtig: \gr{koinwn'ew, met'eqw — metad'idwm'i tinos}.

machtig: \gr{>'arqw, basile'uw — k'urios, >egkrat'hs tinos}. § 145, 2.

vol: \gr{>emp'implhmi, plhr'ow — pl'hrhs, mest'os, ken'os tinos.}

\gr{<O gramm'atwn >'apeiros o>u bl'epei bl'epwn.}

\gr{>'Anjrwpos >`wn m'emnhso t~hs koin~hs t'uqhs.}

4. bij de werkwoorden, die beteekenen:

aanvatten, aanraken: \gr{lamb'anomai, <'aptoma'i tinos}.

zich vasthouden aan, raken: \gr{>'eqomai, tugq'anw tin'os}.

verkrijgen, missen: \gr{lagq'anw, <amart'anw tin'os}.

zich vergissen, bcproeven: \gr{ye'udomai, peir'aoma'i tinos}.

\gr{>'Et' >'esti ka`i so`i t~wnde suggn'wmhs tuqe~in.}

\gr{>Esf'alhmen t~hs d'oxhs. — Poll~wn ka~wn pepeir'ameja.}

OPM. De gen. objectivus is bij vele der onder 3 en 4 genoemde werkwoorden te gelijk gen. partitivus.

§ 142 1. De genetivus partitivus, d.i. de gen. van het gedeelde geheel, heeft bijna altijd praedicatieve plaatsing. Hij komt meer voor dan in het Latijn en kan gebruikt worden op alle plaatsen, waar men denkt aan de tegenstelling van een geheel tot zijne deelen; b.v.

\gr{t~wn >anjr'wpwn o<i sofo'i} (maar slechts \gr{o<i jnhto`i >'anjrwpoi}) — \gr{<o >'aristos <ap'antwn — t'is <hm~wn? — o>ude`is a>ut~wn — J~hbai t~hs Boiwt'ias — po~u g~hs?} ubi terrarum?

\gr{>oy`e t~hs <hm'eras — e>is to~uj' <'ubrews} (verg. eo vecordiae) enz.

\gr{>Ariste`us >'hjele ka`i a>ut`os t~wn men'ontwn e>~inai.}

2. De genetivus partitivus kan dus bij ieder werkwoord staan, wanneer de handeling niet het geheele object, maar slechts een gedeelte er van raakt en staat dus vooral:

a) bij de werkwoorden eten, drinken, proeven, genieten, wanneer slechts een gedeelte van het aanwezige gebruikt wordt.

\gr{T~wn khr'iwn <'osoi >'efagon, p'antes >'afrones >eg'ignonto.}

\gr{>Ol'igoi s'itou >ege'usanto — Swkr'aths t`o f'armakon >'epien}.

b) bij de verba en adiectiva, die een deel hebben en vol zijn beteekenen; z. § 141, 3.

OPM. I. Men zegt alleen \gr{kain'on ti}: aliquid novi (niet \gr{kaino~u ti}),

en \gr{o>ud`en >agaj'on} nil boni (niet \gr{o>ud`en >agajo~u}).

OPM. 2. Het regeerende adiectivum numerale neemt het geslacht aan van het afhankelijk substantivum: \gr{<o loip`os to~u qr'onou — t~hs g~hs t`hn poll'hn — to~u s'itou t`on <'hmisun}.

§ 143. De genetivus qualitatis wordt bijna alleen gebruikt, indien grootte of leeftijd door een getal of een verwant begrip nauwkeurig bepaald wordt.

\gr{Tri~wn <hmer~wn <od'on — te~iqos e>~uros m`en e>'ikosi pod~wn, <'uyos d' <ekat'on.}

\gr{Pr'oxenos >~hn, <'ote >ap'ejnh|sken, >Et~wn <ws tri'akonta.}

OPM. Om een eigenschap aan te wijzen, gebruikt men in andere gevallen den accusativus van betrekking, § 136.

2. De genetivus als plaatsvervanger van den ablativus.

§ 144. De genetivus separationis komt voor:

bij de verba (en adiectiva), die beteekenen:

1. scheiden en afhouden: \gr{>ap'eqw, e>'irgw, kwl'uw tin'a tinos}.

verwijderen, bevrijden: \gr{>apall'attw, >eleujer'ow — >ele'ujeros}.

verwijderd en verschillend zijn: \gr{>ap'eqw, di'eqw — diaf'erw tin'os}.

wijken van, afblijven van: \gr{e>'ikw — >ap'eqoma'i tinos}.

sparen: \gr{fe'idoma'i tinos}.

verg. arcere, prohibere, liberate, abesse, abstinere.

\gr{T~wn p'onwn >aphll'aqjai nom'izontes <hd'ews >ekoim'hjhsan.}

\gr{>Ap'eqei <h Pl'ataia t~wn Jhb~wn stad'ious <ebdom'hkonta.}

2. berooven: \gr{>aposter'ew — st'eromai} beroofd zijn.

noodig hebben, missen: \gr{>apor'ew — span'inzw — >'erhmos — d'ew — de~i mo'i tinos — d'eomai — >ende'hs tinos}.

verg. privare, egere, carere.

\gr{<O mhd`en >adik~wn o>uden`os de~itai n'omou.}

OPM. 1. \gr{Pollo~u (>ol'igou) d'ew} c. inf.: het is er ver (weinig) van af, dat ik . . .

OPM. 2. \gr{D'eoma'i tin'os ti} iemand om iets verzoeken, indien het object een pron. of adi. in het neutr. (of inf.) is, anders \gr{a>it'ew tin'a ti}.

\gr{<Um~wn de'omeja ta~uta}, maar \gr{K~uron >'h|hthsan misj'on}.

OPM. 3. Men vindt ook \gr{>afair'eoma'i tin'os ti} (§ 133).

3. beginnen: \gr{>'arqw} (als anderen voortzetten) \gr{to~u l'ogou} de bespreking.

\gr{>'arqomai} (als ik zelf voortzet) \gr{to~u l'ogou} mijne rede.

\gr{>ap'o, >e'k tinos} bij iem. b.v. \gr{>ap`o t~wn je~wn} bij de goden.

doen ophouden: \gr{pa'uw tin'a tinos} (ontzetten): \gr{t~hs >arq~hs}.

ophouden: \gr{pa'uomai, l'hgw tin'os (>org~hs)}.

\gr{Peir~asje s`un jeo~is >'arqesjai pant`os >'ergou}.

4. bij de werkw. van waarneming als persoonlijk object:

\gr{>ako'uw, manj'anw, a>isj'anomai, punj'anomai}; verg. audio ex, ab aliquo.

\gr{>Ako'usesje >emo~u p~asan t`hn >al'hjeian}.

OPM. Het zakelijk abject staat gewoonlijk in den accusativus; men anderscheide echter:

\gr{>ako'uw, a>isj'anoma'i ti} iets hooren, vernemen,bemerken, gewaar worden,

van \gr{>ako'uw, a>isj'anoma'i tinos (van personen en zaken), naar iemand of iets luisteren,

op iets acht slaan, aan iemand gehoorzamen.

\gr{>Ako'usantes t`on j'orubon o>uq <up'emeinan.}

\gr{>'Akoue p'antwn, >ekl'egou d' <`a sumf'erei.}

\gr{N'eos >`wn >ako'uein t~wn gerait'erwn j'ele.}

§ 145. De genetivus comparationis (comparativus) wordt gebruikt:

1. bij comparativi, in dezelfde beteekenis als \gr{>'h} met den nom., acc., (gen.) of dat.; — verg. luce clarius.

\gr{Sig'h pot' >est`in a<iretwt'era l'ogou.}

\gr{File~i d' <eauto~u ple~ion o>ude`is o>ud'ena.}

\gr{Pros'hkei moi m~aloon <et'erwn >'arqein} (= \gr{>`h <et'erois}).

2. bij verba en adiect. met comparatieve beteekenis:

overtreffen: \gr{perig'ignomai, strathg'ew, <hg'eomai} (§ 141, 3).

onderdoen: \gr{<htt'aomai, <uster'ew tin'os}.

\gr{>'Anjrwpos sun'esei <uper'eqei t~wn >'allwn.}

\gr{Pausan'ias e>is <Al'iarton <ust'erhse Lus'androu.}

OPM. \gr{<hg'eoma'i tinos} aanvoeren: \gr{strate'umatos}.

\gr{<hg'eoma'i tini} den weg wijzen: \gr{ta~is naus'in}.

§ 146. De genetivus materiae geeft de stof of den inhoud te kennen, waaruit iets bestaat of. gemaakt is (Lat. ex aliqua re).

\gr{par'adeisos panto'iwn d'endrwn — g'erra dasei~wn bo~wn}.

\gr{O<i st'efanoi o>uk >'iwn >`h <r'odwn >~hsan, >all`a qrus'iou.}

§ 147. In den genetivus causac plaatst men de (persoonlijke of zakelijke oorzaak bij verba en adiect. van gemoedsbeweging; bv.

gelukkig prijzen (iemand wegens iets): \gr{e>udaimon'izw tin'a tinos}.

toornig zijn: (op iemand wegens iets): \gr{qalepa'inw, >org'izoma'i tin'i tinos}.

\gr{E>udaimon'izw <um~as t~hs >eleujer'ias, <~hs k'ekthsje.}

§ 148. In den genetivus pretii staat de prijs bij de verba en adi.:

koopen en verkopen: \gr{>wn'eomai — pwl'ew, >apodidoma'i t'i tinos}.

waard achten, schatten: \gr{tim'aw, >axi'ow — >'axios, >an'axios}.

\gr{T~wn p'onwn pwlo`usin <hm~in p'anta t>agaj' o<i jeo'i.}

\gr{>Ihtr`os g`ar >an`hr poll~wn >ant'axios >'allwn.}

Zoo: \gr{pollo~u} magno duur, \gr{>ol'igou} parvo goedkoop, \gr{ple'ionos, >elaq'istou} enz. — tim~an ti pollo~u (>ol'igou) magno (parvo) aestimare.

Let op: \gr{per`i pollo~u (per`i ple'istou, per`i pant'os) poie~isjai} hoog (zeer hoog, boven alles) schatten.

§ 149. De genetivus temporis wordt gebruikt:

1. zonder attribuut op de vraag wanneer? bij algemeene tijdsbepalingen:

\gr{nukt`os ka`i <hm'eras — j'erous} aestate, \gr{qeim~wnos} hieme.

2. met attribuut op de vragen: sedert wanneer? binnen welken tijd? verg. longo intervallo, decem annis, paucis diebus.

\gr{pollo~u, ple'istou qr'onou} sedert langen, zeer langen tijd.

\gr{p'ente, d'eka <hmer~wn} binnen vijf, tien dagen.

3. met het lidwoord (distributief):

\gr{to~u >eniauto~u} quotannis, \gr{to~u mhn'os} maandelijks, in de maand.

§ 150. De genetivus volgt op vele werkwoorden, die samengesteld zijn met praeposities, welke den genetivus regeeren (§ 159, 3 en 4); zoo voora1 bij die, welke samengesteld zijn met:

\gr{>ap'o}: \gr{>aposter'ew tin'os} afwenden van, \gr{>apogign'wskw tin'os} vertwijfelelen aan,

§ 144 \gr{>af'isthm'i tinos} afvallig maken, \gr{>af'istama'i tinos} afvallen van;

\gr{>ex} (\gr{>ek}): \gr{>ekb'allw tin'a tinos} verdrijven, \gr{>ekp'iptw tin'os} verdreven worden,

§ 144 \gr{>ex'isthm'i tina} verwijderen, \gr{>ex'istma'i tinos} zich verwijderen;

\gr{kat'a} in de beteekenis van \emph{tegen, ``ver-''}:

\gr{katagel'aw tin'os} iem. uitlachen, \gr{katafron'ew tin'os} iem. verachten,

\gr{kathgor'ew} spreken tegen iemand, aanklagen (\gr{tin'os ti} iem. wegens),

\gr{katagign'wskw, katayhf'izomai} een vonnis vellen, stemmen tegen iemand, veroordelen.

\gr{pr'o}: \gr{proair'eoma'i tinos} verkiezen boven, \gr{prokr'inw tin'os} praefero alicui},

§ 145 \gr{prot'ijhm'i tinos} antepono alicui, \gr{pro'isthm'i tinos} praeficio alicui}.

\gr{Poll~wn kat'egnwsan j'anaton (kategn'wsjh j'anatos) mhdismo~u.}

C. DE DATIVUS.

§ 151. De Grieksche dativus is deels de eigenlijke dativus, deels vervangt hij (zooals de Lat. ablativus) den oorspronkelijken sociativus-instrumentalis en ook den locativus op de vraag:

waar?

1. De eigenlijke dativus.

§ 152. Evenals in het Latijn wordt de dativus van den betrokken persoon of zaak gebruikt bij vele (transitieve of intrans.) verba en adiectiva.

\gr{<H mwr'ia d'idwsin >anjr'wpois kak'a.}

\gr{O>uk >'estin o>ude'is, <'ostis o>uq a<ut~w| f'ilos.}

\gr{N'omois <'epesjai to~is >epiqwr'iois kal'on.}

OPM. \gr{Kele'uw} bevelen heeft evenals iubeo den acc. c. inf. Let verder op:

\gr{e>'uqoma'i tini} iemand iets wenschen: \gr{<um~in >agaj'a}.

\gr{e>'uqomai jeo~is ti} den goden de belofte van iets doen (\gr{swt~hra, dek'athn}),

of tot de goden om iets bidden (\gr{swthr'ian, s'w|zein}).

\gr{fjon'ew tin'i tinos} iemand om iets benijden (§ 147).

§ 153 De dativus commodi of incommodi gceft te kennen: voor wien, wien ten dienstc, in wiens voordeel of nadeel iets is, gebeurt (bij \gr{e>~inai, g'ignesjai} enz.):

\gr{>Enta~uja K'urw| bas'ileia >~hn ka`i par'adeisos.}

\gr{<'Ekastos o>uq`i t~w| patr`i ka`i t~h| mhtr`i m'onon geg'enhtai, >all`a ka`i t~h| patr'idi.}

§ 154. Hierbij sluiten zich aan de volgende soorten van dativi:

a) dativus ethicus, om aan te wijzcn, niet dat iemand belang heeft bij iets, maar dat hij er belang in stelt.

\gr{M'h moi jorub'hshte — o<'utws >'eqei soi ta~uta.}

b) de dativus auctoris (van den handelenden persoon of den persoon, die de oorzaak van iets is):

altijd bij het adi. verb. op \gr{-t'eos}: \gr{<um~in poiht'eon} nobis faciendum,

bijna altijd (in plaats van \gr{<up'o} c. gen.) bij het perf. passivi:

\gr{t`a <um~in pepragm'ena} uew daden.

\gr{>E`an >eke~i nik~wmen, p'anj' <hm~in pepo'ihtai}.

e) de dativus relationis: ``voor iemand, die ....'', ``als men . . . .''; verg. in universum aestimanti.

\gr{Diab'anto, e>ispl'eonti, pro"o~usin} (An. 3, 5, 15; 6, 4, 1; 3, 2, 22).

\gr{T~w| g`ar kal~ws pr'assonti p~asa g~h patr'is.}

Evenzoo \gr{g'igneta'i moi boulom'enw|} \gr{<hdom'enw|, >aqjom'enw|}

dit gebeurt naar mijn zin, tot mijn vreugde, ergernis.

OPM. Bij de uitdrukking \gr{>'onom'a mo'i >esti} (mihi nomen est) staat de naam zelf in denzelfden naamval als \gr{>'onoma}: \gr{>Emo`i d' >'onoma klut`on A>'ijwn.}

2. De dativus van gemeenschap.

§ 155. De dativus sociativus of comitativus, waaraan in het Latijn gewoonlijk een ablativus met een praepositie beantwoordt, geeft een gemeenschap, een ontmoeten of samenwerken te kennen in

vriendschappelijken of vijandelijken zin. Hij wordt gebruikt:

1. bij verba, adiectiva en adverbia, om den persoon of de zaak aan te wijzen, waarmee het samengaan (of het tegendeel) plaats heeft; b.v.

een gesprek voeren met: \gr{dial'egoma'i tini}; verkeeren met: \gr{<omil'ew tin'i}.

strijden, oorlog voeren tegen: \gr{m'aqomai, polem'ew tin'i.}

een verdrag sluiten met: \gr{sp'endoma'i tini}.

overeenstemmen met: \gr{<omolog'ew, <omono'ew tin'i}

mengen met: \gr{ker'annumi, me'ignum'i tini}.

\gr{koinwn'ew, met'eqw, metad'idwmi} (§ 141, 3) — \gr{<'ama, <omo~u} tegelijk met.

\gr{Sofo~is <omil~wn ka>ut`os >ekb'hsei sof'os.}

\gr{Je~w| m'aqesjai dein'on >esti ka`i t'uqh.}

OPM. \gr{Poleme~in} en \gr{m'aqesjai s'un tini} of \gr{met'a tinos} beteekent: in verbond met iemand oorlog voeren, strijden.

2. om begeleidende legerscharen aan te wijzen (meestal zonder \gr{s'un}):

\gr{>ol'igw| strate'umati >ef'epesjai} (parva manu),

\gr{disqil'iois <opl'itais strate'uein.}

3. bij \gr{a>ut'o} met . . . en al, en \gr{<o a>ut'os} dezelfde als:

\gr{M'ian na~un lam'anousin a>uto~is >andr'asin.}

\gr{>En ta>ut~w| >~hsja to'utois} op dezelfde plaats als dezen.

4. dikwijls nader bepaald door \gr{s'un} (§ 160, 27): \gr{s`un to~is jeo~is}.

3. De instrumentale dativus.

§ 156. De dativus als plaatsvervanger van den instrumentalis wordt gebruikt evenals de Lat. ablativus:

1. als dativus instrumenti, om het middel of werktuig te kennen te geven, waarmee iets gedaan wordt; vooral bij \gr{qr'aomai}.

\gr{O>ude`is >'epainon <hdona~is >ekt'hsato.}

\gr{Qr'hsetai <hm~in basile'us, <'o, ti >`an bo'ulhtai.}

2. als dativus causae, om de beweegreden, de oorzaak, de aanleiding aan te wijzen, vooral bij verba affectuum:

\gr{e>uno'ia|, <'ubrei, fj'onw| poie~in ti} uit welwillendheid enz.

\gr{Qalep~ws >'eferon o<i strati~wtai to~is paro~usi pr'agmasin.}

OPM. De verba affectuum hebben bij den dat. causae dikwijls \gr{>ep'i}: op grond van . . , om, over: \gr{jaum'azein >ep`i poi'hsei, m'ega frone~in >ep' >aret~h|} enz.

\gr{Qa'irein >ep' a>isqra~is <hdona~is o>u qr'h pote.}

3. als dativus modi, om de wijze, de omstandigheden, die ergens mee gepaard gaan, aan te wijzen, meestal slechts met een attribuut:

\gr{to'utw| t~w| tr'opw|, o>uden`i tr'opw|} op deze wijze, op geen manier,

\gr{t~h|de, ta'uth|, dr'omw|, b'ia|, kraug~h|, sig~h|},

\gr{dhmos'ia|} publice, \gr{>id'ia|} privatim, \gr{koin~h|} gemeenschappelijk.

\gr{t~w| >'onti, >'ergw|} inderdaad, werkelijk; \gr{l'ogw|, prof'asei} onder voorwendsel;

\gr{pant`i sj'enei — p'anh| t'eqnh| ka`i mhqan~h|}.

4. als dativus mensurae et differentiae, om bij comparatieve begrippen de maat, het onderscheid aan te geven:

\gr{poll~w| (makr~w|) kre~itton, >ol'igw| >el'attous triakos'iwn},

\gr{pollo~is >'etesin <'usteron, p'olei log'imh| >asjen'esteros, <'osw| ... toso'utw|}: quo ... eo, hoe ... des te.

OPM. Naast \gr{poll~w| enz. dikwijls de adverb. acc.: \gr{pol`u qe~iron, >ol'igon pr'oteron} zooals steeds \gr{o>ud'en, t'i} en \gr{ti} (nooit \gr{o>uden'i} enz.).

4. De dativus locativus.

§ 157. De dativus locativus, die beantwoordt aan den Lat. ablativus loci en temporis, wordt gebruikt:

1. als dativus loci op de vraag: waar? in proza steeds met een praepositie (\gr{>en, par'a, <up'o}) verbonden, afgezien van de adverbiale uitdrukkingen \gr{t~h|de, ta'uth|, <~h|, — k'uklw|} — en de Iocativi \gr{Maraj~wni, >Aj'hnhsin}.

2. als dativus temporis op de vraag: wanneer? zonder \gr{>en} om een datum op te geven en bij namen van feesten

\gr{ta'uth| t~h| <hm'era|, t~h| <ustera'ia|, tet'artw| >'etei,}

\gr{t~w| >epi'onti mhn'i, Panajhna'iois}.

met \gr{>en} = gedurende, in 't verloop van (verg. § 149, 2.)

\gr{>En >'etesin <ebdom'hkonta >ex~hn soi >api'enai.}

\gr{>En nukt`i boul`h to~is sofo~isi g'ignetai.}

OPM. Onderscheid \gr{t`hn <hm'eran, <hm'eras, t~hs <hm'eras, t~h| <hm'era|} en \gr{>en t~h| <hm'era|}.

§ 158. De dativus volgt op werkwoorden, die zijn samengesteld met de praeposities:

\gr{s'un}: \gr{s'uneimi} samenzijn met, \gr{summaq'ew} strijden in verbond met,

§ 155 \gr{sumpon'ew} dulden, werken rnet, \gr{sumpr'attw} werken met, helpen,

\gr{>en}: \gr{>'eneimi} bij iets zijn, \gr{>emm'enw} bij iets blijven,

§ 157 \gr{>emp'iptw} in iets geraken, \gr{>entugq'anw} op iets stooien, aantreffen;

\gr{>ep'i}: \gr{>epiboule'uw} belagen, \gr{>epit'attw} bevelen,

§ 155 \gr{>epit'ijemai} aanvallen, \gr{>epitr'epw} opdragen.

ook wel bij werkw. samengesteld met \gr{par'a, <up'o}: \gr{p'areimi, <up'okeimai}.

V. De Voorzetsels.

§ 159. 1. Alle praeposities waren oorspronkelijk adverbia; vele komen nog bij Homerus, Herodotus en de Attische dichters als zoodanig voor, terwijl in klassiek proza slechts \gr{pr'os} daarbij in de uitdrukkingen \gr{pr`os d'e} en \gr{pr`os d`e ka'i} daarbij echter (ook), bovendien (ook) zoo gebruikt wordt.

2. Als adverbiale partikels van plaats worden de voorzetsels dikwijls aan de casus obliqui toegevoegd, om de locale beteekenis van deze naamvallen te versterken of nauwkeuriger te bepalen. In het

algemeen staan voorzetsels:

met den genetivus op de vragen: waar vandaan? vanwaar? (punt van uitgang; aandeel);

met den dativus op de vragen: waar? waarmede? (rust; bijeenzijn);

met den accusativus op de vragen: waarheen? hoever? (doel; uitgestrektheid);

echter de Grieksche opvatting verschilt zeer dikwijls van de Nederlandsche.

OPM. Zoo wijken b.v. van onze voorstelling af, maar niet van de Latijnsche, de uitdrukkingen:

\gr{tij'enai >en m'esw|} in medio ponere;

\gr{de~in, kr'emasjai >ek d'endrwn} suspendere, pendére ex, aan;

\gr{sull'egesjai, >ajro'izesjai e>is}: convenire in alqm locum;

\gr{pare~inai, paragen'esjai e>is} adesse in senatu;

\gr{>ex >arister~as, >ek dexi~as} (ook \gr{>en dexi~a|}): a sinistra, a dextra, aan de linkerhand.

3. Er zijn voorzetsels met één, met twee en met drie naamvallen.

Met den genetivus worden verbonden: \gr{>ant'i, >ap'o, >ek (>ex), pr'o};

met den dativus: \gr{>en} en \gr{o>~un} (en de adverbia \gr{<'ama} en \gr{<omo~u}),

met den accusativus: \gr{>an'a, e>is, <ws};

met den genetivus en accusativus: \gr{di'a, kat'a, met'a, <up'er};

met den gen, dat. en acc.: \gr{>amf'i, >ep'i, par'a, per'i, pr'os, <up'o.}

4. Het gebruik in proza van de eigenlijke praeposities is samengevat in de volgende regels:

de tweede naamval eischt \gr{>ek, >ant'i, pr'o, >ap'o},

de vierde \gr{e>is, >an'a}, de derde \gr{>en} en \gr{s'un},

twee casus heeft \gr{di'a, kat'a, <up'er, met'a},

drie \gr{pr'os, >amf'i, per'i, >ep'i, <up'o, par'a}.

5. Met den genetivus staan dikwijls ook de volgende adverbia, als voorzetse1s gebruikt:

\gr{>'aneu} zonder, sine, \gr{>'aqri} en \gr{m'eqri} tot aan, usque ad.

\gr{>ekt'os} buiten, extra, \gr{>'exw} (bij beweging), buiten.

\gr{>ent'os} binnen, intra, \gr{e>'isw} (bij beweging), binnen.

\gr{metax'u}, tusschen, inter, \gr{>egg'us} nabij, prope,

\gr{pl'hn} behalve, praeter, \gr{p'orrw} en \gr{pr'osw} ver van,

\gr{p'eran} aan gene zijde van, trans, \gr{p'era} voorbij, ultra,

\gr{>'emprosjen} vóór, \gr{<'eneka (<'eneken)} wegens, causa.

\gr{>'opisjen} achter, \gr{>enant'ion} tegenover, voor, coram,

\gr{<ekat'erwjen, >amfot'erwjen, >'enjen ka`i >'enjen} van beide kanten, enz.

§ 160. Het gebruik der voorzetsels (in alphabetische volgorde).

1. \gr{>Amf'i} c. acc. (gen., dat.) = \gr{per'i} c. acc. = om.

a) van plaats: \gr{o<i >amf`i >Aria~ion} § 122, Opm.

b) van tijd: \gr{>amf`i m'esas n'uktas} om middernacht.

c) overdracht.: \gr{>amf`i t`a pent'hkonta >'eth} omstreeks, circiter.

2. \gr{>An'a} c. acc.: op, in (opp. \gr{kat'a}).

a) van plaats: \gr{>an`a t`o ped'ion, t`a >'orh} over, door — heen.

\gr{>an`a t`on potam'on (<ro~un)} stroomopwaarts.

b) van tijd: \gr{>an`a p~asan t`hn <hm'eran} den geheelen dag door.

c) overdracht.: \gr{>an`a kr'atos} uit alle macht, \gr{>an`a l'ogon} naar verhouding.

d) distributief: \gr{>an`a p'ente} met vijf tegelijk, \gr{>an`a p~asan <hm'eran} dag aan dag, \gr{>an`a <ekat'on} telkens honderd.

3. \gr{>Ant'i} c. gen.: in plaats van, voor.

\gr{a<ire~isjai t`o qe~iron >ant`i to~u belt'ionos.}

\gr{timwre~isjai to`us >'andras >anj' <~wn <ubr'isjhmen.}

\gr{>ant' >argur'iou >all'axasjai} inruilen tegen geld.

4. \gr{>Ap'o} c. gen.: van, van .... af.

a) van plaats \gr{>af' <'ippou (m'aqesjai)} lett. van het paard af, te paard.

\gr{>ap`o S'ardewn <wrm~ato.}

b) van tijd: \gr{>ap`o toútou to~u qr'onou} van — af, sedert.

c) overdracht.: \gr{kale`isjai >ap'o tinos} genoemd worden naar iem.

middel: \gr{str'ateuma sull'egein >ap`o t~wn qrhm'atwn}.

oorzaak: \gr{>ap`o to'utou to~u tolm'hmatos} tengevolge van.

5. \gr{Di'a} c. gen.: door.

a) van plaats: per, \gr{di`a m'eshs t~hs p'olews} midden door de stad.

inter, \gr{di`a qeir~wn >'eqein} onder handen hebben.

\gr{di`a p'ente stad'iwn} op een afstand van.

b) van tijd: \gr{di`a pollo~u (>ol'igou)} gedurende langen (korten) tijd.

c) instrumentaal: per, \gr{di' <ermhn'ews dial'egesjai} door een tolk,

6. \gr{Di'a} c. accus.: wegens, door toedoen van.

meestal causaal: \gr{di`a ta~uta} daarom, deswege, \gr{di`a prodos'ian},

\gr{di' <hm~as} door ons toedoen (verdienste of schuld).

7, \gr{E>is (>es)} c. accus.: in (naar binnen), naar, tot, jegens, Lat. in c. acc.

a) van plaats: \gr{e>is t`hn p'olin} de stad binnen (gaan).

b) van tijd, doel: \gr{e>is t`hn <esp'eran} tegen den avond, voor den avond.

uitbreiding: \gr{e>is t`o loip'on} voor de toekomst.

c) overdrachtelijk, bedoeling: \gr{did'onai, qr~hsjai e>'is ti} tot iets.

getal: \gr{e>is to`us <ekat'on} tegen de honderd.

8. \gr{>ex (>ek)} c. gen.: Lat. ex (opp. \gr{e>is}).

a) van plaats: \gr{>ek t~hs p'olews fe'ugein, >ek t~hs g~hs f'uesjai}.

b) van tijd: \gr{>ek pa'idwn} van kindsbeen af, \gr{>ek palaio~u} van ouds.

\gr{>ek to'utou} (onmiddellijk) daarop, \gr{>ex o<~u} ex quo, sedert.

c) overdrachtelijk, afkomst: \gr{>ex >Ajhn~wn, >ek patr`os e>ugeno~us e>~inai, >ek Di'os.}

overeenkomst: \gr{>ek t~wn par'ontwn} naar de gegeven omstandigheden.

gevolg: \gr{>ek to'utwn} tengevolge daarvan.

wijze: \gr{>ek pant`os tr'opou} op iedere manier (in elk geval).

9. \gr{>En} c. dat.: in, Lat. in c. abl.

a) van plaats: \gr{>en >Aj'hnais, pefeug'enai >en to~is >oquro~is}.

b) van tijd: \gr{>en nukt'i, >en ta~is sponda~is} gedurende (§ 157, 2).

C) overdracht.: \gr{>en f'obw| e>~inai, >'eqein >'en tini}.

10. \gr{>Ep'i} c. gen.: op.

a) Van plaats: rust: \gr{>ef' <'armatos >oqe~isjai, >ep`i to~u >'orous}.

doel: \gr{>ep`i >Iwn'ias, >ep' o>'ikou >api'enai} op — aan, naar —.

b) van tijd: \gr{>ep`i Kro'isou basile'uontos} onder de regeering van Cr., \gr{>ep' >emo~u} ten mijnen tijde.

c) overdracht.: \gr{>ef' <eauto~u} op zich zelf.

d) distrib.: \gr{>ep`i tett'arwn pore'uesjai} vier man diep, vier aan vier.

11. \gr{>Ep'i} c. dat.: op, bij.

a) van plaats, rust: \gr{>ep`i naus'in, p'olis >ep`i t~h| jal'atth| o>ikoum'enh}.

b) Van tijd, onmiddellijk na: \gr{>ep`i t~w| tr'itw| shme'iw|, >ep`i to'utois}.

c) overdracht., aangesteld over: \gr{<o >ep`i t~w| strate'umati, >ep`i t~h| p'olei.}

afhankelijkheid: \gr{>ef' <um~in >esti} penes vos, \gr{>ep`i basile~i g'ignesjai} in de macht van den kening geraken.

grond (bij verba affectuum): \gr{qa'irein >ep' a>isqra~is <hdona~is}.

voorwaarde: \gr{>ep`i to'utois} onder deze voorwaarden, \gr{>ef' <~w|te} onder voorwaarde, dat.

bedoeling(tot, ter) \gr{>ep`i jan'atw| >'agein, >ep`i bl'abh|}.

12. \gr{>Ep'i} c. acc.: op, op — af, tegen, naar.

a) van pIaats: \gr{>ef' <'ippon >anaba'inein, <od`os >ep`i So~usa f'erousa.}.

\gr{>i'enai, pore'uesjai >ep'i tina} (vooral als vijand).

b) van tijd: \gr{E>pì tre~is <hm'eras, >ep`i pol`un qr'onon}.

c) overdracht.: bedoeling: \gr{>ep`i le'ian >exi'enai, >ef' <'udwr p'empein}.

13. \gr{Kat'a} c. gen.: van — naar beneden.

a) van plaats: \gr{kat' o>urano~u, kat`a t~wn >or~wn (teiq~wn) <r'iptesjai}.

\gr{kat`a g~hs} onder de aarde (rust), \gr{d~unai kat`a g~hs} (bewcging).

b) overdracht.: tegen: \gr{l'egein kat'a tinos}, § 150.

14. \gr{Kat'a} c. acc.: langs — heen, door — heen (over), overeenkomstig.

a) van plaats: \gr{kat`a t`on potam'on} stroomafwaarts; \gr{kat' >agro'us} ruri \gr{to`us kaj' a<uto'us} die tegenover hen staan,

b) van tijd: \gr{kat' >eke~inon t`on qr'onon} gedurende dien tijd.

c) overdracht., betrekking: \gr{t`a kat`a t`on p'olemon}.

overeenkomst: \gr{kat`a d'unamin} naar vermogen; \gr{kat`a to`us n'omous}.

wijze: \gr{kat`a t'aqos, kaj' <hsuq'ian} rustig, \gr{kat`a mikr'on} een weinig; langzamerhand.

bij getallen: \gr{>ap'ejanon kat`a <exakisqil'ious >'andras} ongeveer.

d) distributief: \gr{kaj' <'ena} één voor één (telkens één), \gr{kat' >'andra} viritim, \gr{kaj' <hm'eran} cotidie, \gr{kat' >'etos} jaarlijks.

15. \gr{Met'a} c. gen.: met.

deelneming: \gr{m'aqesjai met'a tinos} (in verband) met; \gr{o<i met`a K'urou}.

\gr{e>~inai met'a tinos} op de hand van iem. zijn.

begeleidende omstandigheden: \gr{met`a dakr'uwn, kind'unwn} onder.

16. \gr{Met'a} c. acc.: na, post.

tijd: \gr{met`a t`hn m'aqhn, met`a ta~uta, mej' <hm'eran} bij dag (na het aanbreken van den dag).

volgorde: \gr{jei'otaton met`a jeo`us <h yuq'h}.

17. \gr{Par'a} c. gen.: van den kant van, van.

van pIaats: \gr{<'hkein par`a basil'ews, a>ite~in, manj'anein par`a f'ilwn}.

18. \gr{Par'a} c. dat.: bij.

van plaats: vooral bij personen: \gr{par`a Kle'arqw| e>~inai}.

\gr{par`a t~h| p'olei <orm'izesjai, par`a t~w| bwm~w| j'uein}.

19. \gr{Par'a} c. acc.: naar — toe, langs.

a) van plaats: \gr{p'empein pr'esbeis par`a F'ilippon.}

\gr{par`a t`hn j'alattanpore'uesjai, o>ike~in}.

b) van tijd: \gr{par' <'olon t`on b'ion} per totam vitam (gedurende, in).

c) overdrachtelijk:

aan — voorbij, langs, tegen: \gr{par`a to`us n'omous, <'orkous} (opp. \gr{kat'a}).

onderscheid: \gr{par' >ol'igon, par`a pol'u, par`a toso~uton}.

in vergelijking met, boven: \gr{par`a to`us >'allous e>'utaktos}.

in verhouding tot, wegens: \gr{o>u par`a t`hn <eauto~u <r'wmhn}.

20. \gr{Per'i} c. gen.: aangaande, over, om, wegens, Lat. de.

\gr{l'egein per`i t~hs e>ir'hnhs, >er'izein, fobe~isjai per`i t~hs >arq~hs}.

\gr{per`i pollo~u, o>uden`os, pant`os poie~isjai}: § 148.

21. \gr{Per'i} c. dat.: om (in proza zeldzaam).

a) van plaats: \gr{strepto`us per`i to~is traq'hlois >'eqein}.

b) overdrachtelijk, met het oog op: \gr{dedi'enai per`i p'ash| t~h| p'olei}.

22. \gr{Per'i} c. acc.: om.

a) van plaats: \gr{o<o per`i K'uron, per`i t`a <'oria, per`i t`hn p'olin}.

b) van tijd: \gr{per`i m'esas n'uktas} omstreeks, \gr{per`i pl'hjousan >agor'an}.

c) overdrachtelijk: jegens: \gr{<amart'anousi per`i <hm~as}.

23. \gr{Pr'o} c. gen.: voor; ante en pro.

a) van plaats: \gr{pr`o t~wn pul~wn, t`a pr`o pod~wn}.

b) van tijd: \gr{pr`o t~hs m'aqhs, pr`o <hm'eras, o<i pr`o <hm~wn}.

c) overdracht.: voorkeur: gr{pr`o pol~wn a<ire~isjai, tim~asjai}.

ter bescherming van, voor: \gr{pr`o t~hs patr'idos m'aqesjai} (zie \gr{<up'er}).

24. \gr{Pr'os} c. gen.: van den kant van.

a) van plaats: \gr{>'epainon pr`os <um~wn >'eqw, t`o pr`os <esp'eras te~iqos.}

\gr{<est'anai pr`os to~u potamo~u} naar de rivier toe.

b) overdrachtelijk: \gr{pr'os tinos e>~inai} ab aliquo stare.

bij eeden: \gr{>omn'unai pr`os je~wn} bij de goden.

25. \gr{Pr'os} c. dat.: bij.

a) van plaats: \gr{pr`os Babul~wni, pr`os ta~is phga~is, t~h| >agor~a|} aan de m.

b) overdrachtelijk: nog daarbij (verg. § 159, 1);

\gr{prò s t~w| <up'arqonti p'onw| — pr`os to'utois} bovendien.

26. \gr{Pr'os} c. acc.: tot, naar — toe.

a) van plaats: \gr{pr`os meshmbr'ian, >i'enai pr`os basil'ea} als vriend en als vijand, \gr{spond`as poe~isjai pr'os tina} met.

b) van tijd: \gr{pr`os <esp'eran} tegen den a.

c) overdracht.: met het oog op: \gr{>'ajumos pr`os t`hn >an'abasin}.

vergelijking: \gr{o>ud`en t`a qr'hmata pr`os t`hn sof'ian}.

doel, bedoeling: \gr{paide'uesjai pr`os >aret'hn, l'egein pr`os q'arin}.

27. \gr{S'un} c. dat.: met, cum.

begeleiding: \gr{o<i s`un Fal'inw|} de begeleiders van Phal.

\gr{s`un kraug~h|, s`un t~w| dik'aiw|}.

bijstand: \gr{s`un to~is jeo~is} met de hulp der goden.

28. \gr{<Up'er} c. gen.: over, boven, super en voor, pro.

a) van plaats: \gr{<up`er t~hs g~hs, g'hlofos <up`er t~hs k'wmhs >~hn}.

b) overdracht.: in het belang van: \gr{strathge~in <up`er Fil'ippou}.

ter verdediging van: \gr{m'aqesjai <up`er t~hs patr'idos}.

oorzaak: \gr{>og'izesjai <up`er t~wn gegenhm'enwn}.

(in de beteekenis van \gr{per'i} c. gen. eerst sedert Demosthenes).

29. \gr{<Up'er} c. acc.: over (over — heen), supra, ultra.

a) van plaats: \gr{<up`er t`on <Ell'hsponton o>ike~in}.

b) van tijd: \gr{<up`er t`a pent'hkonta >'eth gegon~ws}.

c) overdracht.: \gr{<up`er d'unamin} supra vires.

30. \gr{<Up'o} c. gen.: onder.

a) van plaats: onder — vandaan: \gr{<up`o g~hs >~hljen e>is f~ws}.

onder: \gr{<up`o g~hs o>ike~in, o>'ut' >ep`i g`hs o>'uj' <up`o g~hs}.

b) overdracht.: (onder den invloed van) ten gevolge van,

= ab bij het passivum: \gr{nik~asjai <up`o t~wn <Ell'hnwn, >apojn'h|skein <up`o fon'ews, kak`a p'asqein <uf' <~wn o>uk >'edei.}

oorzaak: \gr{<up`o l'uphs} uit smart, \gr{<up`o limo~u >apoll'usjai}.

begeleidende omstandigheden: \gr{<up`o s'alpiggos} onder trompetgeschal.

31. \gr{<Up'o} c. dat.: onder, sub. c. abl.

a) van plaats: \gr{<up`o t~w| o>uran~w|, <up`o t~h| >akrop'olei} aan den voet van de A.

b) overdracht.: \gr{<up`o tur'annois e>~inai, g'ignesjai}.

\gr{<uf' <eaut~w| poie~isjai} in zijn macht brengen.

32. \gr{<Up'o} c. acc.: onder, sub. c. acc.

a) van plaats: \gr{<up`o t`a d'endra >ap~hljon, <up`o t`on l'ofon} sub collem.

b) van tijd: \gr{<up`o n'ukta} sub noctem, \gr{<up`o to`us a>uto`us qr'onous}.

33. \gr{<Ws} c. acc.: naar (alleen bij personen): \gr{>an'hqjhsan <ws basil'ea}.

VI. De genera van het werkwoord.

§ 161. Activum.

1. Vele werkwoorden worden nu eens transitief, dan weer intransitief gebruikt. B.v.

\gr{>'agein} voeren, intr. optrekken, voortrukken.

\gr{a>'irein} opheffan, intr. opbreken, afvaren.

\gr{>ela'unein} drijven, intr. optrekken, rijden.

\gr{katal'uein} uitspannen, intr. halt maken.

\gr{<orm~an} aandrijven, intr. opbreken.

\gr{e>is, >emb'allein} inwerpen, intr. een inval doen.

\gr{>exi'enai} uitzenden, intr. zich uitstorten.

\gr{diaf'erein} uit elkander dragen, intr. verschillen, zich onderscheiden.

\gr{>'eqein} hebben, houden, met adv. zich — bevinden, in een — toestand zijn.

\gr{pr'attein} handelen met adv. zich — bevinden, in een — toestand zijn.

OPM. Over trans. en intrans. tijden van hetzelfde werkwoord zie § 92.

2. Eenige activa dienen als passiva bij andere werkwoorden. B.v.:

\gr{>apokte'inein} doden, \gr{>apojn'hskein} gedood worden;

\gr{labe~in} of \gr{<ele~in} (gevangen) nemen, \gr{<al~wnai} (gevangen) genomen worden.

\gr{>ekb'allein} verdrijven}, \gr{>ekp'iptein} of \gr{fe'ugein}verdreven worden;

\gr{e>~u, kak~ws poie~in tina} iem. goed, kwaad doen, \gr{e>~u, kak~ws p'asqw (<up'o tinos)} van iem. goed, kwaad ondervinden; verg. § 103, 6, 2.

3. Dikwijls is het activum causatief (laten);

\gr{K~uros >ex'ekoye t`on par'adeison ka`i t`a bas'ileia kat'ekausen.}

§ 162. Medium.

1. In het medium slaat de handeling op het subject terug, en wel op drievoudige wijze:

a) in de beteekenis van een accusativus, d.i. het subject verricht de handeling aan zich zelf, is tevens het direct object (direct medium).

\gr{lo'uw} wasschen, \gr{lo'uomai} zich wasschen;

\gr{gumn'azw} oefenen, \gr{gumn'azomai} zich oefenen;

\gr{>end'uw} bekleeden, \gr{>end'uomai} zich bekleeden en derg.

Vele directe media gaan over in de intransitieve beteekenis:

b.v. \gr{<'isthmi} stellen, \gr{<'istamai} zich stellen, gaan staan;

\gr{pa'uw} doen ophouden, \gr{pa'uomai} zich doen ophouden, ophouden;

\gr{fa'inw} toonen, \gr{fa'inomai} zich vertoonen, verschijnen.

Over de zoogenaamde mediaal-passieve werkwoorden § 95.

b) in de beteekenis van een dativus, d. i. het subject verricht de handeling voor zich zelf, in zijn eigen belang (indirect medium, § 15a).

\gr{a<iro~umai} voor zich nemen, kiezen;

\gr{>am'unomai} voor zich afweren, zich verdedigen;

\gr{metap'empomai} voor zich om iem. zenden, ontbieden;

\gr{ful'attomai} bewaken in zijn eigen belang, zich in acht nemen voor;

\gr{>'arqw} iets beginnen, wat andere voortzetten, maar

\gr{>'arqomai} met zijn iegen werk beginnen, § 144, 3.

\gr{<O nomojet`hs n'omous t'ijhsin, <o d~hmos n'omous t'ijetai.}

c) dynamisch, d. i. het subject verricht de handeling uit zichzelf, uit eigen middelen en uit eigen kracht.

\gr{par'eqomai} uit eiegen middelen verschaffen;

\gr{>epagg'ellomai} van zich bekend maken, aanbieden;

\gr{skopo~umai} opmerkzaam nagaan, onderzoeken, bespieden;

\gr{polite'uw} burger zijn, med. als burger handelen, zijn burgerplieht vervullen;

\gr{p'olemon poi~w} een oorlog veroorzaken, bellum movere, maar

\gr{p'olemon poo~umai} oorlog voeren, bellum gerere.

2. Ook het medium is dikwijls causatief.

\gr{dane'izomai} zich door een ander iets laten leenen, borgen, leenen;

\gr{dik'azomai} voor zich recht laten spreken, procedeeren;

\gr{misjo~umai} voor zich laten verhuren, huren;

\gr{poio~umai <'opla} zich wapenen laten maken;

\gr{parat'ijemai de~ipnon} zich een maal laten voorzetten.

§ 163. Passivum.

1. Ook van intransitieve werkwoorden wordt een persoonlijk passivum gevormd, b.v.

\gr{>'arqw tin'os} over iem. regeeren, \gr{>'arqomai} geregeerd worden;

\gr{katafron'ew tin'os} iem. verachten, \gr{katafrono~umai} veracht worden;

\gr{>epiboule'uw tin'i} iem. belagen, \gr{>epiboule'uomai} belaagd worden;

\gr{piste'uw tin'i} iem. gelooven, vertrouwen, \gr{piste'uomai} geloofd, vertr. worden;

\gr{fjon'ew tin'i} invideo alicui, \gr{fjono~umai} mihi invidetur.

OPM. Een onpersoonlijk passivum van intransitieve werkwoorden komt niet voor, behalve \gr{d'edoktai} het is besloten.

2. De handelende persoon bij het passivum staat verreweg het meest in den gen. met \gr{<up'o} = ab c. abl. § 160, 30. b.

OPM. Zelden vindt men in plaats daarvan \gr{>ap'o, >ek, par'a} en \gr{pr'os} c. gen. Zie echter § 154, b.

VII. De tempora van het werkwoord.

§ 164. De tempora in het algemeen.

1. De vormen van een Grieksch werkwoord bepalen de handeling

a) in haar verhouding tot het voor den spreker tegenwoordige (tegenwoordig, verleden, toekomstig: tempus),

b) wat aangaat den graad harer ontwikkeling of haar aard (beginnend, bezig te geschieden, voltooid: actio).

2. De actiones worden onderscheiden door de tempus-stammen. Zoo geven te kennen de vormen

van den aoristus-stam de handeling op zich zelf (zonder nadere bepaling), of de handeling als beginnende (ingressief, oogenblikkelijk);

van den praesens-stam de handeling als bezig te geschieden (zich ontwikkelend, onvoltooid, herhaald);

van den perfectum-stam de handeling als voltooid (afgesloten, voortbestaande in haar voltooiing: toestand).

Zoo beteekent b.v.:

\gr{fuge~in} vluchten (zonder meer), of op de vlucht gaan,

\gr{fe'ugein} vluchten, op de vlucht zijn, in ballingschap leven,

\gr{pefeug'enai} ontvlucht, ontkomen zijn, in veiligheid zijn.

Zoo \gr{>apojn'h|skein} op sterven liggen, \gr{kale~isjai} genoemd worden,

\gr{>apojane~in} sterven, \gr{klhj~hnai} een naam krijgen,

\gr{tejn'anai} dood zijn; \gr{kekl~hsjai} heeten;

\gr{kt~asjai} bezig zijn zich te verwerven, \gr{p'iptein} aan 't vallen zijn,

\gr{kt'hsasjai} verkrijgen, \gr{pese~in} vallen, aan ’t vallen raken,

\gr{kekt~hsjai} bezitten, \gr{peptwk'enai} er liggen.

3. Slechts de indicativi wijzen een bepaalden tijd (tempus) aan en wel:

het praes. en perf. den tegenwoordigen tijd,

de aor., het imperf. en het plqperf. den verleden tijd (augment),

het fut. en fut. exactum den toekomenden tijd.

Overzicht over de beteekenis der tijden.

Actiones. Tempora. gevormd van den

De handeling wordt voorgesteld als: verleden tegenwoordig toekomstig

1. a) enkel factisch ind. aor. — futurum aoristus-stam beh. het fut.

b) beginnend \gr{>ap'ejanen} \gr{>apojane~itai}

\gr{>ebas'ileusen} \gr{basile'usei}

2. bezig te geschieden imperf. praesens futurum praesens-stam beh. het fut.

\gr{>ap'ejnh|sken} \gr{>apojn'h|skei} \gr{basile'usei}

3.voltooid plusquamp. perfectum fut. exact. perfectum-stam

\gr{>etejn'hkei} \gr{t'ejnhken} \gr{tejn'hxei}

§ 165. De indicativi.

l. De indicativus praesens en imperfectum, als de tempora der handeling, die zich ontwikkelt, die voortduurt, worden vooral gebruikt:

a) in beschrijvingen van toestanden, zeden en gebruiken,

bij een herhaalde handeling, in algemeene uitspraken,

bij het aanwijzen van begeleidende omstandigheden.

\gr{Plo~ion e>is D~hlon >Ajhna~ioi p'empousin} (jaarlijks).

\gr{Xen'ias <o >Ark`as t`a L'ukaia >'ejuse ka`i >ag~wna >'ejhken: >eje'wrei d`e t`on >ag~wna ka`i K~uros}.

b) bij handelingen, die eerst zijn begonnen, nog niet zijn afgesloten,

die beproefd worden (praesens, imperfectum conatus).

\gr{>'Epeijon a>uto'us, ka`i o<`us >'epeisa, to'utous >'eqwn >eporeu'omhn}.

OPM. 1. Ook het Grieksch kent het praesens historicum; b.v.

\gr{>epe`i >etele'uthse Dare~ios, Iissaf'ernhs diab'allei t`on K~uron}.

OPM. 2. Eenige praesentia geven ook de voortdurende werking der handeling te kennen, zoodat zij als perfecta en hun imperfecta als plqperfecta vertaald kunnen worden (praesentia perfectiva), b.v.

\gr{>adik~w} ik doe onreeht en ik ben in 't ongelijk, \gr{manj'anw} ik verneem en versta,

\gr{nik~w} ik overwin en ben overwinnaar, \gr{<htt~wmai} ik word en ben overwonnen.

In den regel zijn perfectiva: \gr{<'hkw} ik ben gekomen, ben er, \gr{<~hkon}, ik was er,

en \gr{o>'iqomai} ik ben gegaan, ben weg, \gr{>w|q'omen}, ik was weg.

2. De indicativus aoristi geeft te kennen: de handeling op zich zelf of de beginnende handeling, in het verleden verplaatst, en wordt gebruikt:

a) historisch of factisch, als tijd van het verhaal, om een enkel feit uit het verleden te verhalen, overeenstemmende met het Lat. perfectum historicum en den Franschen passe défini.

\gr{>~Hljon, e>~idon, >en'ikhsa}: veni, vidi, vici.

b) empirisch of gnomisch, om feiten der ervaring te kennen te geven.

\gr{O>ude`is >'epainon <hdona~is >ekt'hsato}.

Verg. Omne tulit punctum, qui miscuit utile dulci.

c) om de handeling aan te wijzen, die aan een andere voorafging, in de beteekenis van het Lat. plqperf., vooral in temporeele en relatieve bijzinnen.

\gr{>Epe`i >es'alpigxe, probal'omenoi t`a <'opla >ep~h|san.}

\gr{Dare~ios K~uron metap'empetai >ap`o t~hs >arq~hs, <~hs a>ut`on satr'aphn >epo'ihsen.}

OPM. Het imperfectum van handelingen, die aan andere voorafgingen, dient om hun duur of herhaling te doen uitkomen; b.v.:

\gr{K~uros e>~ide t`as skhn'as, o<~u o<i K'ilikes >ef'ulatton} (de wacht gehouden hadden).

\gr{O<'iper pr'osjen prosek'enoun, ka`i t'ote prosek'unhsan.}

d) ingressief, het begin der handeling in het verleden aanwijzend; b.v.

\gr{>ebas'ileusa} ik werd koning, \gr{>hr'asjhn} ik kreeg lief,

\gr{>en'ohsa} ik werd ziek, \gr{>ej'arshsa} ik schepte moed,

\gr{>ed'akrusa} ik barstte in huilen los, \gr{>es'ighsa} ik verstomde.

\gr{Di`a mikr`on >epolem'hsate} (begont gij oorlog).

\gr{Peisistr'atou teleut'hsantos <Ipp'ias >'esqe t`hn >arq'hn} (kreeg).

OPM. Al deze aoristi kunnen ook de historische beteekenis hebben; \gr{>ebas'ileusa} ik was koning, heerschte, \gr{>en'oshsa}ik was (eens) ziek.

3. De indicativus futuri verplaatst zoowel de beginnende handeling, als de handeling, die bezig is te geschieden, in de toekomst; b.v. beteekent

\gr{>'arxw} zoowel: ik zal aan de regeering komen,

als: ik zal regeeren.

\gr{Skept'eon moi doke~i e>~inai, <'opws t>apit'hdeia <'exomen.}

\gr{<O d'ikaios >an`hr e>~u bi'wsetai, kak~ws d' <o >'adikos.}

OPM. \gr{M'ellw} met een inf. (meestal futuri) beteekent:

a) ik ben op het punt, voornemems: \gr{m'ellw <um~as did'axein}.

b) het is te verwachten, dat ik: \gr{>agor`an o>de`is >'eti par'exein >'emellen}.

4. De ind. perf., plqpf. en fut. ex. (fut. perfecti) wijzen de voltooide handeling, den daardoor ingetreden toestand aan, in

het tegenwoordige, het verleden en de toekomst:

\gr{<'esthka} ik sta, \gr{e<ist'hkh} stond, \gr{<est'hxw} zal staan,

\gr{t'ejnhka} ben dood, \gr{>etejn'hkh} was dood, \gr{tejn'hxw} zal dood zijn,

\gr{m'emnhmai} herinner mij, >emn'hmhn herinnerde mij, \gr{memn'hsomai} zal mij herinneren.

\gr{>Apolelo'ipasin <hm~as Xen'ias ka`i Pas'iwn, >all' o>uk >apopefe'ugasin.}

\gr{>Aria~ios >et'ugqanen >ef' <armam'axhs poreu'omenos, di'oti >et'etrwto.}

\gr{<Hm~wn ta~uta poio'untwn e>uj`us f'ilos o>ude`is lele'iyetai.}

OPM. Het perf. is dus nooit perf. hist.; het plqpf. geeft niet de aan een verleden handeling voorafgaande handeling te kennen; het gebruik van het fut. ex. stemt alleen met dat van het Lat. fut. ex. in hoofdzinnen overeen; over bijzinnen z. § 184, 1.

§ 166. Coniunctivi, optativi, imperativi en infinitivi.

1. Volgens § 164, 3 bevatten zij volstrekt geen tijdsbepaling, maar wijzen alleen de actio, den aard der handeling aan, zooals dat § 164, 2 is opgegeven. Dus beteekent b.v. \gr{e>'ipwmen >`h sig~wmen?} zullen wij het woord opnemen of blijven zwijgen?

2. Dienovereenkomstig staat:

de imper. aor. voor een enkel, bepaald geval,

de imper. praes. voor voortdurende, herhaalde handelingen, zoo vooral in algemeene leefregels.

\gr{Me~inon par' <hm~in ka`i sun'estios geno~u.}

\gr{To`us m`en jeo`us fobo~u, to`us d`e gon'eas t'ima, to`is d`e n'omois pe'ijou.}

3. Soms ontleenen coniunctivi, optativi en infinitivi in bijzinnen temporeele beteekenis aan den tijd van het regeerend werkwoord; b.v.

\gr{l'egw ta~uta} .... opdat gij gehoorzaamt;

\gr{e>~ipon ta~uta} \gr{<'ina peisj~hte} opdat gij gehoorzaamdet;

\gr{>er~w ta~uta} .... opdat gij (in de toek.) gehoorzaamt.

4. Slechts in de oratio obliqua bevatten de optativus en infinitivus op zich zelf een aanwijzing van den tijd der handeling, onafhankelijk van den tijd van het regeerend werkwoord, daar opt. en inf. dan den indicativus van de directe rede vervangen. In de oratio obliqua geven dus te kennen:

de opt. en inf. aor. een verleden handeling;

de opt. en inf. fut. een toekomstige handeling;

de opt. en inf. praesentis een tegenwoordige, soms een verleden handeling, omdat zij niet alleen in plaats van het praesens, maar ook wel eens in plaats van het imperf. gebruikt worden.

\gr{>'Elegon, <'oti do'ih (a>ut`on do~unai)} dat hij gegeven had (or. recta: \gr{>'edwken}).

\gr{>'Elegon, <'oti d'wsoi (a>ut`on d'wsein)} dat hij zou geven (or. recta: \gr{d'wsei}).

\gr{>'Elegon, <'oti dido'ih (a>ut`on did'onai)} dat hij gaf (or. recta: \gr{d'idwsin}), of dat hij gegeven had (or. recta: \gr{>ed'idou}).

OPM. De opt. fut. komt alleen in de oratio obliqua voor ter vervanging van den ind. fut.; dus slaat de opt. fut. steeds op de toekomst.

§ 167. De participia.

1. De participia wijzen op zich zelf geen tijd aan, in den regel wel de verhouding in tijd van de gesubordineerde handeling door het participium uitgedrukt, tot de hoofdhandeling, uitgedrukt door het werkwoord, waaraan het participium is gesubordineerd (relatief-temporeele beteekenis).

Zoo geeft meestal te kennen:

1. het part. praesentis een gesubordineerde handeling, gelijktijdig met de hoofdhandeling: terwijl.

\gr{Sofo~is <omil~wn ka>ut`os sof'os.}

2. het part. aoristi een gesubordineerde handeling, die voorafgaat aan de hoofdhandeling: nadat.

\gr{D ikaia dr'asas summ'aqous <'exeis jeo'us.}

3. het part. perfecti een gesubordineerde handeling, die zelf aan de hootdhandeling voorafgaat, maar wier directe gevolgen (resultaat) voortduren.

\gr{Diabebhk'osi to~is >epifa'inetai <o Mijrid'aths.}

\gr{>Eskemm'ena ka`i pareskeuasm'ena p'anta l'egw.}

4. het part. futuri een gesubordineerde handeling, die op de hoofdhandeling volgt.

\gr{<O b'arbaros >ep`i t`hn <Ell'ada doulws'omenos >~hljen.}

2. Dus blijkt gewoonlijk de tijd van het participium uit het hoofdwerkwoord; b.v.

\gr{ta~uta l'egwn >ako'uei} terwijl hij dat zegt, luistert hij;

\gr{ta~uta l'egwn >'hkousen} terwijl hij dat zeide, luisterde hij;

\gr{ta~uta l'egwn >ako'usetai} terwijl hij dit zeggen zal (zegt), zal hij luisteren;

\gr{ta~uta e>ip`wn >apoba'inei} nadat hij dit gezegd heeft (g. had, gezegd zal hebben), enz.

VIII. De modi van het werkwoord.

§ 168. Voorafgaande opmerkingen.

1. Men onderscheidt twee hoofdsoorten van zinnen, nl.

oordeelszinnen, om een oordeel, een bewering uit te drukken, (negatie: \gr{o>u})

en wenschzinnen, om een willen of wenschen uit te drukken, (negatie: \gr{m'h}).

2. In oordeelszinnen komt in bepaalde gevallen de modaalpartikel \gr{>'an} (wel) voor, in wenschzinnen niet.

OPM. \gr{>'An} staat gewoonlijk achter het werkwoord, waarbij het behoort; echter sluit het zich gaame bij interrogativa, adverbia, relativa en coniuncties aan.

A. DE MODI IN ZELFSTANDIGE ZINNEN (HOOFDZINNEN).

§ 169. Het gebruik van den indicativus als modus der werkelijkheid is in hoofdzaak hetzelfde als in het Nederlandsch.

Opmerkelijk is het gebruik van den indicativus der historische tijden in de volgende gevallen:

1. Het imperfectum zonder \gr{>'an} van de onpersoonlijke uitdrukkingen, die een moeten (of kunnen) beteekenen, waar wij, behalve den ind. impf. en plqpf., ook wel den coni. impf. en plqpf. of een omschrijving met ,,zoude" gebruiken; b.v.

\gr{>'edei, >eqr~hn, pros~hken} oportet, decet of oportebat, decebat,

het was (ware, zou zijn) noodig, passend,

of het was (ware, zou zijn) noodig, passend geweest.

\gr{>ex~hn, e>ik'os, d'ikaion, >anagka~ion >~hn} aequum est, erat,

het was (ware, zou zijn) mogelijk, billijk enz.,

of het was (ware, zou zijn) mogelijk, billijk enz. geweest.

De tegenstelling is: het was noodig, maar gebeurt niet,

of het was noodig geweest, maar gebeurde niet.

\gr{T'i sig~a|s? o>uk >eqr~hn sig~an, t'eknon} (moest).

\gr{A>isqr~ws kak`a e>irg'asw to'utous, o<`us <'hkista >'edei.}

OPM. \gr{>'Edei} kan ook modus realis zijn (het was noodig), dus drie beteekenissen hebben: het was (gisteren) noodig, het ware (nu) noodig en het ware (gisteren) noodig geweest.

Als het moeten zelf niet-werkelijk is, staat volgens § 169, 4 \gr{>'edei >'an} (men moest, zou moeten; had moeten, zou hebben moeten; tegenstelling: moet niet; moest niet}.

2. De ind. aor. zonder \gr{>'an} met \gr{>ol'igou, mikro~u}, paene

of gr{>ol'igou, mikro~u >ed'ehsa} met inf aor.,

overeenstemmende met het Ned. bijna met ind. plqpf.

\gr{>Ol'igou >epelaj'omhn} paene oblitus sum bijna had ik verg.

\gr{>Ol'igou plhg`as >'elabon <'oti >epelaj'omhn.}

\gr{T`o p~ur m'ega te >~hn ka`i to`us Platai~as >elaq'istou >ed'ehse diafje~irai.}

3. De ind. der historische tijden zonder \gr{>'an}, ingeleid door \gr{e>'ije, e>i ga'r, <ws}, om een onvervulbaren wensch te kennen te geven, en wel:

het imperfectum voor het tegenwoordige

de ind. aor. voor het verleden. (neg. \gr{m'h}).

\gr{E>'ij' >~hsja dunat`os dr~an, <'oson pr'ojumos e>~i.}

\gr{E>'ij' h<'urom'en s', >'Admhte, m`h lupo'umenon.}

OPM. Ook gebruikt men hiervoor een omschrijving, n.l. \gr{>'wfelon (-es, -e)} met den inf. praes. of aoristi:

\gr{>All' >'wfele m`en K~uros z~hn} (o dat Cyrus toch leefde).

\gr{<Ws >'wfelon p'aroijen >eklipe~in b'ion}(verlaten hadde).

4. De ind. der historische tijden met \gr{>'an} om de niet-werkelijkheid aan te wijzen (neg. \gr{o>u}: modus irrealis), en wel:

a) het imperfectum met \gr{>'an} van het tegenwoordige, overeenstemmend met den Lat. coni. imperf.:

\gr{>'elegon >'an}dicerem ik zou zeggen (maar zeg niet).

b) de ind. aor. met \gr{>'an} voor het verleden, overeenstemmend met den Lat. coni. plqpf.:

\gr{>'elexa >'an}

\gr{e>~ipon >'an} dixissem, ik zou gezegd hebben (maar zeide niet).

Voorbeelden § 182.

5. De ind. der historische tijden met \gr{>'an} als potentialis van het verleden: \gr{} diceres men had kunnen zeggen;

\gr{j~atton >`h <'ws tis >`an >'w|eto} sneller dan men zou geloofd hebben.

\gr{E>'i tis Kle'arqw| doko'ih blake'uein, >'epaien >'an} (kon hij wel eens toeslaan, sloeg hij dikwijls toe: \gr{>'an} iterativum).

OPM. De indicativi der hist. tijden worden in drie modi gebruikt:

1. de werkelijkheid in het verleden: § 164, 3;

2. de niet-werkelijkheid: § 169, 4;

3. de mogelijkheid in het verleden: § 169, 5.

§ 170. De coniunctivus als modus der verwachting wordt gebruikt:

1. adhortatief (neg. \gr{m'h}), meestal in den 1. pers. pluralis.

\gr{>'Iwmen}, eamus: laat ons gaan.

\gr{Feid'wmej' >andr~wn e>ugen~wn, feid'wmeja.}

OPM. Voor den 2. en 3. pers. gebruikt men bij eene aansporing den imperativus; § 172.

2. dubitatief of deliberatief (neg. \gr{m'h}) in weifelende vragen, meestal in den 1. persoon.

\gr{t'i poi~wmen?} quid faciamus? wat zullen we doen?

\gr{E>'ipwmen >`h sig~wmen? >`h t'i dr'asomen?}

3. prohibitief, met \gr{m'h} (\gr{m'hte, mhde'is}), als verbod. De 2. (en 3.) pers. coni. aoristi wordt gebruikt in plaats van den ontkenden imper. aor.

\gr{M`h poi'hsh|s}, ne feceris, doe niet!

\gr{Mhd`en >ajum'hshte <'eneka t~wn gegenhm'enwn.}

§ 171. De optativus als modus van het gedachte wordt gebruikt:

1. zonder \gr{>'an}, om een vervulbaren wensch te kennen te geven, met of zonder inleidend \gr{}:o, dat, dat toch, moge (neg. \gr{m'h}).

\gr{>~W pa~i, g'enoio patr`os e>utuq'esteros.}

\gr{M'h moi g'enoij' <`a bo'ulom', >all' <`a sumf'erei.}

2. met \gr{>'an}, om een mogelijkheid uit te drukken (kan, zou kunnen, mocht wel), een bescheiden bewering, een subjectief oordeel (neg. \gr{o>u}: modus potentialis).

\gr{>'Isws >'an tis e>'ipoi} forsitan dixerit quispiam.

\gr{<"Wra >`an e>'ih suskeu'azesjai.}

\gr{>~W pa~i, g'enoio patr`os e>utuq'esteros.}

\gr{t`a d' >'all' <'omoios, ka`i g'enoi' >`an o>u kak'os.}

OPM. Over den potentialis van het verleden zie § 169, 5; onderscheid dus:

\gr{e>'ipoi (l'egoi) >'an tis} dixerit quispiam van

\gr{e>~ipen (>'elegen) >'an tis} diceres.

§ 172. De imperativus geeft te kennen, wat stellig wordt verlangd; de neg. is \gr{m'h}. Voorbeelden § 166, 2.

Een verbod wordt in den 2. persoon uitgedrukt door den imper. praes. of den coni. aor.: \gr{m`h po'iei} of \gr{m`h poi'hsh|s}.

In den 3. persoon gebruikt men den imper. (praes. of aor.), veel minder den coni. aor.: \gr{m`h poi'hsh|}.

B. DE MODI 1N AFHANKELIJKE ZINNEN (BIJZINNEN).

§ 173. Voorafgaande opmerkingen.

1. De modus van het afhankelijk werkwoord kan verschillen, naar gelang het regeerend werkwoord in een hoofdtijd of in een historischen tijd staat.

2. Als hoofdtijden gelden alle vormen, die op het tegenwoordige of op de toekomst betrekking hebben, dus de indicativi praesentis, perfecti en futuri, de optativus potentialis en alle coniunctivi en imperativi.

3. Als historische tijden (praeterita) gelden alle vormen, die op het verleden betrekking hebben, dus de ind. aor., het imperfectum en plqpf., het praesens historicum en de potentialis van het verleden.

4. De tijd van het regeerend werkwoord heeft nooit invloed op den tijd van het werkwoord van den afhankelijken zin; m. a. w. het Grieksch heeft geen consecutio temporum.

\gr{>'elegen, <'oti <'hkei} (or. recta \gr{<'hkw});

hij zeide, dai hij kwam (or. recta: ik kom).

Meestal wordt de afhankelijkheid ook niet door den modus uitgedrukt. Echter kan de indicativus realis en iedere coniunctivus met of zonder \gr{>'an} na een praeteritum in den hoofdzin vervangen

worden door den optativus zonder \gr{>'an} (optativus obliquus).

ln plaats van \gr{>'elegen, <'oti <'hkei}kan men dus ook zeggen:

\gr{>'elegen <'oti <'hkoi}.

5. Het subject van den afhankelijken zin wordt dikwijls te voren opgenomen en van het werkwoord van den hoofdzin afhankelijk gemaakt (anticipatio of prolepsis).

\gr{D'edoika d' a>ut`hn, m'h ti boule'ush| n'eon.}

\gr{>Hr'wtwn t`on >'andra t`o str'ateuma, <op'oson e>'ih.}

§ 174. Afhankelijke oordeelszinnen worden, wanneer hun werkwoord niet in den infinitivus of het participium staat, door \gr{<'oti, <ws} dat ingeleid, en hebben

na een hoofdtijd den indicativus (potent., irrealis),

na een hist. tijd meestal den optativus (potent., irrealis),

minder den indicativus.

De negatie is \gr{o>u}.

\gr{L'egei <o kat'hgoros, <ws <ubrist'hs e>imi.}

\gr{K~uros >'elegen, <'oti <h <od`os >'esoito pr`os basil'ea.}

\gr{>'Elegon, <'oti K~uros m`en t'ejnhken, >Aria~ios d`e pefeug`ws >en t~w| stajm~w| e>'ih.}

OPM. De zin \gr{>'elegen, <'oti >adiko'ihn} kan tweeërlei beteekenis hebben, nl. zoowel: hij zeide, dat ik onrecht deed (direct: \gr{>adike~is}, gij doet onrecht),

als ook; hij zeide, dat ik onrecht gedaan had (dir.: \gr{>hd'ikeis}, gij deedt onrecht), § 166, 4.

§ 175. Causale zinnen worden ingeleid door \gr{<'oti, di'oti, <ws} omdat, quod,

\gr{>epe'i} daar, cum, \gr{>epeid'h} daar immers, quoniam,

(\gr{<'ote, <o'opte} nu, quando),

en hebben na een hoofdtijd altijd den indicativus, (pot., irr.),

na een hist. tijd den indicativus (objectieve grond),

of den optativus (subiectieve grond).

De negatie is \gr{o>u}.

\gr{>Ajhna~ioi >en'omisan lel'usjai t`as spond'as, di'oti >es qe~iras >~hljon.}

\gr{O<i >Ajhna~ioi t`on Perikl'ea >ek'akizon, <'oti strathg`os >`wn o>uk >epex'agoi.}

\gr{D'eoma'i sou parame~inai <hm~in, <ws >eg`w o>ud' >`an <en`os <'hdion >ako'usaimi >`h so~u.}

§ 176. Afhankelijke vragen.

1. Zij worden ingeleid door interrogatieve en relatieve pronomina en adverbia (§ 127), of door de vraagpartikels:

\gr{e>i} of, num,

\gr{p'oteron — >'h, e>i — >'h}

\gr{p'otera — >'h, e>'ite —- e>'ite} of — (dan wel) of, utrum —— an,

en hebben na een hoofdtijd den indicativus (pot., irr.),

na een hist. tijd meestal den optativus, minder vaak den ind.

De negatie is \gr{o>u}.

\gr{Sumbouleu'omej'a soi, t'i qr`h poie~in.}

\gr{>Ep'hreto t`on Mhdos'adhn, e>i >alhj~h ta~ut' e>'ih.}

\gr{O<'iwn >`an >elp'idwn >emaut`on ster'hsaimi, ta~uta l'exw.}

\gr{Xenof~wn o>u to~uto pr~wton >hr'wta, p'oteron l~w|on e>'ih a>ut~w| pore'uesjai >`h m'enein, >all`a to~ut' >epunj'aneto, p~ws >`an poreuje'ih.}

2. Afhankelijke dubitatieve vragen hebben (verg. § 170, 2)

na een hoofdtijd den coniunctivus,

na een hist. tijd den optativus of coniuntivus.

De negatie is altijd \gr{m'h}.

\gr{<Or~w se >aporo~unta, po'ian <od`on >ep`i t`on b'ion tr'aph|.}

\gr{<O Jhba~ios >hp'orei, <'o, ti qr'hsaito t~w| pr'agmati.}

§ 177. Consecutieve zinnen.

1. Zij worden door \gr{<'wste} zoodat ingeleid. Men gebruikt:

om een ieitelijk gevolg aan te wijzen \gr{<'wste} met den ind. (pot., irr.), (neg. \gr{o>u}),

als men zich het gevolg slechts denkt, \gr{<'wste (<ws}) m. den infinitivus (verwacht, mogelijk gevolg) (neg. \gr{m'h}).

\gr{>~Hn y~uqos dein`oin, <'wste t`o <'udwr >ep'hgnuto.}

\gr{>'Eqw tri'hreis, <'wste <ele~in t`o >eke'inwn plo~ion.}

\gr{Kraug`hn poll`hn >epo'ioun o<i strati~wtai, <'wste ka`i to`us polem'ious >ako'uein} (het hooren konden, moesten).

%HIERO tot hier gekomen met de Griekse citaten etc.

2. Vooral gebruikt men regelmatig den infinitivus:

a) als het gevolg bedoeld is:

\gr{P~an poio~usin <'wste d'ikhn m`h did'onai.}

b) na uitdrukkingen, die een kunnen, in staat zijn, bewerken beteekenen:

\gr{T`o je~ion toio~uton ka`i toso~ut'on >estin <'wste pantaqo~u pare~inai.}

\gr{T'is o<'utw dein'os >esti l'egein, <'wste se pe~isai?}

c) na een comparatief met \gr{>'h} of na een negatie:

\gr{Braq'uteron >hk'ontizon >`h <ws >exikne~isjai <hm~wn.}

\gr{Ta~uta o>u p'alai >est`i gegenhm'ena <'wste >agnoe~in <um~as.}

d) als \gr{<'wste} beteekent onder voorwaarde dat, waarvoor meestal \gr{>ef' o<~u, >ef' <~w|te} met den inf. (of ind. fut. § 188, 4) gebruikt wordt.

\gr{O<i <Hrakle~wtai poll`a Timas'iwni <upisqno~unto <'wst' >ekple~in.}

\gr{>'Efasan >apod'wsein to`us nekro'us, >ef' <~w| te m`h k'aein t`as o>ik'ias.}

OPM. \gr{<'Wste} leidt ook wel hoofdzinnen in: daarom, derhalve.

\gr{}E>is t`hn <ustera'ian o>uq <~hken: <'wsj' o<i <'Ellhnes >efr'ontizon.}

§ 178. Finale zinnen.

1. In finale zinnen, ingeleid door

\gr{<'ina, <ws, <'opws} ut, opdat,

ontkend \gr{<'ina m'h, <ws m'h, <'opws m'h, m'h} ne, opdat niet,

staat na een hoofdtijd altijd de coniunctivus (praes. of aor.),

na een hist. tijd meestal de optativus (praes. of aor.), minder vaak de coniunctivus.

\gr{M`h fj'onei to~is e>utuqo~usi, m`h dok~h|s e>~inai kak'os.}

\gr{<'Ama ta~ut' e>ip`wn >an'esth, <'ina pera'inonto t`a d'eonta.}

\gr{T`a plo~ia >Abrok'amas kat'ekausen, <'ina m`h K~uros diab~h|.}

2. In finale objectszinnen na werkwoorden en andere uitdrukkingen van vreezen en bezorgd zijn,

ingeleid door \gr{m'h}, ne, dat, \gr{m`h o>u}, ne non, dat niet,

staat eveneens na een hoofdtijd altijd de coniunctivus,

na een hist. tijd gewoonlijk de optativus, minder vaak de coniunctivus.

\gr{D'edoika, m`h >epilaj'wmeja t~hs o>'ikad' <odo~u.}

\gr{>Efobe~ito, m`h o>u d'unaito >ek t~hs q'wras >exelje~in.}

OPM. In de beteekenis aarzelen, schromen, worden deze werkwoorden evenals vereor, metuo, dubito met den inf. verbonden.

3. In finale objectszinnen na de verba curandi, b.v.

\gr{>epim'elomai} zorgen, \gr{skop~w, skopo~umai} toezien,

\gr{m'elei moi} mij gaat ter harte, \gr{skept'eon (>est'in}) men moet toezien,

\gr{boule'uomai} overleggen, \gr{paraskeu'azomai} zich voorbereiden.

ingeleid door \gr{<'opws, <ws}, ontkend \gr{<'opws m'h, <ws m'h}.

staat soms de coniunctivus of optativus (volgens § 178, 1),

gewoonlijk echter de indicativus futuri (volgens § 188, 5).

\gr{<'Opws} is dan relativum en zulke zinnen zijn finale relatieve zinnen.

\gr{Skept'eon moi doke~i, <'opws <ws >asfal'estata meno~umen.}

Hypothetische of conditioneele zinnen.

§ 179. Voorafgaande opmerkingen.

1. Conditioneele zinnen worden ingeleid door \gr{e>i, >e'an} (= \gr{e>i >'an}, ook \gr{>'an, >'hn}) indien.

2. De zin, die de voorwaarde bevat, heet voorzin, ook als hij achteraan staat; de hoofdzin heet nazin.

3. De negatie van den voorzin is altijd \gr{m'h}, de negatie van den nazin is \gr{o>u} of \gr{m'h}, al naar gelang hij een oordeelszin of wenschzin is.

§ 180. Overzicht.

De voorwaarde en haar gevolg worden voorgesteld:

òf 1. als werkelijk, factisch: reëel geval;

òf 2. als niet-werkelijk, onmogelijk: irreéel geval;

òf 3. als mogelijk, doch onzeker (subjectief mogelijk): potentieel geval;

òf 4. als verwacht, vaak plaats vindend (objectief mogelijk): algemeen geval.

§ 181. Reëel geval of vorm der werkelijkheid.

De gevolgtrekking wordt als werkelijk voorgesteld, voor het geval dat de voorwaarde in vervulling gaat; of de voorwaarde in vervulling gaat, komt niet in aanmerking.

\gr{E>i} m. d. ind. van alle tijden, ind. van alle tijden.

\gr{E>i bo'ulei, d'unasai} Si vis, potes.

Indien gij wilt, kunt gij.

\gr{E>i jeo'i ti dr~wsin a>isqr'on, o>uk e>is`in jeo'i.}

\gr{E>i de'in' >'edrasas, dein`a ka`i paje~in s`e qr'h.}

\gr{E>i m`h kaj'exeis gl~wssan, >'estai soi kak'a.}

§ 182. Irreëel geval of vorm der niet-werkelijkheid.

Voorwaarde en gevolgtrekking worden als niet-werkelijk voorgesteld.

\gr{E>i} m. d. ind. v. e. hist. tijd, ind v. e. hist. tijd m. \gr{>'an}.

voor het tegenw.: imperf., imperf. m. \gr{>'an}.

voor het verl.: ind. aor. (plqpf.), ind. aor. (plqpf.) m. \gr{>'an}.

a) tegenwoordig: \gr{E>i >ebo'uloum >ed'unaso >'an.}

Si velles, posses (sed non vis).

Indien gij wildet, zoudt gij kunnen (maar gij wilt niet).

\gr{F~ws e>i m`h e>'iqomen, <'omoioi to~is tyflo~is >`an >~hmen.}

\gr{E>i m`h (g`ar) >~hn Qr'usippos, o>uk >`an >~hn sto'a.}

b) verleden: \gr{E>i >eboul'hjhs, >edun'hjhs >'an.}

Si voluisses, potuisses (sed noluisti).

Indien gij gewild had, zoudt gij gekund hebben (maar gij wildet niet).

\gr{O>uk >`an >epo'ihsen >Agas'ias, e>i m`h >eg`w >ek'eleusa.}

\gr{E>i tri'akonta m'onai met'epeson t~wn y'hfwn, >apepefe'ugh >'an.}

c) gemengd:

\gr{E>i m`h <ume~is >'hljete, >eporeu'omej' >`an >ep`i basil'ea.}

\gr{E>i g`ar s`u m`en pa~is >~hsj', >eg`w d`e s`os pat'hr, >'ektein'a to'i s' >`an ko>u fuga~is >ezhm'ioun.}

OPM. Bij uitzondering komt in irreëele voorwaardelijke zinnen het imperf voor in plaats van den ind. aor., om den duur der verleden handeling, en de f ind. aor. in plaats van het imperi., om het plotseling plaats hebben der tegenwoordige handeling te kennen te geven.

\gr{O>uk >`an >Agam'emnwn n'hswn >hpeir'wths >`wn >ekr'atei, e>i m'h ti ka`i nautik`on e>~iqen.} (Ag. ware niet meester geweest, indien hij niet gehad had). — \gr{E>i m`h pat`hr >~hsj', e>~ipon >`an s' o>uk e>~u frone~in.}

§ 183. Potentieel geval of vorm der mogelijkheid.

Voorwaarde en gevolgtrekking worden, zonder te letten op het werkelijk plaats hebben, aangewezen als gedachten van den spreker.

\gr{E>i} m. d. optativus, optativus m. \gr{>'an}.

\gr{E>i bo'uloio, d'unaio >'an}. Si velis, possis.

Indien gij (soms, eens, wellicht) wildet, zoudt gij wel knnnen.

\gr{E>'i tis xunel`wn ta~uta fa'ih, >orj~ws >`an e>'ipoi.}

\gr{E>i >anagka~ion e>'ih >adike~in >`h >adike~isjai, <elo'imhn >`an m~allon >adike~isjai >`h >adike~in.}

§ 184. Algemeen geval of vorm der verwachting.

De voorwaarde wordt als objectief mogelijk, als onder omstandigheden verwacht, het gevolg als zeker aangewezen. Deze vorm dient vooral, om algemeen geldige gedachten uit te drukken en

wordt dus altijd gebruikt in wetten.

De vervulling der voorwaarde kan men zich denken:

l. futuraal: indien, wanneer.

\gr{>E'a} m. d. coni. (praes. of aor.), ind. fut. of imper.

\gr{>E`an bo'ulh| (boulhj~h|s), dun'hsei.}

Si voles (volueris), poteris.

Wanneer gij zult willen (gewild hebben), zult gij kunnen,

\gr{<'Hxw par`a d`e a>'urion, >e`an je`os >ej'elh|.}

\gr{N'eos >`an pon'hsh|s, g~hras <'exeis e>ujal'es.}

\gr{>E`an d' >'eqwmen qr'hmaj', <'exomen f'ilous.}

Donec eris felix, multos numerabis amicos.

ln zulke zinnen staat:

De coni. praes. in de beteekenis van het Lat.(-Nederl.) futurum,

de coni. aor. in de beteekenis van het Lat.(-Nederl.) fut. exaetum.

2. iteratief, zich onbepaald dikwijls herhalend: zoo dikwijls als, telkens wanneer; en wel

òf a) in het tegenwoordige:

\gr{>E'an} m. d. coni. (praes of aor.), ind. praes. (fut., imper.).

\gr{>E`an bo'ulh| (boulhj~h|s, d'unasai.}

Cum vis (voluisti), potes.

Zoo dikwijls gij wilt, kunt gij.

\gr{<'Apas l'ogos, > àn >ap~h| t`a pr'agmata, m'ataios fa'inetai.}

\gr{>`An >egg`us >'eljh| <o j'anatos, o>ude`is bo'uletai jn'h|skein.}

of b) in het verleden:

\gr{E>i} m. d. opt. (praes. of aor.), ind. v. e. hist. tijd (vooral imperf.).

\gr{E>i bo'uloio (boulhje'ihs), >ed'unaso.}

Cum volebas (volueras), poteras.

Zoo dikwijls gij wildet (gewild hadt), kondt gij.

\gr{Xenof~wn e>'i po'u ti <or'w|h brwt'on, died'idou.}

\gr{E>'i t'is g'e ti K'urw| prost'axanti kal~ws <uphret'hseien, o>uden`i p'wpote >aq'ariston e>'iase t`hn projum'ian.}

ln zulke zinnen, die een herhaling te kennen geven, staat:

de opt. praes. in de beteekenis van het Lat.(-Nederl.) imperf.,

de opt. aor. in de beteekenis van het Lat.(-Nederl.) plqperf.

OPM. 1. Een opt. kan ook in zulke zinnen opt. obl. zijn.

OPM. 2. Op dezelfde wijze zijn te verklaren de hypothetisch-temporeele en hypothetisch-relatieve zinnen (§ 187,3 en 4. b; 189, d.)

met \gr{<'otan, <'ews >'an, pr`in >'an — <`os >'an, <'opws >'an, <~h| >'an} m. d. coni. na hoofdtijden,

en \gr{<'ote, <'ews, pr'in, — <'os, <'opws, <~h|} m. d. opt. na hist. tijden.

§ 185. 1. De vier vormen worden dikwijls onderling gemengd; vooral staat een potentiëele nazin (als bescheiden wijze van uitdrukking) dikwijls bij een reëelen of algemeenen voorzin.

\gr{De'ixaimi >`an ta~uta, e>'i mo'i tina bo'ulesje sump'empyai.}

\gr{O>ud'e, >e`an polla`i g'efurai >~wsin, >'eqoimen >`an <'opoi swj~wmen.}

2. Men merke bovendien nog op:

a) \gr{e>i d`e m'h} na \gr{>ei m`en (m'h), >e`an m`en (m'h)} zonder werkwoord, als vaste uitdrukking, beteekent: in het tegenovergestelde geval, anders;

b) \gr{e>'iper} m. d. ind.: si quidem, indien althans.

§ 186. Concessieve zinnen worden ingeleid door \gr{e>i ka'i, >e`an ka'i} wanneer ook, indien al,

of ka`i e>i, ka`i >e'an} ook wanneer, zelfs indien,

en hebben de tempora en modi van de voorwaardelijke zinnen. De negatie is \gr{m'h}

\gr{Ke>i m`h p'epoija, to>'urgon >'est' >ergast'eon.}

\gr{Gel~a| d' <o mwr'os, k>'an ti m`h gelo~ion >~h|.}

OPM. Zinnen met ofschoon worden in het Grieksch weergegeven door een participium met voorafgaand \gr{ka'i} of \gr{ka'iper} (neg. \gr{o>u}); zie § 199, 3. e.

§ 187. Temporeele zinnen.

1. Zij worden ingeleid door de partikels van tijd:

\gr{<'ote, <op'ote, <hn'ika, <ws} toen, nu, cum met den ind.;

\gr{>epe'i, >epeid'h} nadat, toen, cum met den coni.;

\gr{>epe'i (>epeid'h) pr~wton (t'aqista)} zoodra als, cum primum;

\gr{>af' o<~u, >ex o<~u} sedert, ex quo; \gr{>en <~w|} terwijl, dum;

\gr{<'ews, >'este, m'eqri (o<~u)} zoolang als, totdat, dum, quoad;

\gr{pr'in} voordat, priusquam.

2. Behoort de tijdsbepaling geheel tot`het verleden of het tegenwoordige, dan staat de indicativus (pot., irreal.; neg. \gr{o>u}).

\gr{>Epe`i p'antes sun~hljon, >ekal'ezonto: <'ote d`e ta~ut' >~hn, m'esai >~hsan n'uktes.}

3. Wordt echter de tijdsbepaling als verwacht of als herhaald voorgesteld (futuraal of iteratief), dan is de temporeele zin van hypothetischen aard en wordt geconstrueerd volgens § 184.

\gr{T'afos d`e po~ios d'exeta'i m, <'otan j'anw.}

\gr{>Epeid`an <'apanta >ako'ushte, kr'inate.}

\gr{Main'omeja p'antes, <op'otan >orgiz'wmeja.}

\gr{K~uros >en t~w| parade'isw| >ej'hreuen, <op'ote gumn'asai bo'uloito <eaut'on te ka`i to`us <'ippous.}

\gr{M`h >aname'inwmen, <'ews >`an} (totdat) \gr{ple'ious <hm~wn o<i pol'emioi g'enwntai, >all' >'iwmen, <'ews} (zoo lang als) \gr{>'eti o>i'omeja e>upet~ws >`an a>ut~wn krat~hsai.}

4. Na de tijds-partikel \gr{pr'in}voordat staat gewoonlijk:

a) de infinitivus, als de hoofdzin affirmatief is (nom. of acc. c. inf. § 193).

\gr{Di'ebhsan pr`in to`us >'allous >apokr'inasjai.}

\gr{Pollo`i >'njrwpoi >apojn'h|skousi pr'oteron pr`in d~hloi g'ignesjai, o<~ioi >~hsan.}

b) een verbum finitum, als de hoofdzin negatief is; de constructie is dan geheel dezelfde als in de overige temporeele zinnen.

\gr{O>uk >ap'epleusan, pr`in >exepoli'orkhsan t`hn p'olin.}

\gr{M`h >ap'eljhte, pr`in >`an >ako'ushte t`o pr~agma.}

§ 188. Relatieve zinnen.

1. Zij werden ingeleid door relatieve pronomina en adverbia.

2. Verklarende relatieve zinnen, welke een afzonderlijk begrip nader bepalen, hebben de medi en de negatie van de zelfstandige zinnen.

\gr{Pr~agma,} \gr{<`o o>uk >eg'eneto — <`o o>u gen'hsetai —}

\gr{<`o o>uk >`an g'enoito — <`o o>uk >`an >eg'eneto —}

\gr{<`o m`h g'enoito — <`o m'hpote poi~wmen —}

\gr{<`o m`h poie~ite (poi'hshte).}

3. Causale relatieve zinnen hebben den indicativus (neg. \gr{o>u}).

\gr{Jaumast`on poie~is, <`os (<'oti) <hm~wn o>ud`en d´idws} (qui des).

4. Consecutieve relatieve zinnen hebben den indicativus, meest van het futurum (neg. \gr{o>u}).

\gr{T'is o<'utw m'ainetai, <'ostis o>u bo'uletai so`i f'ilos e>~inai?}

\gr{Pa~id'es moi o<'utw e>is'in, o<'i me jerape'usousin} (qui me colant).

5. Finale rel. zinnen hebben altijd (ook als het regeerend werkwoord in een hist. tijd staat) den ind. futuri (neg. \gr{m'h}).

\gr{<Hgem'ona a>it'hsomen K~uron, <'ostis <hm~as >ap'axei} (qui abducat).

\gr{>'Edoxe t~w| d'hmw| tri'akonta >'andras <el'esjai, o<`i to`us patr'ious n'omous suggr'afousi, kaj' o<`us polite'usousin} (conscriberent, viverent),

§ 189. Hypothetische rel. zinnen, die in een voorwaardelijken zin opgelost kunnen worden, hebben de modi der hypothetische voorzinnen (§ 180 sqq.); de neg. is \gr{m'h}.

\gr{<'os (<'ostis) = e>'i tis <`os >'an (<'ostis >'an) = >e'an tis}.

a) reëel (§ 181): \gr{<`A m`h o>~ida, o>ud`e o>'iomai e>id'enai.}

\gr{<`A m`h pros'hkei, m'ht' >'akoue mhj' <'ora.}

b) irreëel (§ 182): \gr{O<i pa~ides <um~wn, <'osoi >enj'ade >~hsan, <up`o to'utwn >`an <ubr'izonto (e>i >enj'ade >~hsan).}

c) potentiëel (§ 183): \gr{>Eg`w m`en >okno'ihn >`an e>is t`a plo~ia >emba'inein, <`a <hm~in K~uros do'ih (e>'i tina do'ih).}

d) algemeen (§ 184): futuraal: \gr{>Ap'okrinai, <'o, ti >'an se >erwt~w.}

\gr{T~w| >andr'i, <`on >`an <'elhsje, pe'isomai.}

iterat., tegenw.: \gr{N'eos d' >ap'ollusj', <'ontin' >`an fil~h| je'os.}

verl.: \gr{Sfodr`os >~hn Qairef~wn, >ef' <'o, ti <orm'hseien.}

§ 190. Soms komt in finale, temporeele en relatieve zinnen modus-assimilatie voor.

\gr{E>'ije <'hkois, <'ina gno'ihs.}

\gr{>Eboul'omhn >`an S'imwna t`hn a>ut`hn gn'wmhn >emo`i >'eqein, <'ina <ra|d'iws >'egnwte t`a d'ikaia.}

§ 191. Overzicht over het gebruik van \gr{>'an}.

\gr{>'an} komt voor:

1. bij den ind. der praeterita als modus irrealis, § 169, 4.

2. bij den ind. der praeterita als potentialis van het verleden (ook als \gr{>'an} iterativum), § 169, 5.

3. bij den coniunctivus in algemeene hypothetische voorzinnen, in hypothetisch-tempor. en hijpothetisch-rel. zinnen, § 184, 187, 189.

4. bij den optativus potentialis, § 171, 2.

5. bij den inf. en het part., als ze de beteekenis van den irrealis of potentialis hebben, § 200.

OPM. \gr{>'An} wordt soms tweemaal in één zin geplaatst (\gr{p~ws >`an o>uk >`an p'asqoimen?}). Ook ontbreekt het wel eens (vooral bij dichters, Thuc., Herod,)..

IX. De nominale vormen van het werkwoord.

A. DE INFINITIVUS.

§ 192. 1. De infinitivus is een verbaal substantivum.

2. De nominale natuur van den inf. (en het part.) blijkt voora1 duidelijk uit de verbinding met het lidwoord. Hun verbale natuur komt daarin uit, dat zij niet door adiectiva, maar door adverbia nader bepaald worden en het object altijd in denzelfden naamval staat, dien ook de andere vormen van het werkwoord regeeren (\gr{t`o >akrib~ws to~is n'omois pe'ijesjai}).

Verder wijzen zij het genus verbi en de actio aan (\gr{lipe~in, lip'esjai, leifj~hnai — fuge~in, fe'ugein, pefeug'enai}) en kunnen zij met de moduspartikel \gr{>'an} verbonden worden.

§ 193. Subject en praedicaatsbepalingen bij den infinitivus.

1. Het subject van den inf. staat in den accusativus; eveneens de praedicaatsbepalingen.

\gr{Swkr'aths <hge~ito jeo`us p'anta e>id'enai.}

2. Is echter het subject van den infinitivus hetzelfde als dat van het regeerend werkwoord, dan wordt het bij den inf. in het geheel niet uitgedrukt; praedicaatsbepalingen staan dan in den nominativus.

\gr{<omolog~w <amartane~in} confiteor me peccasse.

\gr{>'Eqw tri'hreis <'wste <ele~in t`o >eke'inwn plo~ion.}

\gr{>Erwt'wmenos, <opodap`os e>'ih, P'ershs >'efh e>~inai.}

3. Beantwoordt het subject van den inf. aan het Nederl. men (\gr{tin'a, >anjr'wpous}), ook dan wordt het weggelaten; praedicaatsbepalingen staan in dit geval in den accusativus.

\gr{Pr'epei k'osmion e>~inai}, verg. clarum fieri licet.

4. Ligt het subject van den inf. opgesloten in een naamval, die afhangt van het regeerend werkwoord, dan staan de praedicaatsbepalingen

òf in denzelfden naamval

òf (in plaats van in den gen. of dat.) in den accusativus.

\gr{>'Exestin <um~in e>uda'imosi gen'esjai}

of \gr{e>uda'imonas gen'esjai}.

\gr{K~uros paragg'ellei Xen'ia| <'hkein lab'onti to`us >'andras}

\gr{lab'onta to`us >'andras}.

§ 194. De infinitivus met Iidwoord.

1. De inf. kan (§ 122) door toevoeging van het lidwoord gesubstantiveerd worden, zonder dat hij daarbij zijn verbale natuur verliest; (neg. \gr{m'h}).

2. Het lidwoord kan bij den inf. staan, als hij subject is of direct object (in den acc.); het lidwoord moet bij den inf. staan, als hij indirect object (in den gen. of dat.) is of van een praepositie afhangt.

\gr{T`o poll`a tolm~an p'oll' <amart'anein poie~i.}

\gr{N'eois t`o sig~an kre~itt'on >esti to~u lale~in.}

\gr{N'ikhson >org`hn t~w| log'izesjai kal~ws.}

§ 195. De infinitivus zonder lidwoord.

1. Als subject staat de inf. (acc. c. ini.) vooral bij onpersoonlijke werkwborden en uitdrukkingen als:

\gr{de~i, qr'h, doke~i, >'exesti, o<~i'on t'e >esti, pros'hkei, sumba'inei, >'axion, d'ikaion, dunat'on, kal'on — <'wra, kair'os, n'omos >est'in}.

\gr{>All`a g`ar >'hdh <'wra >api'enai.}

OPM. De onpersoonlijke uitdrukking wordt dikwijls door de persoonlijke vervangen; b.v. \gr{dok~w} videor, \gr{>'axi'os e>imi} het is rechtvaardig, dat ik.

2. Als object staat de inf. (acc. c. ini.) bij de verba van zeggen, verklaren; meenen, hopen;

wenschen, verzoeken, verbieden, verhinderen;

kunnen, verstaan, leeren.

\gr{<'O, ti >`an poi~h|s, nom'iz' <or~an jeo'us tinas.}

\gr{Kal~ws >ako'uein m~allon >`h ploute~in j'ele.}

\gr{T`hn t~wn krato'untwn m'aje f'erein >exous'ian.}

3. Als nadere bepaling staat de infinitivus (meest activi) bij adiectiva, die beteekenen: geschikt, in staat, waardig, gemakkelijk, aangenaam en het tegendeel, b.v. \gr{qalep`o e<ure~in} difficilis inventu; \gr{>'axios >epain'esai} dignus, qui laudetur; \gr{<ikano`i ful'attein} voldoende, om te — \gr{o<~ios >'arqein} geschikt tot —; \gr{o<~ios z~hn} voldoende om te —; vooral \gr{o<~i'os t'e e>imi} in staat zijn.

\gr{<R'a|dia p'anta Je~w| tel'esai}: te volbrengen.

\gr{K~uros p'antwn >~hn >'arqein >axi'wtatos.}

4. De infinitivus wordt gebruikt om het doel te kennen te geven, vooral bij werkwoorden, die beteekenen: geven, verlaten, toelaten; kiezen, bepalen.

\gr{T`as k'wmas diarp'asai to~is <'Ellhsin >ep'etrefen.}

\gr{E>'ilonto Drak'ontion dr'omou >epimelhj~hnai.}

5. Absoluut staat de infinitivus (met en zonder lidwoord) in uitdrukkingen als:

\gr{>ol'igou, mikro~u de~in} bijna;

\gr{<ws >'epos e>ipe~in} om zoo te zeggen; \gr{<ek`wn e>~inai} vrijwillig;

\gr{<ws sunel'onti e>ipe~in} om kort te gaan (§ 154, c);

\gr{(<ws) >emo`i doke~in} naar mij toeschijnt; \gr{t`on n~un e>~inai} (voor) nu;

\gr{t`o kat`a to~uton (>ep`i to'utw|) e>~inai} wat hem aangaat.

\gr{>Alhj'es ge <ws >'epos e>ipe~in o>ud`en e>ir'hkasin.}

\gr{T`o >ep' >eke'inois e>~inai >apol'wlate.}

B. HET PARTICIPIUM.

§ 196. 1. Het participium is een verbaal adjectief en wordt geheel als adjectief gebruikt (verg. § 192, 2).

§ 197. Het attributieve participium.

1. Het wordt met attributieve plaatsing aan een substantivum toegevoegd of — met weglating van het zelfstandig naamwoord — gesubstantiveerd.

\gr{o<i par'ontes <hgem'ones — o<i n~un >'ontes >'anjrwpoi — <h M'idou kaloum'enh kr'hnh} de zoogenaamde Midasbron — \gr{to~is Jr~a|xi to~is <up`er <Ell'hsponton o>iko~usi} den Thr., die . .

2. Het daarbij gevoegde lidwoord is (§ 115 met OPM. 2) ,

òf individualiseerend: \gr{<o gray'amenos t`on Swkr'ath},

òf generaliseerend: \gr{<o tuq'wn, <o boul'omenos} ieder, die wil,

\gr{<o m`h piste'uwn} si quis non credit.

§ 198. Het praedicatieve participium,

dienende tot aanvulling van een verbaal praedicaat, wordt gebruikt

1. terugslaande op het subject:

a) bij werkwoorden, die een nader bepaald zijn te kennen geven:

\gr{tugq'anw} juist, toevallig zijn, \gr{lanj'anw} verborgen zijn, \gr{di'agw, diatel~w, diag'ignomai} voortdurend zijn, \gr{d~hlos, faner'os e>imi, fa'inomai} blijkbaar zijn, \gr{fj'anw} vroeger zijn, voorkomen, \gr{o>'iqomai} weg zijn enz.

\gr{<Ept`a <hm'eras p'asas maq'omenoi diet'elesan.}

\gr{>'Efjhsan to`us P'ersas >afik'omenoi e>is t`hn p'olin}

b) bij werkwoorden van beginnen en ophouden, uithouden en vermoeid worden; b.v.

\gr{>'arqomai} beginnen, \gr{pa'uomai} ophouden,

\gr{>an'eqomai} uithouden, \gr{>apagore'uw, k'amnw} moede worden.

\gr{O>'upot' >epau'omhn <hm~as o>ikte'irwn.}

\gr{M`h k'amh|s f'ilon >'andra e>uerget~wn}

(\gr{Pa'uw to`us >eqjro`us gel~wntas} ik maak dat de v. ophouden met lachen).

c) bij werkwoorden van goed- en kwaad doen, overtreffen en onderdoen; b.v.

\gr{kal~ws poi~w} goed doen met —, \gr{>adik~w} onrechtvaardig handelen door —, \gr{qar'izoma'i tini, q'arin f'erw tin'i} iemand van dienst zijn door —, \gr{nik~w, krat~w} overtreffen in —, \gr{<htt~wmai, le'ipomai} onderdoen in —.

\gr{>Adike~ite pol'emou >'arqontes ka`i spond`as l'uontes.}

d) bij werkwoorden, die een gemoedsstemming te kennen geven; b.v.:

\gr{qa'irw, <'hdomai} zich verheugen, \gr{>'aqjomai, >aganakt~w} het land hebben,

\gr{a>isq'unomai} zich schamen, \gr{metam'elomai} berouw hebben.

\gr{<'Hdomai >ako'uwn sou fron'imous l'ogous.}

2. terugslaande op het subject of object:

a) bij werkwoorden van aantoonen, overtuigen, gewaar worden en weten:

\gr{de'iknumi, dhl'ow, (>apo)fa'inw, (>ex)el'egqw},

\gr{<or~w, perior~w} (= toelaten), \gr{>ako'uw, a>isj'aomai, katalamb'anw, o>~ida, >ep'istamai, m'emnhmai, gign'wskw, e<ur'iskw} en derg.

Verg. Catonem vidi sedentem. Socratem audio dicentem.

\gr{P'anj' <'eneka <eauto~u poi~wn F'ilippos >exel'hlegktai.}

\gr{<Or~wmen p'anta >alhj~h >'onta, <`a l'egete.}

\gr{<O je`os t`a m'egista m`en pr'attwn <or~atai, t'ade d' o>ikonom~wn >a'oratos <hm~in >estin.}

OPM. 1. Bij de genoemde verba sentiendi en affectuum kan ook een zin met \gr{<'oti} of \gr{<ws} staan.

OPM. 2. Let op: \gr{>'isji (m'emnhso) jnht`os >'wn} weet, dat gij st. zijt.

OPM. 3. Bij \gr{s'unoida >emaut~w|} zich bewust zijn staat het part. nu eens in den nom., dan weer in den dat., bij \gr{metam'elei moi} berouw hebben steeds in den dat.

\gr{>Eg`w g`ar o>u x'unoida >emaut~w| sof`os >'wn} of \gr{sof~w| >'onti}.

OPM. 4. \gr{>Ako'uw, a>isj'anomai, punj'anomai} hebben een drievoudige constructie:

\gr{>ako'uw} c. gen. part.: ik hoor (zelf, persoonlijk), dat — (verg. § 144, 4. O).

\gr{>ako'uw} c. acc. part.: ik hoor (van anderen), als feit, dat = \gr{<'oti}.

\gr{>ako'uw} c. acc. et inf.: ik hoor als gerucht, dat —.

OPM. 5. Op dergelijke wijze wordt bij verscheiden der genoemde werkwoorden het part. en de inf. in verschillende beteekenis gebruikt; b.v.

m. h. participium. m. d. infinitivus.

\gr{>'arqomai} beginnen, in ’t begin der handel zijn, ondernemen, zich gereed maken, om,

\gr{fa'inomai, >'eoika} het blijkt, dat ik (apparet), het schijnt, dat ik (videor),

\gr{a>id'eomai, a>isq'unomai} zich schamen te doen, d. i, met schaamte doen, zich schamen te doen, d. i. uit schaamte laten,

\gr{gign'wskw} inzien, besluiten,

\gr{>ep'istamai} weten, dat iets is (\gr{<'oti, <ws}) kunnen, iets te doen (§ 195, 2)

\gr{o>~ida, manj'anw} weten, tot h. inzicht komen (,,) kunnen, leeren, iets te doen (§ 195, 2)

\gr{>epilanj'anomai} vergeten (,,) vergeten (§ 195, 2)

\gr{m'emnhmai} zich herinneren (,,) er aan denken (§ 195, 2)

\gr{m'emnhmai (o>~ida, >ako'uw), <'ote} c. ind. memini, cum ik herinner mij den tijd, dat.

§ 199. Het participium coniunctum en absolutum.

1. Evenals in het Lat. beantwoordt ook in het Grieksch het participium dikwijls aan Nederl. bijzinnen, door conjuncties ingeleid, en wel:

a) als part. coniunctum aan die bijzinnen, wier subject in den hoofdzin in den een of anderen naamval voorkomt;

b) als part. absolutum aan die bijzinnen, wier subject in den hoofdzin in het geheel niet voorkomt.

2. Met de Latijnsche ablativi absoluti stemmen in het Grieksch de genetivi absoluti overeen.

\gr{Jeo~u did'ontos o>ud`e >isq'uei fj'onos, ka`i m`h did'ontos o>ud`en >isq'uei p'onos.}

OPM. Bij de Grieksche genetivi absoluti kan — afwijkend van het Latijn —:

a) het subject weggelaten werden, als men het gemakkelijk uit den samenhang kan aanvullen: \gr{o<'utws >eq'ontwn} quae cum ita sint.

b) het participium niet door een subst. of adi. vervangen worden (verg. Cicerone consule, Hannibale vivo), maar er moet steeds \gr{>'wn} aan toegevoegd worden; dus Pericle duce, maar \gr{Perikl'eous <hgem'onos >'ontos} — \gr{<Ek'wn} en \gr{>'akwn} gelden als participia; vandaar \gr{>emo~u o>uq <ek'ontos} me invito.

3. Zoowel het part. abs. als het part. coni. zijn ook in het Grieksch:

a) causaal, dikwijls nader als zoodanig aangewezen door toevoeging van:

\gr{<'ate, o<~ion, o<~ia} (bij een objectieven grond) dan immers;

\gr{<ws} (bij een subjectieven grond): wijl, alsof; in de meening, dat.

\gr{<'Ate >exa'ifnhs >epipes'ontes poll`a >andr'apoda >'elabon.}

\gr{>Anejor'ubhsan <ws e>~u e>ip'ontos to~u >Agas'iou.}

b) finaal, alleen in het part. fut., dikwijls met \gr{<ws}: om te (neg. \gr{m'h}).

\gr{O<i >Ajhna~ioi pareskeu'azonto <ws polem'hsontes.}

c) temporeel, dikwijls als zoodanig nader aangewezen door toevoeging van adverbia, als:

\gr{<'ama} tegelijk, \gr{a>ut'ika, e>uj'us} terstond, \gr{metax'u} midden onder enz.

\gr{<'ama poreu'omenoi} gedurende den marsch, \gr{e>uj`us pa~ides >'ontes} a pueris.

\gr{Pollaqo~u me >ep'esqe l'egonta metax'u.}

\gr{Dru`os peso'ushs p~as >an`hr Xule'uetai.}

d) hypothetisch (neg. \gr{m'h}).

\gr{D'ikaia dr'asas summ'aqous <'exeis jeo'us.}

\gr{O>uk >`an d'unaio m`h kam`wn e>udaimone~in.}

e) concessief, dikwijls als zoodanig nader aangewezen door toevoeging van \gr{ka'i, ka'iper} (neg. \gr{o>u}).

\gr{Pollo`i g`ar >'ontes e>ugene~is e>isin kako'i.}

\gr{E>is'hljete <ume~is ka'iper o>u did'ontos to~u n'omou.}

4. Een accusativus absolutus van het participium komt voor (dikwijls met \gr{<ws, <'wsper}) van onpersoonlijke uitdrukkingen, als

\gr{d'eon, pros~hkon} daar (terwijl, ofschoon) het noodig is of was,

\gr{>'on, >ex'on, par'on} daar (terwijl, ofschoon) het mogelijk is of was,

\gr{d'oxan, dedogm'enon} daar (als, ofschoon) besloten is of was,

\gr{>'adhlon, a>isqr`on >'on} daar (als, ofschoon) het onbekend, schandelijk is of was enz.

\gr{Katake'imeja, <'wsper >ex`on <hsuq'ian >'agein.}

\gr{S`u saut`on o>uq`i >'eswsas, o<~i'on te >`on ka`i dunat'on.}

§ 200. lnfinitivus en participium met \gr{>'an}.

Het modale \gr{>'an} staat bij den inf. en het part., wanneer in den zin met een verbum finitum, waarin zij kunnen worden opgelost,

of de optativus met \gr{>'an}

of de ind. van een hist. tijd met \gr{>'an}

zou moeten staan. De beteekenis is dus steeds of potentieel of irreëel.

\gr{S`un <hm~in >`an o>~imai e>~inai t'imios, <'opou >`an >~w.}

\gr{>Ar'istippos a>ite~i K~uron e>is disqil'ious x'enous ka`i tri~wn mhn~wn misj'on, <ws o<'utw perigen'omenos >`an t~wn >antistasiwt~wn.}

C. HET ADIECTIVUM VERBALE.

§ 201. 1. De adiect. verbalia op \gr{-t'os, t'h, t'on} geven (volgens § 78, 9) te kennen:

òf hetgeen bewerkt is: \gr{lut'os} losgemaakt, \gr{>'akratos} ongemengd,

of hetgeen bewerkt kan worden: \gr{brwt'os} eetbaar, \gr{>a'oratos} onzichtbaar.

2. De adiect. verbalia op \gr{-t'eos, -t'ea, t'eon} geven een noodzakelijkheid te kennen, en komen overeen met het Lat. gerundivum; b.v. \gr{lut'eos}, solvendus, \gr{peist'eon} oboediendum, \gr{>it'eon} men moet gaan.

De persoonlijke constructie doet het subject, de onpersoonlijke doet de handeling met nadruk uitkomen. De persoon, die iets doen moet, staat in den dativus (§ 154, b).

\gr{O<i summaqe~in >ej'elontes e>~u poiht'eoi.}

\gr{Tosa~uta >'orh <or~ate <um~in >'onta <uperbat'ea.}

\gr{O>ist'eon p~asi t`hn t'uqhn — t~w| >adiko~unti dot'eon d'ikhn.}

X. Over de partikels.

§ 202. De negaties.

1. De beide negaties \gr{o>u} en \gr{m'h} verschillen daarin van elkander, dat

\gr{o>u} (\gr{o>'ute, o>'upote, o>ude'is} enz.) ontkennend (objectief),

\gr{m' h} (\gr{m'hte, m'hpote, mhde'is} enz.) verhinderend (subjectief) is.

\gr{>Eg`w jras`us ka`i >anaid`hs o>'ut' e>im`i m'hte geno'imhn.}

2. In overeenstemming hiermede staat \gr{o>u} in alle oordeelszinnen, dus:

in zelfstandige en afhankelijke zinnen, die een oordeel, vraag of reden te kennen geven, eveneens in de gewone relatieve en temporeele zinnen.

\gr{O>u dunat'on >estin — >'elegen, <'oti o>u dunat'on e>'ih — t'i o>uk >'hljete? — >epe`i ta~ut' o>uk >eg'eneto — <'ojen o>uk >'estin >exelje~in.}.

3. Daarentegen staat \gr{m'h} in alle wenschzinnen, dus:

in zelfstandige en afhankelijke zinnen, die een wensch, bevel of verbod bevatten; in bijzinnen, die een bedoeling of een vreezen te kennen geven.

\gr{M'h moi g'enoij' <`a bo'ulom', >all' <`a sumf'erei.}

\gr{M`h fj'onei to~is e>utuqo~usi, m`h dok~h|s e>~inai kak'os.}

\gr{D'edoika, m`h >epilaj'wmeja t~hs o>'ikade <odo~u.}

4. Verder wordt \gr{m'h} gebruikt:

a) in voorwaardelijke zinnen en in alle uitdrukkingen, waarin een voorwaarde ligt opgesloten.

\gr{E>i m`h kaj'exeis gl~wssan, >'estai soi kak'a.}

\gr{<`A m`h o>~ida, o>ud`e o>'iomai e>id'enai.}

\gr{<O m`h dare`is >'anjrwpos o>u paide'uetai.}

b) bij den infinitivus, bij welken alleen na uitdrukkingen, die niets meer dan een oordeel te kennen geven, ook \gr{o>u} kan staan.

\gr{<Upisqno~unto mhd`en qalepò n a>uto`us pe'isesjai.}

\gr{Tolm~wsi l'egein o>udem'ian m'aqhn gegon'enai.}

OPM. 1. Na de werkw. met negatieve beteekenis, bestrijden, ontkennen, betwijfelen staat in den afhankelijken oordeelszin (een voor ons overbodig) \gr{o>u}.

\gr{O>uk >`an >arnhje~ien >'enioi, <ws o>uk e>is`i toio~utoi.}

OPM. 2. Evenzoo wordt na negatieve uitdrukkingen als: verhinderen, zich onthouden, weigeren, ontkennen, ontgaan enz. dikwijls, na verbieden altijd aan den inf. \gr{m'h} toegevoegd, en, als het hoofdwerkwoord zelf een ontkenning bij zich heeft, \gr{m`h o>u} (ook wel t`o m'h} en \gr{t`o m`h o>u).

\gr{<O f'obos t`on no~un >ape'irgei m`h l'egein, <`a bo'uletai.}

\gr{O>ude'is p'wpote >ante~ipe m`h o>u kal~ws >'eqein to`us n'omous.}

5. Negaties van denzelfden aard verbonden. Een negatie wordt door een of meer volgende negaties van denzelfden aard versterkt, als de laatste samengesteld is; daarentegen opgeheven, als de laatste niet-samengesteld is.

\gr{O>uk >ere~i o>ude`is o>ud'en} niemand zal iets zeggen.

\gr{O>ude`is o>uk >apojane~itai} elkeen zal sterven (nemo non).

6. Negaties van verschillenden aard verbonden.

a) \gr{o>u m'h} met den coni. (aor.) of ind. fut. is een uitdrukkelijke (dikwijls ironische) ontkenning: zeker niet.

\gr{To`us ponhro`us o>u m'h pote belt'ious poi'hsete.}

b) \gr{m'h o>u} met den coni. (of opt. obl.) na de verba timendi = ne non, dat .... wel niet.

\gr{>Efobe~ito, m`h o>u d'unaito >ek t~hs q'wras >exelje~in.}

c) \gr{m`h o>u} met den inf. na een negatief hoofdwerkwoord (of uitdrukkingen, die negatieve beteekenis hebben) = niet te.

\gr{O>uk <'osi'on so'i >esti m`h o>u bohje~in dikaios'unh| pant`i tr'opw|.}

\gr{P~asin a>isq'unh >~hn m`h o>u suspoud'azein.}

§ 203. De vraagpartikels.

Van deze komen in zelfstandige vragen overeen met

1. het Lat. -ne: \gr{>~h} en \gr{>~ara},

2. het Lat. nonne: \gr{o>u, >~ar' o>u — \gr{o>uko~un}nonne igitur?

\gr{>~h g'ar} en \gr{>'allo ti >'h} niet waar?

3. het Lat. num: \gr{m'h, >~ara m'h, m~wn (= m`h o>~un)} immers niet?

4. het Lat. utrum — an: \gr{p'oteron (p'otera) — >'h}.

het Lat. — an: — \gr{>'h}.

OPM. Afhankelijke vragen § 176.

§ 204. De overige partikels

in hunne meest voorkomende beteekenissen in zoover zij niet reeds in het voorafgaande behandeld zijn.

Vooraf. opm. Er zijn vele partikels, die niet aan het begin van een zin kunnen staan; daarom heeten ze postpositieve partikels; in de volgende lijst zijn ze met een * gemerkt.

1. \gr{>All'a}, adversatief: maar, doch, echter (sed, at);

in aansporingen: nu, welaan; dus;

in antwoorden: nu, welaan.

\gr{>all' o>u, >all`a m'h}: ac non echter niet, en niet (veeleer).

\gr{>all' o>~un (ge)}: toch zeker, (ten minste).

\gr{e>i m'h — >all'a ge}: si non — at tamen.

\gr{o>u m'hn (m'entoi) >all'a}: (toch niet, maar) desniettemin, intusschen.

2. \gr{>'allws}: anders; zoo maar in ’t wilde weg.

\gr{>'allws te ka'i}: (anders zoowel als) vooral;

\gr{t`hn >'allws}: te vergeefs (verg. \gr{t`hn taq'isthn} § 138).

3. \gr{<'ama}: te gelijk; met den dat. (verg. § 155, 1); met een part. § 199, 3 c.

\gr{<'ama m'en — <'ama d'e} te gelijk — en, deels — deels.

\gr{<'ama (te) -— ka'i} (te gelijk) zoowel — als;

(zoodra als —) pas -— en terstond, en tegelijkertijd.

4. *\gr{>'ara}, gevolg aanwijzend: dienovereenkomstig, klaarblijkelijk, natuurlijk, videlicet; dus, dan; nu.

\gr{e>i >'ara, >e`an >'ara: indien (of) namelijk, indien (of) soms.

\gr{e>i m`h >'ara m. d. ind.: nisi forte, nisi vero.

\gr{<ws (<'oti) >'ara}: dat namelijk; dat juist; dat immers.

\gr{o>uk >'ara}: dus niet; wel niet.

5. \gr{>'ara?} vragend = -ne? \gr{>~ar' o>u?} nonne? \gr{>~ara m'h?} num? § 203, 2. 3.

6. \gr{>at'ar} (Hom. \gr{z>t'ar}), adversatief: maar; echter, daarentegen.

releveerend: dach waarlijk.

7. *\gr{a>~u}, adversatief: wederom, anderdeels. An. 1, 1, 7.

van zijn —, van hun kant. An. 1, 6, 7. 10, 11.

8. *\gr{g'ar}, redengevend: want, enim; immers;

verklarend en uitbreidend: namelijk;

levendig vragend: — dan? (\gr{t'is g'ar?} quisnam?)

\gr{>all`a g'ar}: at enim maar toch, maar — juist, maar — immers, maar omdat.

\gr{e>i g'ar, e>'ije} utinam.

\gr{>~h g'ar} of \gr{o>u g'ar}: niet waar?

\gr{ka`i g'ar}: etenim: en — immers, ook — immers.

of: nam etiam, want ook;

of: nam et, want zoowel (correl. met een vo1gend \gr{ka'i} et, als ook).

9. *\gr{g'e} (enclit.), releveerend: ten minste, juist.

\gr{>epe'ige}: daar immers; \gr{>all'a — g'e}: doch — ten minste.

10. *\gr{go~un} (uit g`e o>~un} releveerend: ten minste, in elk geval, certe.

11 \gr{d'e}, adversatief: maar, autem; in antwoorden: waarlijk, zwakker dan \gr{>all'a}, verg. \gr{ka'i} en \gr{m'en};

dikwijls ook slechts verbindend: en.

Maar niet = \gr{>all' o>u} of \gr{o>u m'entoi}. Over \gr{o>ud'e} zie no. 31.

12. *\gr{d'h}, temporeel·: reeds, nu, juist; \gr{n~un d'h} zoo even;

gevolg aanwijzend: dus, dan, daarom; \gr{d~hlon d'h}: het is immers duidelijk;

releveerend: blijkbaar, juist; natuurlijk; toch wel; zelfs;

bij den imperat. sterk aanmanend: \gr{l'ege d'h}: zeg dan toch!

\gr{e>i d'h}: indien dan, indien werkelijk — \gr{<'ote d'h} juist, toen.

\gr{<`os d'h}: die juist; die dus.

\gr{<'ostis d'h} (al)wie juist; de een of ander.

13. \gr{d~hjen}, releveerend: heelemaal, waarlijk; blijkbaar.

beperkend: zooals voorgewend wordt, schijnbaar, wel.

14. *\gr{d'hpou} (een verzwakt \gr{d'h}): toch wel, dikwijls ironisch.

15. *\gr{d~hta} (een versterkt \gr{d'h}): inderdaad wel; toch zeker.

\gr{o>u d~hta} waarlijk niet; \gr{t'i d~hta} wat (waarom) dan?

16. \gr{e>'ite — e>'ite} (sive — sive): hetzij — hetzij, hetzij — of;

in afhankelijke vragen: of (dan wel) of, § 176.

17. \gr{>'h} sterk verzekerend: zeker, voorwaar; versterkt \gr{>~h m'hn, z. no. 25.

Over \gr{>'h} als vraagwoord § 203.

\gr{>~h pou}: waarlijk, zeker wel.

18. \gr{>'h} disjunctief: of; dikwijls dubbel: \gr{>'h} — \gr{>'h} aut -- aut;

vergelijkend: dan (als), na comparativi en comparatieve begrippen (\gr{>'allos, <'eteros, >enant'ios}).

\gr{>'allo to >'h}: niet waar? § 203, 2.

\gr{>'htoi (ge) — >'h} (of \gr{>'h — >'htoi}): aut -— aut.

\gr{>all' >'h} na eene negatie of vraag: behalve (als).

OPM,. Waar getal of maat wordt aangegeven, blijft \gr{>'h} dikwijls weg na de adverbiale comparativi \gr{pl'eon} (bijvorm \gr{ple~in}), \gr{>'elatton}, me~ion}, of na de overeenkomstige adiectiva, b.v. \gr{p'empei o>uk >'elatton d'eka >'andras} (non minus decem); \gr{>'eth gegon`ws ple'iw <ebdom'hkonta}.

19. \gr{ka'i}, copulatief: en, ook;

een hoogeren graad aanwijzend: zelfs; bij den comp.: nog.

Bij meer dan twee begrippen wordt \gr{ka'i}l (evenals et) bij elk afzonderlijk begrip herhaald.

\gr{ka'i — ka'i}: zowel — als, om uitdrukkingen, die met elkaar op één lijn staan, te verbinden; verg. no. 39;

\gr{ka'i} na uitdrukkingen van gelijkheid: als; b.v. \gr{<'omoios, <omo'iws} similis, similiter, \gr{<o a>ut`os ka'i}: idem atque;

\gr{ka'i — d'e}: en zelfs, en ook, maar ook (\gr{d'e} verbindt, \gr{ka'i} wijst een hoogeren graad aan);

\gr{ka`i d`h ka'i}: en natuurlijk ook, en vooral ook;

\gr{o>u m'onon — >all`a ka'i} niet slechts — maar ook;

\gr{>'hdh — ka'i} iam — cum, reeds . . . , toen . . . (verg. cum inversum);

\gr{o>'upw — ka'i}: nondum — cum, nog niet . . . toen . . .

20. \gr{ka'itoi}, concessief: en toch; intusschen; nu echter; verg. no. 40.

21. \gr{m'a}, sterk verzekerend, met den accus. van den naam der aangeroepen godheid of zaak (z. § 130, 2); \gr{m`a to`us jeo'us} bij de goden; \gr{na`i m`a D'ia} ja bij Zeus, \gr{o>u m`a D'ia} neen bij Zeus.

22. *\gr{m'en}, verzwakt uit \gr{m'hn}, is:

a) verzekerend: zeker;

\gr{ka`i (>all`a) m`en d'h}: en (maar) zeker toch; ook . . . immers.

\gr{o>u m`en d'h}: toch zeker niet, voorwaar niet. Verg. no. 32 s. f.

b) adversatief, meest beantwoordend aan een volgend \gr{d'e} echter.

\gr{m'en — d'e} wel — maar; dikwijls blijft \gr{m'en} onvertaald.

23. *\gr{m'entoi}, bekrachtigend: wezenlijk, voorwaar;

adversatief (dikwijls na \gr{m'en}): doch; echter; dan toch, evenwel;

in vragen \gr{o>u m'entoi} —; niet waar? Verg. no. 1. s. f.

24. \gr{m'h}: niet, is de negatie van den wenschzin, § 202, 3.

soms zonder hoofdzin, verg. § 178, 2; in vragen = num, § 203, 3.

\gr{o>u m'h} en \gr{m`h o>u} § 202, 6; \gr{mhd'e} zie \gr{o>ud'e} no. 31;

\gr{m`h <'oti} (= \gr{m`h e>'ipw, e>íph|s, <upol'abh|s, <'oti}): niet slechts.

\gr{m`h <'oti} en \gr{m`h < ópws} (evenals \gr{o>uq <'opws}): niet slechts niet.

\gr{m`h <'oti} en \gr{m'h ti ge d'h} (sc. \gr{e>'iph|s}): laat staan (dan).

\gr{<'oti m'h} (evenals \gr{e>i m'h}): behalve, nisi.

25. *\gr{m'hn}, sterk verzekerend: vero, voorwaar, voorzeker, dikwijls met \gr{>~h}, z. no. 17.

adversatief: echter; vooral in verbindingen als:

\gr{>all`a m'hn}: at vero, \gr{ka`i m'hn} et vero — nu echter; verder (echter). Verg. no. 1 s.f.

26. \gr{m~wn}, vragend = \gr{m`h o>~un} = num, immers niet? § 203, 3.

27. \gr{na'i}, in antwoorden: ja; \gr{na`i m`a D'ia}; z. n. 21.

28. \gr{n'h}, sterk verzekerend: \gr{n`h D'ia} ja bij Zeus. Z. § 130, 2.

29. *\gr{n'un} (enclit.), gevolg aanwijzend: ons toonloos nu.

30. \gr{o>u}: niet, is de negatie van den oordeelszin, § 202, 2;

in directe vragen: \gr{>~ar'o>u, o>uko~un?} nonnen? § 203, 2.

\gr{o>'u ti} heelemaal niet, volstrekt niet; wel niet.

\gr{o>uq <'oti (o>uk >er~w <'oti}): niet slechts; ook ofschoon.

\gr{o>u m'onon <'oti} en \gr{o>uq <'oti m'onon}: niet slechts.

\gr{o>uq <'opws (o>uk >er~w <'opws}) — \gr{>all`a ka'i (o>ud'e)}: niet slechts niet — maar zelfs (niet eens);

na negatieve uitdrukkingen: laat staan (dan).

\gr{m'onon o>u (o>uq'i)}, <'oson o>u}: tantum non bijna.

\gr{<'oson o>'upw, <'oson o>uk >'hdh}: bijna al, terstond.

31. \gr{o>ud'e (mhd'e)}, copulatief: a) en niet, noch, als het eerste lid negatief is (is dit positief, dan beteekent en niet \gr{ka`i o>u);

b) ook niet, zelfs niet, niet eens, ne — quidem.

\gr{o>ud' e>i}: zelfs niet, indien; verg. § 186.

\gr{o>ud'e — o>ud'e}: niet eens — noch.

\gr{o>ud'e — d'e}: maar ook niet.

32. *\gr{o>~un}, gevolg aanwijzend: dus, bij gevolg, vandaar, igitur;

bevestigend: in alle geval, inderdaad; voorzeker.

\gr{>~ar' o>~un}: dus werkelijk? dan werkelijk?

\gr{>all' o>~un (ge): doch zeker (ten minste).

\gr{d' o>~un}: nu echter; zeker is echter, dat —.

\gr{ka`i g`ar o>~un} en vandaar dan; vandaar dan ook.

\gr{m`en o>~un} (evenals immo): wel zeker of neen veeleer.

bij relativa: \gr{<'ostis o>~un} (\gr{<'ontina o>~un} enz.) quicumque.

33. \gr{o>uko~un} (eenversterkt \gr{o>~un}); wordt gebruikt:

a) verzekerend: dus, dienovereenkomstig;

b) vragend: dus niet? nonne igitur? § 203, 2.

34. \gr{o>'ukoun} (een versterkt \gr{o>u}), wordt gebruikt:

a) verzekerend: dus niet, in alle geval niet;

b) vragend: dus niet? dan niet?

35. \gr{o>'ute — o>'ute (m'hte — m'hte)}: neque -— neque, noch-— noch,

\gr{o>'ute (m'hte) — t'e} neque — et, eensdeels niet — anderdeels; niet slechts niet — maar zelfs.

\gr{o>'ute — o>u} (vooral dichterl.) = \gr{o>'ute — o>'ute}.

\gr{o>'ute — o>ud'e}: noch — noch ook.

36. *\gr{p'er} (enclit. uit \gr{per'i}) juist, zelfs, althans, zeer.

\gr{<'osper} juist degene, die; die namelijk; \gr{>epe'iper} daar juist; daar namelijk.

\gr{<'wsper} juist als, zooals; \gr{<'oteper} juist toen; \gr{e>'iper} § 185, 2.

37. \gr{pl'hn} behalve, wordt gebruikt:

a) als praepositie m. d. gen., § 159, 5;

b) als conjunctie: behalve dat, slechts, m. d. ind. of zonder werkwoord.

38. *\gr{p'w} (enclit.): nog; meestal aan negaties toegevoegd:

\gr{o>'upw} nondum, non iam, nog niet.

maar: \gr{o>uk'eti} non amplius, iam non, niet meer.

39. *\gr{t'e} (enclit.; Lat. -que), copulatief: en; in proza verbindt \gr{t'e — t'e}: zoowel — als (evenals \gr{ka'i — ka'i}) meestal zinnen, die met elkander op één lijn staan, daarentegen

\gr{t'e — t'e}; niet alleen — maar ook afzonderlijke begrippen, die elkaar aanvullen.

40. *\gr{to'i} (enclit.), verzekerend: toch immers, immers toch; voorzeker; vooral dikwijls met andere partikels verbonden: \gr{ka'itoi} no. 20; \gr{m'entoi} no. 23.

\gr{o>'utoi}: waarlijk niet!

\gr{to'igar}, gevolg aanwijzend; daarom dus; versterkt:

\gr{toigaro~un} en \gr{toig'artoi}: juist daarom;

\gr{to'inun}, gevolg aanwijzend: dan zeker, dienovereenkomstig, dus;

\gr{nu echter; ook synoniem met \gr{d'e}: verder, echter.

%HIERO: onderste stukje niet opgeruimd

De meest gebruikte maten, gewichten en munten. I

1. Lengtematen. 9 .

I owiciwv I rz/1é19g<1 I égijwai I mjpgeeg I rrééeg I Meter I

I I 5 1oo 3331/3 I 5oo 164 I

I JIlé”l9'QOV 662/3 32,8

I éigijvzd 31/3 I ,64 I

1 mw; n/2 o,492

_ I I ami; I o,323 I

1 parasang = 3o stadien = 4,92 KM. : 1 uur gaaus.

Het Olijmpische stadion had 6oo voet van o,32o M. = 192 M;

het Grieksch-Romeinsche I 6oo Avoet van o,296 M. : 178 M.

2. Inhoudsmaten.

voor droge Waren. I voor natte waren.

,ué6e,uvogI xoivmeg Liter ,ue1g7ijm§gI pgéeg I 27o7151o1 Liter

I 48 52,53 . I 12 144 I 39,39

I pgoiwé 1,oo I I 44o77; 12 3,23 I

I _ I 2:o71}}.27 o,27

I

3. Gewichten en munten. -

I Gewicht Geldswaarde

rdlawov lewai égaxluai 6,6o/Io! in · in

I grammeh guldens. I

l I 6o 6ooo 36 ooo 19626 I 27oo

I xm? 1oo 6oo 436,6 45 .

I <s9a;5,mi 6 4,37 o,45

I I I 6,8o16; I o,7 I I o,o75 I

Het goud had 1o a 12 maal de waarde van het zilver.

Een Perzische éagemdg (cmnég) en de Attische gouden stater waren evenveel

waard, n.1. 24 drachmen f 1o.8o.

Naast de bovenstaande Selonische munt was in het verkeer tot in den Rom. L

tijd de oude Aeginetische munt in gebruik, waarbij het talent 36,156 KG., de mina

6o2,6 G., de draehme 6,o3 G. woog.